Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9615

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
C/09/549712 / HA ZA 18-304
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijk beslag op renpaard.Teruggave onder zekerheidstelling van derde. Achteraf blijkt dat renpaard van derde, niet van beslagene is. OM kwam bevoegdheid artikel 118a Sv achteraf niet toe. Misbruik van recht door zekerheid niet terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/549712 / HA ZA 18-304

Vonnis van 18 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. T.P.M.D. Jansen te Eindhoven,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. I.C. Engels te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 maart 2018, met producties 1 tot en met 19;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 20;

  • -

    het tussenvonnis van 17 juni 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 oktober 2018 en de daarin genoemde akte nadere toelichting alsmede indienen nadere stukken, met productie 20, van de zijde van eiser;

  • -

    de conclusie van repliek, alsmede wijziging van eis, met producties 21 tot en met 28;

  • -

    de conclusie van dupliek, tevens akte uitlating wijziging van eis.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is in overleg met partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Bij brief van 30 oktober 2018 heeft [eiser] een aantal opmerkingen over het proces-verbaal gemaakt. De Staat heeft dat bij brief van 2 november 2018 gedaan. Het proces-verbaal wordt gelezen met inachtneming van deze opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is een (nadere) datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] voert sinds 1 januari 2017 de eenmanszaak [de Eenmanszaak] , een onderneming die zich richt op het trainen, fokken en aan- en verkopen van paarden. Voorheen vormde [eiser] met zijn vader [de vader] en zijn moeder [de moeder] de vennootschap onder firma [de Eenmanszaak] (hierna: [de VOF] ). Die vennootschap is per 31 december 2016 ontbonden.

2.2.

[A] (hierna: [A] ) is indirect enig aandeelhouder en enig bestuurder van [X] (hierna: [X] ). [X] houdt zich bezig met het trainen en verhandelen van paarden.

2.3.

Op 22 maart 2010 is het springpaard [het Springpaard] geboren. In een stamboekbewijs afgegeven door de Koninklijke Vereniging Warmbloed Paardenstamboek Nederland (hierna: KWPN) aan ‘ [de Eenmanszaak] ’ staat dat het springpaard [het Springpaard] de vrucht is van de hengst [de hengst] en de merrie [de merrie] . Als fokker is vermeld ‘ [de Eenmanszaak] ’. Het door de KWPN aan ‘ [de Eenmanszaak] ’ afgegeven stamboekbewijs van [de merrie] noemt ‘ [de vader] ’ als fokker van [de merrie] .

2.4.

In mei 2016 is [het Springpaard] in de manege van [X] gestald.

2.5.

Een factuur gedateerd 4 juni 2016 van een dierenarts voor de kosten van behandeling van [het Springpaard] is gericht aan [X] .

2.6.

In het proces-verbaal van verhoor (d.d. 2 december 2016) van [eiser] staat dat [eiser] op de vraag waarom [het Springpaard] bij [X] was gestald heeft verklaard:

‘ [A] had interesse in het paard. Hij heeft het een keer geprobeerd en vond het een ontzettend goed paard. Ik zou € 75.000 krijgen als startbedrag. Als er meer voor gekregen werd zou het verdeeld worden. Het was de eerste keer dat ik zaken met hem deed. Dit speelde omstreeks half mei van dit jaar. Ik heb afspraken gemaakt met [A] , zoals ik net heb verteld. Voor de rest was het voor ons vrij van kosten. Voor het stallen hoefde ik niets te betalen. De kosten waren allemaal voor [A] in die tijd. Op dat moment leek het een goede afspraak. [A] ging er vanuit dat het meer zou opbrengen, anders ging hij het niet doen natuurlijk. Ik ben er in de tussentijd nog 3 keer geweest. [A] heeft me verteld dat het paard verkocht zou zijn. Dat is eind juli geweest, in de tijd van het concours in Valkenswaard. Toen heeft van [A] me gebeld dat het paard verkocht was. Ik ben naar hem toe geweest. Ik heb het stamboek papier gebracht. Toen kwam er geen geld. Toen heb ik hem gebeld en toen zei hij dat er geld zou komen, maar dat is niet gekomen. Toen is de koop niet doorgegaan en toen ben ik het stamboek papier weer op gaan halen. Dat is circa twee weken later geweest dat ik het papier weer opgehaald heb.’

