Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9763

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19_1974, AWB - 19_1976, AWB - 19_1977
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In 2013 is verweerder een onderzoek gestart naar het aangiftegedrag van de belastingconsulent. De uitkomsten daarvan zijn aanleiding geweest om de door de belastingconsulent ingediende aangiften, waaronder die van eiser, nader te onderzoeken. Verweerder heeft de aftrekposten wegens uitgaven voor levensonderhoud kinderen, specifieke zorgkosten en aftrek giften gecorrigeerd. In geschil is of voldaan is aan de wettelijke vereisten voor navordering over de jaren 2010 en 2011. Daarnaast is in geschil of eiser recht heeft op aftrek van giften. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch hebben op respectievelijk 16 januari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:392 en ECLI:NL:GHARL:2018:366) en 15 juni 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2639) in vergelijkbare zaken van andere cliënten van de belastingconsulent, geoordeeld dat voor aanslagen die zijn opgelegd vóór 2 april 2013 sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Voor het jaar 2010 is sprake van een nieuw feit omdat de aanslag vóór 2 april 2013 is opgelegd. Voor het jaar 2011 is sprake van kwade trouw van de belastingconsulent die aan eiser wordt toegerekend zodat verweerder, ondanks het ontbreken van een nieuw feit, bevoegd was om de navorderingsaanslag 2011 op te leggen. De belastingconsulent heeft zonder enig onderzoek daartoe en zonder te beschikken over bescheiden ervoor gekozen in de aangifte IB/PVV 2011 diverse specifieke zorgkosten op te voeren tot een bedrag van € 2.975 met ronde bedragen, bestaande uit medicijnen (€ 100), woningaanpassingen (€ 2.500), vervoer in verband met ziekte of invaliditeit (€ 50), dieetkosten (€ 250) en genees- en heelkundige hulp (€ 75). Verweerder heeft de aftrekpost giften terecht gecorrigeerd. Met het enkel overleggen van de kwitanties en de verklaring van de penningmeester van de moskee heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk de gestelde contante giften heeft gedaan. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-11-2019
V-N Vandaag 2019/2448
FutD 2019-2910
V-N 2020/3.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/1974, SGR 19/1976, SGR 19/1977

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2019 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A.P.F. Hoens),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV)(de navorderingsaanslagen) en voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV (de aanslag) opgelegd. Bij de navorderingsaanslagen is heffingsrente en bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 maart 2019 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] .

Overwegingen

Feiten

1. De aangiften IB/PVV van eiser voor de jaren 2010, 2011 en 2013 zijn door zijn voormalige gemachtigde, belastingconsulent [B] (de belastingconsulent), ingediend. In deze aangiften heeft eiser voor elk jaar uitgaven voor levensonderhoud kinderen in aftrek gebracht. Verder heeft hij voor het jaar 2011 een bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten en voor de jaren 2010 en 2013 een bedrag aan giften afgetrokken.

2. Verweerder heeft, conform de aangiften, met dagtekening 27 juli 2011 de definitieve aanslag over het jaar 2010 en met dagtekening 19 juli 2013 de definitieve aanslag over het jaar 2011 opgelegd.

3. In 2013 is verweerder een onderzoek gestart naar het aangiftegedrag van de belastingconsulent. De uitkomsten daarvan zijn aanleiding geweest om de door de belastingconsulent ingediende aangiften, waaronder die van eiser, nader te onderzoeken. In maart 2015 is een strafrechtelijk onderzoek naar de belastingconsulent gestart.

4. Bij brieven van 31 maart 2015 heeft verweerder aan eiser vragen gesteld over de in de aangiften opgenomen aftrekposten.

5. Met dagtekening 8 augustus 2015 zijn de navorderingsaanslagen opgelegd. Met dagtekening 26 augustus 2015 is de aanslag opgelegd. Daarbij heeft verweerder de door eiser opgevoerde aftrekposten gecorrigeerd.

