Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9579

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
C/09/564489 / HA ZA 18-1224
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft bank zorgplicht jegens derden geschonden? Niet voldaan aan condicio sine qua non vereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/564489 / HA ZA 18-1224

Vonnis van 11 september 2019

in de zaak van

MARK LOEF, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [B.V. I], te Hengelo,

eiser,

advocaat mr. J.S. Staijen te Deventer,

tegen

AEGON BANK N.V., tevens handelend onder de naam Knab, te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. F.M.A. 't Hart te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator en Knab worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 november 2018, met producties 1 tot en met 14;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5;

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2019, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 juni 2019, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. De curator heeft de rechtbank bericht het proces-verbaal bij eerste verzending niet ontvangen te hebben. De rechtbank heeft het proces-verbaal opnieuw verstuurd en aan de curator een nieuwe termijn gegeven om alsnog op het proces-verbaal te reageren. Knab heeft bij brief van 17 juli 2009 van de gelegenheid om te mogen reageren gebruik gemaakt. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 8 maart 2017 is [B.V. I] (hierna [B.V. I]) in staat van faillissement verklaard. De curator is bij beschikking van 13 april 2017 tot curator benoemd.

2.2.

[B.V. I] dreef een beleggingsonderneming onder de naam [X]. Zij heeft door middel van telefonische verkoop obligaties uitgegeven en ongeveer € 2.600.000 aan gelden aangetrokken. De drijvende kracht achter de verkoop van de obligaties was de heer [A] (hierna [A]). [A] was geen statutair directeur van [B.V. I].

2.3.

Op de faillissementsdatum van [B.V. I] was van de ingelegde gelden een bedrag van € 1.800.000 verdwenen. Het bedrag is overgeboekt naar bankrekeningen van derden, die het bedrag vervolgens weer hebben overgeboekt naar weer andere rechtspersonen en door contante opnames. [A] en diverse andere verdachten worden strafrechtelijk vervolgd op verdenking van oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen.

2.4.

[B.V. II] (hierna [B.V. II]) was een mediabedrijf in Den Haag. [B.V. II] is opgericht op 5 augustus 2014. [B.V. II] maakte onderdeel uit van een groep van vennootschappen. [A] was vanaf de oprichting (indirect) bestuurder van [B.V. II].

2.5.

[B.V. II] heeft op 1 oktober 2015 een rekening geopend bij Knab met rekeningnummer [rekeningnummer] (hierna de Knab-rekening).

2.6.

Op 2 oktober 2015 is [B.V. II] uitgeschreven uit het handelsregister omdat zij was ontbonden zonder vereffening vanwege een gebrek aan baten. Op 20 oktober 2015 heeft de rechtbank Den Haag [B.V. II] failliet verklaard. De curator in dit faillissement van [B.V. II] heeft niet bemerkt dat [B.V. II] de Knab-rekening aanhield. De curator heeft het faillissement niet bij Knab gemeld. In één van de faillissementsverslagen in dit faillissement heeft de curator geschreven dat [A] had verteld dat [B.V. II] geen bankrekening had.

2.7.

Het faillissement van [B.V. II] is op 15 juli 2016 bij gebrek aan baten opgeheven. In de periode tussen 20 oktober 2015 tot de opheffing van het faillissement is door derden een bedrag van € 83.435,09 overgemaakt naar de Knab-rekening. Ongeveer hetzelfde bedrag is vanaf de Knab-rekening overgemaakt naar derden.

2.8.

Na de opheffing van het faillissement op 15 juli 2016 is gedurende de periode van 25 augustus 2016 tot 3 oktober 2016 een bedrag van € 600.000 van (een) door [B.V. I] bij ING aangehouden bankrekening(en) overgeboekt naar de Knab-rekening. Vrijwel direct na ontvangst op de Knab-rekening zijn de bedragen door geboekt naar derden.

2.9.

Op 4 oktober 2016 heeft ING Knab getipt dat zij, ING, op de zakelijke rekening van [B.V. I] ongebruikelijke transacties heeft gedetecteerd. Naar aanleiding hiervan heeft Knab de Knab-rekening geblokkeerd. “In plaats van te verwachten investeringen ziet ING dat de uit obligaties ontvangen gelden worden doorgeboekt naar andere rekeningen, waaronder de Knab-rekening van [B.V. II]”, zo heeft Knab vermeld in de aangifte die zij op 5 december 2016 heeft gedaan jegens [A].