2.7.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek heeft de Staat op 29 juli 2016 op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) conservatoir beslag gelegd op 18 paarden die zich in de manege van [X] bevonden. Een medewerker van [X] heeft de paarden aangewezen die aan [X] toebehoorden. Eén van de inbeslaggenomen paarden was [het Springpaard] .

2.8.

Een brief van 3 augustus 2016 van de advocaat van [X] aan de officier van justitie luidt onder andere als volgt:

‘In bijzonder het beslag op de paarden veroorzaakt grote problemen. Tien beslagen paarden zijn niet van cliënt of zijn vennootschappen maar van derden. [..]

Het betreft de volgende paarden (de nummering stemt overeen met die van de inbeslagname), met vermelding van de eigenaren, en met verwijzing naar bijbehorende documentatie:

- [het Springpaard] , nr. 2 ( […] ) (*) Bijlage 1 [..]’

Als bijlage 1 bij deze brief is het paardenpaspoort van [het Springpaard] bijgevoegd, waarin ‘ [de Eenmanszaak] ’ is genoemd als degene aan wie het document is afgegeven.

2.9.

Op enig moment heeft de Staat zeven van de achttien inbeslaggenomen paarden overgedragen aan derden, nadat gebleken was dat deze paarden niet aan [X] toebehoorden.

2.10.

In een ‘Formulier aanvragen en/of wijzigen van FEI documenten’ ten behoeve van [het Springpaard] , met daarop de gestempelde datum 7 oktober 2016, is als eigenaar ‘ [X] B.V.’ ingevuld. Op het formulier staat ‘ [B] ’ als aanvrager ingevuld.

2.11.

In het proces-verbaal van verhoor (d.d. 22 februari 2017) van [B] , werkzaam als manager bij [X] , staat dat [B] over de inhoud van het formulier desgevraagd heeft verklaard:

‘Ik heb het document opgemaakt. Ik heb dat in eigen opdracht opgemaakt. Het paard moest voor een internationale wedstrijd een paspoort hebben en daarvoor is het document opgemaakt. Het is gebruikelijk dat de houder van het paard wordt ingevoerd als eigenaar op dit document. Voor alle duidelijkheid het document is opgemaakt op het moment dat ik nog niet wist wat de eigendomsverhoudingen waren van de paarden in de algemeenheid. Met de paarden bedoel ik de paarden van [X] BV.’

2.12.

Op 8 november 2016 heeft [eiser] [het Springpaard] opgehaald bij de manege van [X] .

2.13.

In het proces-verbaal van verhoor van [A] (d.d. 8 februari 2017) staat als verklaring van [A] :

‘ [..] Ik verklaar wel gewoon wat er die dag is gebeurd. Het paard [het Springpaard] is niet van mij of mijn bedrijf. Het paard is van meneer [eiser] . Hij heeft het paard bij mij gestald voor trainingsdoeleinden en voor een eventuele toekomstige verkoop. In de paardenwereld is mijn situatie bekend en hij heeft zijn zorgen getoond over het beslag op het paard. Ik heb hem verteld dat hij zich geen zorgen hoeft te maken want de andere paarden die niet van mij zijn of van mijn bedrijf zijn vrijgegeven naar aanleiding van de nodige documentatie omtrent eigendom. Ik heb hem voorgesteld om langs te komen naar mijn stallen om een verklaring van eigendom te tekenen die meneer [B] zou opmaken, samen met de papieren van eigendom en fokcertificaten omdat hij de fokker is van het paard. [eiser] heeft alle documentatie van alles. Op de dag dat hij de verklaring kwam tekenen voor het eigendom van het paard, die de heer [B] zou opmaken voor hem, kwam [eiser] met een auto en paardentrailer. [..]’

2.14.

Op 10 november 2016 heeft [eiser] – daartoe verzocht door de Staat – [het Springpaard] teruggebracht naar de manege van [X] .

2.15.