Geschil

6. In geschil is of voldaan is aan de wettelijke vereisten voor navordering over de jaren 2010 en 2011. Daarnaast is in geschil of eiser recht heeft op aftrek van giften. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de overige correcties niet meer in geschil zijn.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Volgens eiser was verweerder al geruime tijd op de hoogte van de werkwijze van de belastingconsulent en werden alle door hem verzorgde aangiften al vanaf het jaar 2012 handmatig gecontroleerd. Daarnaast stelt eiser dat hij de giften aannemelijk heeft gemaakt en dat deze voor aftrek in aanmerking komen. Tot slot stelt eiser dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden door zijn stelling, dat de ingediende aangiften IB/PVV geen aanleiding gaven tot een nader onderzoek, niet te onderbouwen.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in de aangiften opgenomen aftrekposten op zichzelf geen aanleiding vormden voor nader onderzoek. De uitkomst van het onderzoek naar het aangiftegedrag van de belastingconsulent vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Subsidiair stelt verweerder dat sprake is van kwade trouw bij de belastingconsulent die aan eiser kan worden toegerekend. Volgens verweerder heeft eiser de giften niet aannemelijk gemaakt en zijn deze terecht niet in aftrek toegelaten.

Beoordeling van het geschil

Wettelijke vereisten voor navordering

9. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

10. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit, dient beoordeeld te worden of sprake is van feiten die bij het opleggen van de definitieve aanslagen reeds bij verweerder bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat verweerder er in het algemeen op mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en dat alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens, verweerder een nader onderzoek dient in te stellen (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

10. In de aangifte IB/PVV 2010 is slechts een relatief gering bedrag aan giftenaftrek vermeld en bestaat de aftrekpost levensonderhoud kinderen uit de forfaitaire bedragen per kwartaal zoals die volgen uit de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De aangifte is dan ook niet zodanig ongebruikelijk dat onmiddellijk duidelijk moest zijn dat deze niet zonder onderzoek naar de juistheid ervan kon worden gevolgd. Nu de aangifte ook verder geen aanleiding tot vragen gaf, mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de aangifte. Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 is dus voldaan aan het vereiste van het nieuwe feit. De stelling van eiser dat de aangiften die verzorgd werden door de belastingconsulent al vanaf het jaar 2012 handmatig werden gecontroleerd, wat daarvan ook zij, leidt niet tot een ander oordeel omdat de definitieve aanslag IB/PVV 2010 al met dagtekening 27 juli 2011 is vastgesteld.

12. Ter onderbouwing van zijn stelling dat ook voor de navordering voor het jaar 2011 sprake is van een nieuw feit verwijst verweerder in het verweerschrift naar uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 januari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:392 en ECLI:NL:GHARL:2018:366) en van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2639) waar, in vergelijkbare zaken van andere cliënten van de belastingconsulent, is geoordeeld dat voor aanslagen die zijn opgelegd vóór 2 april 2013 sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Ter zitting is verweerder voorgehouden dat de definitieve aanslag IB/PVV 2011, in tegenstelling tot hetgeen is vermeld in het verweerschrift, is opgelegd ná 2 april 2013, namelijk op 19 juli 2013. Met de verwijzing naar de hiervoor aangehaalde uitspraken en zijn stelling dat slechts sprake is van een gering tijdsverloop en dat de behandelopdracht voor de aangifte van eiser over 2011 pas in de loop van het jaar 2013 in het systeem is ingebracht, heeft verweerder onvoldoende aangedragen om aannemelijk te maken dat voor het jaar 2011 sprake is van een nieuw feit.

13. Van kwade trouw in de zin van artikel 16 Awr is sprake als eiser verweerder bij het doen van aangifte opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt of opzettelijk juiste inlichtingen aan verweerder onthoudt. Er dient een causaal verband te bestaan tussen het gedrag te kwader trouw en het ten onrechte niet of te weinig heffen van belasting. Onder opzet valt tevens voorwaardelijk opzet, te weten het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven en het bewust aanvaarden van die kans (HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160 en HR 29 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5346). Indien een belastingplichtige bij het doen van aangifte gebruik maakt van de diensten van een derde, dient de kwade trouw van die derde in dit verband aan de belastingplichtige te worden toegerekend (HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566). De bewijslast rust op verweerder.