In deze aangifte heeft Knab nog het volgende vermeld:

Verder meldt ING dat [B.V. II] volgens hun informatie een bedrijf is dat failliet is verklaard.

2.10.

Op verzoek van de curator – in het faillissement van [B.V. I] – is [B.V. II] op 5 september 2017 opnieuw failliet verklaard. De curator heeft een vordering van € 616.550,68 inclusief wettelijke rente en kosten in het tweede faillissement van [B.V. II] ingediend. In het verslag van dit tweede faillissement heeft de curator in het tweede faillissement van [B.V. II] (hierna de tweede curator van [B.V. II]) onder meer het volgende opgenomen:

Na beëindiging van het faillissement bleek nog sprake te zijn van activa, zodat de vennootschap niet werd geacht te zijn opgehouden te bestaan. Op verzoek van een schuldeisers is wederom het faillissement van [B.V. II] uitgesproken.

Voor het eerste faillissement zou [B.V. II] hebben gefungeerd als kostenvennootschap voor moedervennootschap [B.V. III] De samenwerking [B.V. II] en [B.V. III] pretendeerde een media-/marketing onderneming te exploiteren.

Voor zover de curator bekend exploiteerde [B.V. II] na opheffing van het eerste faillissement geen activiteiten meer. [B.V. II] hield alleen een bankrekening aan, waarop gelden werden ontvangen die mogelijk door middel van fraude werden verkregen.

2.11.

De tweede curator van [B.V. II] heeft met Knab een schikking getroffen op basis waarvan Knab een bedrag van € 83.435,09 aan de boedel van [B.V. II] heeft betaald.

2.12.

De rechtbank Overijssel heeft [A] op 19 december 2017 failliet verklaard. De curator heeft een vordering in dit faillissement ingediend.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair de verklaring voor recht dat Knab onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [B.V. I] en jegens de gezamenlijke schuldeisers van [B.V. I] aansprakelijk is;

II. subsidiair de verklaring voor recht dat Knab onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B.V. I] en jegens haar aansprakelijk is;

III. primair en subsidiair de veroordeling van Knab om aan de curator een bedrag te betalen van € 530.000 althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, bij wijze van voorschot op de betaling waartoe Knab op grond van het vorenstaande zal zijn gehouden;

IV. de veroordeling van Knab in de kosten van deze procedure.

3.2.

De curator legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [B.V. I] dreef een beleggingsonderneming waaraan door een aantal personen op frauduleuze wijze vermogen is onttrokken. Hierdoor zijn ongeveer 130 crediteuren benadeeld. Deze onttrekkingen hebben onder meer plaatsgevonden door onverschuldigde overboekingen van een bedrag van € 600.000 in de periode van augustus 2016 tot en met 3 oktober 2016 van een bankrekening van [B.V. I] naar de Knab-rekening.

Ondanks het faillissement in oktober 2015 en de liquidatie in juli 2016 van [B.V. II] is de Knab-bankrekening beschikbaar gebleven voor inkomend en uitgaand betalingsverkeer. Knab heeft de toestand van haar klant [B.V. II] nooit opgemerkt, terwijl zij dat eenvoudig had kunnen en moeten waarnemen.

Als gevolg hiervan kon [B.V. II] de van [B.V. I] ontvangen bedragen van in totaal € 600.000 aan derden betalen, waardoor dit bedrag niet meer beschikbaar is voor verhaal door [B.V. I] dan wel de schuldeisers van [B.V. I].

Deze betalingen van [B.V. II] waren frauduleuze uitgaande transacties via de Knab-rekening. Als Knab de toestand(en) van [B.V. II] tijdig had opgemerkt, had zij de onttrekkingen aan de bankrekening van [B.V. II] op zeer eenvoudige wijze kunnen voorkomen. De curator verwijt Knab dan ook dat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgvuldigheidsverplichtingen jegens (de gezamenlijke schuldeisers van) [B.V. I], waardoor zij zich verwijtbaar instrumenteel heeft gemaakt aan de (fraudeleuze) onttrekkingen.

3.3.

Knab voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de jurisprudentie is algemeen aanvaard dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht meebrengt ten opzichte van derden met wier belangen de bank rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van deze zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval (vergelijk HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:CZ2536).

4.2.