Bij beschikking van 20 maart 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant het door [de VOF] en haar vennoten ingediende klaagschrift ex artikel 552a Sv ongegrond verklaard. Dit klaagschrift strekte tot opheffing van het beslag op [het Springpaard] en teruggave van het paard aan de vennootschap. De rechtbank overwoog onder andere het volgende:

‘Om tot gegrondverklaring van het klaagschrift te kunnen komen, dient buiten redelijke twijfel te staan dat klagers, althans één of meer van hen, (enig) eigenaar zijn van het desbetreffende paard. Gelet op de wederzijdse standpunten over het eigendom van het paard en de daarvoor gegeven onderbouwing is de rechtbank van oordeel dat dit thans niet buiten redelijke twijfel vaststaat. Daarbij wijst de rechtbank op het feit dat het paard niet bij klagers, maar bij een derde is aangetroffen en in beslag is genomen, in combinatie met het feit dat die derde als eigenaar is vermeld in het zogenoemde FEI paspoort en de door de officier van justitie gegeven toelichting op de betekenis van dit document en de geldende voorschriften voor vermeldingen daarin. Hetgeen klagers over deze feiten en omstandigheden hebben aangevoerd is onvoldoende om de op grond daarvan gerezen redelijke twijfel weg te nemen.’

2.16.

In reactie op een nader verzoek van [eiser] om het beslag op [het Springpaard] op te heffen, heeft de officier van justitie bij brief van 27 maart 2017 aan de advocaat van [eiser] onder andere het volgende voorgehouden:

‘Er zijn mogelijkheden om het paard weer in beheer te stellen van de beslagene:

a. Er kan zekerheid gesteld worden door beslagene of een derde (artikel 118a Sv), het beslag wordt dan opgeheven;

b. indien sprake is van een serieuze koper kan medewerking worden verleend aan de verkoop. De koopsom dient dan wel op de rekening van het OM te worden gestationeerd totdat de juridische status van het beslag duidelijk is.

Ad a.

Op 12 september 2016 is door [taxateur] te [plaats] in taxatie uitgevoerd van (onder andere) het paard [het Springpaard] . De waarde van [het Springpaard] is toen, getaxeerd op € 35.000,-. Een zekerheidstelling voor dit bedrag is voor het OM bespreekbaar. Ik geef u in overweging, al dan niet in overleg met de heer [A] , van dit aanbod gebruik te maken. Mocht dit het geval zijn dan verneem ik dat graag van u.’

2.17.

Bij brief van 30 maart 2017 van de advocaat van [eiser] aan de officier van justitie heeft [eiser] laten weten bereid te zijn een zekerheid ten bedrage van € 35.000,-- te stellen.

2.18.

Na betaling van een bedrag van € 35.000,-- heeft de officier van justitie op 31 maart 2017 het beslag op [het Springpaard] opgeheven.

2.19.

Bij beschikking van 5 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3065) heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een door [A] (en anderen) gevoerde beklagprocedure, waarin onder meer werd verzocht om opheffing van het beslag op zeven van de inbeslaggenomen paarden. Eerder in die procedure had de rechtbank Oost-Brabant het beslag op deze zeven paarden opgeheven. De Hoge Raad heeft dat oordeel in stand gehouden.

2.20.

Een e-mail d.d. 22 februari 2018 van [C] , registeraccountant en accountant van [eiser] , aan de advocaat van [eiser] luidt onder andere als volgt:

‘De door [de Eenmanszaak] opgestelde voorraadlijsten worden jaarlijks verwerkt in de financiële administratie, en vervolgens op de balans.

Ik heb vast kunnen stellen, dat paard “ [het Springpaard] ” over de jaren 2012 tot en met 2016 jaarlijks op de voorraadlijst per 31-12 staat opgenomen.

Over het jaar 2017 hebben wij nog geen fiscaal verslag samengesteld.

Wel heb ik kunnen vaststellen op basis van de verwerkte financiële administratie dat het paard “ [het Springpaard] ” in 2017 niet is verkocht.’

2.21.

Op een ‘inventarisatieformulier aanwezige paarden per balansdatum’ met als balansdatum 1 januari 2017 van ‘bedrijf: [de Eenmanszaak] ’ staat [het Springpaard] vermeld.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [eiser] te verklaren voor recht dat het paard [het Springpaard] ten tijde van de beslaglegging door de Staat, eigendom was van de vennootschap onder firma [de VOF] en later door de bedrijfsovername eigendom is geworden en gebleven van [eiser] handelend onder de naam [de Eenmanszaak] , en nimmer eigendom is geweest van [X] B.V..