14. In de aangifte IB/PVV 2011 zijn in totaal € 2.975 aan zorgkosten opgevoerd, voor wettelijke verhoging en voor aftrek van de drempel, bestaande uit medicijnen (€ 100), woningaanpassingen (€ 2.500), vervoer in verband met ziekte of invaliditeit (€ 50), dieetkosten (€ 250) en genees- en heelkundige hulp (€ 75). Op vragen van verweerder heeft eiser in april 2015 schriftelijk verklaard ‘’Van de specifieke zorgkosten zijn geen bewijsstukken en deels ten onrechte opgevoerd door de adviseur’’. Naast de verklaring van eiser dat de belastingconsulent deels ten onrechte zorgkosten heeft opgevoerd, bevat het dossier geen aanwijzing dat de belastingconsulent onderzocht heeft of de zorgkosten, waarvoor klaarblijkelijk geen bewijsstukken zijn daadwerkelijk zijn gemaakt door eiser. Kennelijk heeft de belastingconsulent zonder enig onderzoek daartoe en zonder te beschikken over bescheiden ervoor gekozen in de aangifte IB/PVV 2011 diverse specifieke zorgkosten op te voeren tot de hiervoor weergegeven ronde bedragen. Aldus moet worden geconcludeerd dat de belastingconsulent zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven en dat hij die kans bewust heeft aanvaard. Gelet hierop heeft verweerder met betrekking tot de specifieke zorgkosten aannemelijk gemaakt dat het aan de kwade trouw van de belastingconsulent is te wijten dat (aanvankelijk) te weinig belasting is geheven. Aangezien deze kwade trouw aan eiser dient te worden toegerekend, was verweerder, ondanks het ontbreken van een nieuw feit, bevoegd de navorderingsaanslag 2011 op te leggen.

Aftrekpost giften

15. Eiser heeft in de aangiften IB/PVV 2010 en 2013 bedragen van respectievelijk € 585 en € 1.280 (voor toepassing van de drempel) aan giften in aanmerking genomen. Het betreft contante giften aan de [stichting] (de Stichting), waarbij de gift in de aangifte 2013 is aangemerkt als een gift aan een culturele instelling.

16. Ingevolge artikel 6.39, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 worden giften als andere giften slechts in aanmerking genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij een bepaalde drempel te boven gaan. Nu het een aftrekpost betreft, rust de bewijslast op eiser.

17. Eiser heeft in de bezwaarfase ter onderbouwing van de contante giften twee kwitanties overgelegd van de Stichting, een voor een bedrag van € 680, gedateerd op ‘2010’ (kwitantienummer 00496) en een voor een bedrag van € 1.280, gedateerd op ‘2013’ (kwitantienummer 00497). Daarnaast heeft eiser een brief van de penningmeester van de Stichting overgelegd, gedateerd op 27 juli 2016, waarin wordt vermeld dat de kwitanties over 2010 en 2013 juist zijn, dat beide kwitanties in 2013 zijn afgegeven en dat de bedragen op de kwitanties totaalbedragen zijn wat gedoneerd is over het gehele betreffende jaar.

18. Verweerder twijfelt aan de betrouwbaarheid van die stukken omdat het niet logisch is dat de Stichting in 2013 alsnog een kwitantie over het jaar 2010 opmaakt terwijl daar geen directe aanleiding toe is. Daarnaast stelt verweerder dat de verklaring dat de kwitanties achteraf worden opgemaakt niet overeenkomt met het feit dat de kwitantie over het jaar 2013 in het jaar 2013 zou zijn opgemaakt. Deze omstandigheden brengen met zich mee dat verweerder voldoende aanleiding had om van eiser aanvullend bewijs te vorderen (vgl. Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2018:1297). Ondanks het verzoek van verweerder heeft eiser ervan afgezien nader bewijs over te leggen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat de giften aan het einde van de dienst aan de penningmeester werden gegeven en vervolgens zijn opgeschreven op lijsten. Vervolgens zijn de kwitanties achteraf opgemaakt. Ook in beroep heeft hij verder geen bewijsstukken overgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van afschriften van de inschrijving in het kasboek van de Stichting of overlegging van kopieën van de hiervoor genoemde lijsten. Met het enkel overleggen van de kwitanties en de verklaring van de penningmeester heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk de gestelde giften heeft gedaan. Verweerder heeft de aftrekpost giften over 2010 en 2013 terecht gecorrigeerd.

Motiveringsbeginsel

19. De stelling van eiser dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden, slaagt niet nu in de uitspraken op bezwaar wordt vermeld, onder vermelding van de relevante jurisprudentie, waarom verweerder in de gegevens omstandigheden in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de aangiften.

De heffingsrente en belastingrente

20. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte heffingsrente (jaren 2010 en 2011) en belastingrente (jaar 2013). Eiser heeft daartegen geen afzonderlijke gronden aangevoerd en niet is gebleken dat de heffingsrente dan wel de belastingrente niet conform de wettelijke bepalingen is berekend.

Conclusie

21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Roodhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.