Het standpunt van de curator, zoals ook nader door hem toegelicht tijdens de comparitie van partijen, komt erop neer dat Knab had moeten weten van het faillissement in oktober 2015 dan wel van de ontbinding na het faillissement in juli 2016. Zij had vervolgens moeten controleren of daarna bevoegdelijk over de Knab-rekening werd beschikt. Zij moest dat doen ter invulling van de zorgplicht die op haar rustte ten opzichte van (de schuldeisers van) [B.V. I] die anders benadeeld kon(den) worden door handelingen van iemand die onbevoegd over de Knab-rekening beschikte.

4.3.

Voor vestiging van aansprakelijkheid (en daarmee voor het ontstaan van een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade) is condicio sine qua non-verband nodig. Ontbreekt dit verband, anders gezegd: zou de schade, de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid is gebaseerd, weggedacht, toch zijn ontstaan, dan is er geen aansprakelijkheid. Voor het afwijzen van een condicio sine qua non-verband is niet vereist dat 100% zekerheid bestaat dat de schade niet zou zijn ontstaan bij het wegdenken van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ volstaat (zie ook ECLI:NL:PHR:2019;826).

blokkering bankrekening

4.4.

De curator heeft nadrukkelijk gesteld dat, op het moment dat Knab op de hoogte was geweest van het faillissement in oktober 2015, de Knab-rekening was opgeheven. Eén telefoontje in oktober 2015 was, aldus de curator, genoeg geweest om alle schade te voorkomen. Ook heeft hij heel nadrukkelijk gesteld dat, op het moment dat Knab de opheffing van het faillissement had ontdekt, zij de Knab-rekening had moeten blokkeren en had geblokkeerd.

4.5.

De curator heeft niet aannemelijk kunnen maken dat, ook al had Knab bij het uitspreken of opheffen van het faillissement de Knab-rekening opgeheven of geblokkeerd, daarmee de schade bij de schuldeisers van [B.V. I] dan wel bij [B.V. I] zelf was voorkomen. Gelet op de stellingen die de curator heeft ingenomen, is de conclusie gerechtvaardigd dat [B.V. I] de personen die gelden hebben betaald aan [B.V. I] om te beleggen in windenergie, heeft willen oplichten. Het was niet de bedoeling om de gelden te beleggen, maar om de gelden zelf voor iets anders te gebruiken. Zonder nadere toelichting, die de curator niet heeft gegeven, is niet waarschijnlijk dat [B.V. I] geen andere wegen had gevonden om de ontvangen gelden in augustus tot en met oktober 2016 naar derden weg te sluizen als de Knab-rekening niet meer beschikbaar was geweest. In de dagvaarding heeft de curator met zoveel woorden geschreven dat gelden ook naar andere bankrekeningen dan de Knab-rekening zijn overgemaakt en van daar zijn door geboekt.

De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat blokkering van de Knab-rekening in oktober 2015 dan wel in juli 2016 ertoe had geleid dat [B.V. I] de gelden in augustus, september en oktober 2016 op een andere manier buiten bereik van haar schuldeisers had weggesluisd. Dat [B.V. I] in dat geval de gelden naar de bankrekening van een andere niet meer bestaande vennootschap had overgemaakt, zoals de curator stelt, heeft hij op geen enkele wijze toegelicht en is zonder deze nadere toelichting ook niet waarschijnlijk. Hieruit volgt dat een condicio sine qua non-verband tussen het gestelde onrechtmatige handelen en de door (de schuldeisers van) [B.V. I] geleden schade ontbreekt.

4.6.

Dit betekent dat de rechtbank niet meer hoeft te onderzoeken of de curator in de onderhavige situatie aan Knab kan verwijten dat zij geen koppeling met het handelsregister heeft gehad. Evenmin hoeft zij te onderzoeken of, zelfs al had Knab die koppeling in juli 2016 gehad, dit automatisch ertoe had geleid dat Knab, naar aanleiding van door haar verricht onderzoek, de Knab-rekening had moeten blokkeren.

conclusie

4.7.

Gelet op dit een en ander is de conclusie gerechtvaardigd dat de vorderingen van de curator dienen te worden afgewezen.

4.8.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Knab worden begroot op griffierecht van € 3.946 en kosten advocaat van € 6.198 (twee punten à € 3.099), totaal € 10.144.

4.9.

Voor afzonderlijke veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Knab tot op heden begroot op € 10.144 en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.1

1 type: 1958