3.2.

Voorts vordert [eiser] te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld althans misbruik maakt van zijn recht door het leggen van het beslag op paard [het Springpaard] , althans het niet opheffen van het beslag, althans het niet terugbetalen van de € 35.000,--, welke tot zekerheid is voldaan door [eiser] handelend onder de naam [de Eenmanszaak] , althans [de VOF] , na het arrest van de Hoge Raad d.d. 5 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3065), althans nadat is gebleken dat [de VOF] althans [eiser] eigenaar was van [het Springpaard] ten tijde van de beslaglegging en de zekerheidstelling.

3.3.

Verder vordert [eiser] de Staat te veroordelen tot betaling van € 35.000,--, welke tot zekerheid is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente; tot betaling van € 1.125,-- aan buitengerechtelijke kosten; en tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

[eiser] heeft aan zijn eis ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat ten tijde van de beslaglegging [de VOF] eigenaar van [het Springpaard] was (en niet [A] of [X] ), dat er dus geen geldige rechtsgrond was voor het beslag en de zekerheidsstelling, en dat de Staat de betaalde zekerheid daarom moet terugbetalen.

3.5.

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De Staat heeft kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben tegen de door [eiser] verzochte wijziging van eis. De rechtbank staat de eiswijziging toe.

Eigendom [het Springpaard]

4.2.

Vooropgesteld is dat ingevolge artikel 150 Rv [eiser] de bewijslast draagt van zijn stelling dat [het Springpaard] ten tijde van de beslaglegging eigendom was van [de VOF] . [eiser] dient dus de feiten te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting die feiten te bewijzen, waaruit het eigendomsrecht op [het Springpaard] voortvloeit. Dat de Staat zich bij wijze van verweer beroept op het bewijsvermoeden neergelegd in artikel 3:119 BW maakt de bewijslastverdeling in deze zaak niet anders. Dit artikel heeft een processuele functie ten behoeve van de bezitter. De Staat is evenwel geen bezitter, terwijl de beslagene heeft verklaard [het Springpaard] niet voor zichzelf, maar voor [de VOF] te hebben gehouden – en dus geen bezitter te zijn.

4.3.

[eiser] heeft gesteld, onder verwijzing naar de onder 2.3 genoemde stamboekbewijzen, dat [de VOF] eigenaar was van [het Springpaard] ’s moederpaard [de merrie] en daarmee ook – op grond van artikel 3:2a, tweede lid, BW en artikel 5:2, derde lid, BW – van het uit het moederpaard geboren veulen, [het Springpaard] .

4.4.

Deze stelling is door de Staat onvoldoende gemotiveerd weersproken. De suggestie van de Staat dat niet de vennootschap, maar [de vader] in persoon eigenaar van de paarden was, vindt zijn weerlegging in de omstandigheid dat de stamboekbewijzen van [de merrie] en [het Springpaard] zijn afgegeven aan ‘ [de Eenmanszaak] ’ en in de omstandigheid dat het stamboekbewijs van [het Springpaard] ‘ [de Eenmanszaak] ’ als fokker noemt. Bovendien is de nota voor het dekgeld van [de merrie] opgenomen in de administratie van [de VOF] , zo blijkt uit een door [eiser] overgelegd grootboekkaart over 2009.

4.5.

[eiser] heeft voorts gesteld dat [de VOF] niet alleen bij geboorte eigenaar van [het Springpaard] was, maar dat ook steeds is gebleven. Ter onderbouwing heeft [eiser] verwezen naar de onder 2.20 weergegeven verklaring van de accountant, waarin staat dat [het Springpaard] tot en met 2016 – het jaar waarin de beslaglegging plaatsvond – op de voorraadlijst was opgenomen en ook in 2017 niet is verkocht. Ook heeft [eiser] erop gewezen dat [het Springpaard] staat vermeld op de onder 2.21 genoemde inventarislijst met balansdatum 1 januari 2017.

4.6.

Ook deze stelling is door de Staat onvoldoende gemotiveerd weersproken. De Staat heeft geen concrete feiten of omstandigheden genoemd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de verklaring van de accountant en de overgelegde inventarislijst. Om diezelfde reden komt ook geen gewicht toe aan het bezwaar van de Staat dat de accountant de inventaris van [de VOF] niet zelf heeft gecontroleerd. De door de Staat geopperde mogelijkheid dat de jaarstukken over 2016 zijn afgestemd op de inbeslagneming van [het Springpaard] , is evenmin met op deze zaak betrekking hebbende feiten geconcretiseerd, zodat de rechtbank ook aan die suggestie voorbij gaat.

4.7.

[eiser] heeft verder gesteld dat [de VOF] eigenaar van [het Springpaard] is gebleven, ook toen het paard bij [X] was gestald. [het Springpaard] was daar, omdat [A] – een internationaal bekende handelaar in een hoog marktsegment (‘ [A] verkoopt geen paarden onder de drie ton’) – [het Springpaard] op consignatie basis voor [de VOF] zou verkopen. Volgens [eiser] was dit mondeling overeengekomen. Afgesproken was ook dat [A] [het Springpaard] in de manege van [X] zou stallen, trainen en verzorgen en de kosten daarvan zou dragen. [eiser] heeft erop gewezen dat ook [A] heeft verklaard, in het onder 2.13 genoemde verhoor, dat [het Springpaard] van [eiser] is en dat ‘hij het paard bij mij heeft gestald voor trainingsdoeleinden en voor een eventuele verkoop’.

4.8.

Anders dan te zeggen dat de mondelinge afspraak niet gecontroleerd kan worden, heeft de Staat het bestaan van de gestelde consignatie-overeenkomst niet nadrukkelijk weersproken. Wel heeft de Staat op een aantal ‘contra-indicaties’ gewezen, die erop zouden duiden dat het eigendom van [het Springpaard] niet (langer) bij [eiser] rustte. Die ‘contra-indicaties’ zijn echter naar het oordeel van de rechtbank, ieder voor zich en in samenhang bezien, onvoldoende om de stellingen van [eiser] te weerleggen.

4.9.

Zo kom aan de door de Staat aangevoerde omstandigheid dat een medewerker van [X] ten tijde van de inbeslagneming [het Springpaard] heeft aangewezen als een van de paarden die aan [X] toebehoorden, niet veel gewicht toe. Bij zeven van de achttien inbeslaggenomen paarden die aanvankelijk aangewezen waren als eigendom van [X] is later immers gebleken dat deze aan derden in eigendom toebehoorden. Bovendien heeft de advocaat van [X] kort na de inbeslagname aan de Staat laten weten, zo blijkt uit de onder 2.8 aangehaalde brief, dat [het Springpaard] geen eigendom van [X] is, daarbij verwijzend naar het paspoort van [het Springpaard] dat (destijds) was afgegeven aan ‘ [de Eenmanszaak] ’.

4.10.

Ook de omstandigheid dat op het onder 2.10 genoemde formulier [X] als eigenaar van het paard wordt aangeduid en dat op het (nadien) afgegeven paspoort [X] als eigenaar wordt aangemerkt, weegt niet zwaar. Niet in geschil is immers dat de Koninklijke Nederlandse Hypische Sportfederatie, dat de paspoorten afgeeft, geen eigendomsverhoudingen registreert en dat ook een ander dan de eigenaar om afgifte of wijziging van een dergelijk paspoort kan verzoeken. Gelet daarop heeft het paspoort – anders dan de Staat heeft gesteld – slechts beperkte bewijswaarde. In dit geval heeft de stalmanager van [X] bovendien verklaard, zo blijkt uit zijn onder 2.11 weergegeven proces-verbaal, dat hij bij het invullen van het wijzigingsformulier [X] als eigenaar heeft vermeld, zonder dat hij wist van de (werkelijke) eigendomsverhoudingen.

4.11.

Verder komt, in het licht van hetgeen [eiser] heeft gesteld over de inhoud van de afspraak tussen [de VOF] en [A] , ook aan de omstandigheid dat [X] de kosten voor stalling en verzorging heeft gedragen – getuige onder andere de onder 2.5 aangehaalde factuur van een dierenarts – niet die betekenis toe die de Staat voorstaat, namelijk dat het duidt op [X] ’ eigenaarschap van [het Springpaard] . Onderdeel van de afspraak tussen [de VOF] en [A] was immers dat [X] deze kosten zou dragen.

4.12.

Tenslotte is de omstandigheid dat [X] pas drie maanden na de inbeslagneming van [het Springpaard] [eiser] heeft geïnformeerd onvoldoende om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de stelling van [eiser] dat [de Eenmanszaak] eigenaar van [het Springpaard] is gebleven. Dat dit zou duiden op een ‘opzetje’ is door [eiser] ontkend en door de Staat niet nader feitelijk onderbouwd. De ervaring van de officier van justitie dat, zoals zij ter zitting heeft verklaard, zij dagelijks mee maakt ‘dat er één-tweetjes worden gesloten om onder het beslag uit te komen’, maakt nog niet dat dat ook in dit geval aan de orde is.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat [het Springpaard] – sinds geboorte – eigendom was van [de VOF] , dat het eigendom niet is overgegaan op [X] , en dat [het Springpaard] ten tijde van de beslaglegging nog steeds eigendom was van [de VOF] .

4.14.

Vast staat ook dat [het Springpaard] nadien eigendom is geworden van [eiser] . [eiser] heeft zijn stelling dat [de VOF] is ontbonden, waarbij de activa en passiva van de vennootschap aan [eiser] per 1 januari 2017 zijn overgedragen, bij repliek nader onderbouwd met een schriftelijke ‘vastlegging definitieve afspraken bedrijfsoverdracht’ opgemaakt door de vennoten van [de VOF] en [eiser] , een notariële akte van verdeling en levering met onderliggende stukken, en een verklaring van de notaris die de akte heeft opgesteld over de datum van de opstelling waarnaar in de akte wordt verwezen. De Staat heeft deze met stukken onderbouwde stelling onvoldoende weersproken.

4.15.

Het voorgaande betekent dat de onder 3.1 gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.

Rechtmatigheid beslaglegging en zekerheidstelling

4.16.

De onder 3.2 weergegeven verklaring voor recht ziet allereerst op de rechtmatigheid van het beslag. Volgens [eiser] heeft de Staat onrechtmatig gehandeld, omdat er hoe dan ook geen geldige rechtsgrond voor het beslag was. [het Springpaard] behoort immers of aan [A] , of aan een derde. Als het paard eigendom is van [A] dan was het beslag, gelet op de onder 2.19 aangehaalde beschikking van de Hoge Raad, onrechtmatig. Als het paard eigendom is van een derde, dan kon geen beslag worden gelegd op het paard, omdat die derde geen onderwerp was van strafrechtelijk onderzoek, aldus [eiser] .

4.17.

Deze stelling kan niet worden gevolgd. Vooropgesteld is dat [het Springpaard] geen onderwerp was van de door [A] beklagprocedure (het was niet een van de zeven paarden) die tot de beschikking van de Hoge Raad heeft geleid. Aan die beschikking komt dan ook geen rechtstreekse betekenis toe. De Staat heeft er verder terecht op gewezen dat de rechtmatigheid van de inbeslagneming van [het Springpaard] en het voortduren ervan al aan de orde zijn geweest in de beklagprocedure ex artikel 552a Sv voor de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant en dat de rechtbank bij beschikking van 20 maart 2017 het beklag van [de VOF] en haar vennoten ongegrond heeft verklaard. Destijds stond voor de rechtbank niet buiten twijfel dat [de VOF] eigenaar was van [het Springpaard] (zie 2.15). Tegen dat oordeel is [eiser] niet opgekomen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er aan in de weg dat de rechtbank in de onderhavige procedure haar oordeel over de rechtmatigheid van de beslaglegging en het voortduren ervan in de plaats stelt van dat van de rechtbank in de beklagprocedure van toen. Bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank gaat dan ook uit van de rechtmatigheid van de beslaglegging.

4.18.

Verder kan niet worden geoordeeld, anders dan [eiser] heeft aangevoerd, dat de zekerheid die [eiser] heeft betaald, vanwege het ontbreken van een geldige rechtsgrond, ‘overbodig en onverschuldigd’ is geweest. Het beslag is immers rechtmatig geoordeeld en de daarop volgende zekerheidstelling – gegrond op artikel 118a Sv – bouwde daar op voort.

Misbruik van recht

4.19.

Volgens de Staat staat de rechtmatigheid van het beslag en van de zekerheidstelling er nu aan in de weg te oordelen dat de Staat, door de betaalde zekerheid niet terug te betalen, misbruik maakt van recht, zoals [eiser] heeft betoogd. De Staat heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het ‘als uitgangspunt’ neemt, dat ook als [het Springpaard] eigendom van [eiser] is, de Staat het ter zekerheid betaalde bedrag niet zal terug betalen.

4.20.

Dat uitgangspunt is onhoudbaar. De rechtbank overweegt dat de Staat steeds heeft aangenomen dat [het Springpaard] eigendom was van [X] : op grond van die aanname werd onder [X] beslag op [het Springpaard] gelegd en bleef dat beslag gehandhaafd. Ook bij het aanvaarden van de zekerheid, ging de Staat ervan uit dat [het Springpaard] aan [X] toebehoorde. Die aanname is echter onjuist gebleken. In deze procedure is vast komen te staan dat niet [X] (of [A] ) eigenaar was van [het Springpaard] , maar [de VOF] , en later [eiser] zelf. Daarmee is ook vast komen te staan dat het beslag op [het Springpaard] en de teruggave van [het Springpaard] onder zekerheid stoelt op een onjuist gebleken aanname. De Staat kwam dan ook – achteraf bezien – de in artikel 118a Sv neergelegde bevoegdheid niet toe. Het gaat niet aan dat de Staat desalniettemin vasthoudt aan de zekerheidstelling en weigert de betaalde zekerheid terug te betalen aan [eiser] . Dat levert misbruik van recht op. De onder 3.2 weergegeven gevorderde verklaring van recht is dan ook in zoverre toewijsbaar.

4.21.

Dat [eiser] bij het betalen van de zekerheid geen afspraak heeft gemaakt over teruggave van de zekerheid, en dat [eiser] een mogelijke regresvordering op [X] heeft, maakt dit oordeel niet anders. Het is immers de Staat die er – ten onrechte, zoals nu is vastgesteld – van uit is gegaan dat [het Springpaard] aan [X] toebehoorde, zodat het ook aan de Staat is – en niet aan [eiser] – om het op die onjuiste aanname gebaseerde aanvaarden van de zekerheid ongedaan te maken.

4.22.

Gelet hierop wordt de Staat dan ook veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 35.000,-- dat tot zekerheid is betaald. Dat bedrag dient aan [eiser] te worden geretourneerd: hij is immers degene die de zekerheid heeft betaald. Het betoog van de Staat – voor zover dat is gehandhaafd – dat niet [eiser] maar [de VOF] de zekerheid heeft betaald en dat het vorderingsrecht op de Staat niet deugdelijk aan [eiser] is overgedragen, kan niet worden gevolgd, alleen al omdat de vennootschap per 31 december 2016 – dus ruim voor de betaling van de zekerheid – is ontbonden.

4.23.

De vordering van [eiser] tot veroordeling van de Staat tot betaling van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, nu deze kosten door de Staat zijn betwist en door [eiser] niet (nader) zijn onderbouwd.

4.24.

Tot slot wordt de Staat als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . De kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.713,50, bestaande uit € 81,-- aan kosten dagvaarding, € 895,-- aan griffierecht; en € 1.737,50,-- aan salaris advocaat (2,5 punten x € 695,-- (tarief III)), en vermeerderd met de wettelijke rente.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat het paard [het Springpaard] ten tijde van de beslaglegging door de Staat, eigendom was van de vennootschap onder firma [de VOF] en later door de bedrijfsovername eigendom is geworden en gebleven van [eiser] handelend onder de naam [de Eenmanszaak] , en nimmer eigendom is geweest van [X] B.V.;

5.2.

verklaart voor recht dat de Staat misbruik maakt van zijn recht door het niet terugbetalen van de € 35.000,--, welke tot zekerheid is voldaan door [eiser] handelend onder de naam [de Eenmanszaak] , nadat is gebleken dat [de VOF] eigenaar was van [het Springpaard] ten tijde van de beslaglegging en de zekerheidstelling;

5.3.

veroordeelt de Staat tot betaling van € 35.000,--, welke tot zekerheid is voldaan, aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt de Staat in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.713,50,-- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van hetgeen is opgenomen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.1

1 type: coll: