Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9554

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
AWB 19/1913 en 19/2338, 19/1914 en 19/1915
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Interim measure CAT, recht op opvang?

Eiser heeft een klacht ingediend bij het Comittee against Torture van de United Nations Office of the High Commissioner for Human Rights (CAT), waarna het CAT een interim measure heeft uitgevaardigd inhoudende dat eiser niet mag worden uitgezet gedurende de behandeling van zijn klacht. Eiser heeft vervolgens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) verzocht om aan hem opvang te verlenen. Beiden hebben dit verzoek afgewezen. Het beroep richt zich tegen de afwijzing van het verzoek om opvang door de staatssecretaris. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eisers beroep op het rechtstreeks van toepassing zijn van het arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2018 inzake Gnandi (ECLI:EU:C:2018:465, C-181/16) in dit geval niet slaagt. Uit het arrest volgt dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming en de bescherming tegen het beginsel van refoulement op het gebied van terugkeerbesluiten, moet worden verzekerd door een recht toe te kennen op een doeltreffende beroep met van rechtswege schorsende werking bij ten minste één rechterlijke instantie. Eiser heeft deze doeltreffende voorziening in rechte tegen de afwijzing van zijn asielverzoek bij de rechter in eerste aanleg al gehad in de vier door hem gevoerde asielprocedures. Thans staat voor eiser geen rechtsmiddel meer open in de zin van hoofdstuk V van de Procedurerichtlijn. De procedure bij het CAT wordt immers niet in hoofdstuk V, meer specifiek artikel 46, van de Procedurerichtlijn genoemd. De rechtbank stelt echter vervolgens vast dat verweerder in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit expliciet heeft aangegeven of sprake is van opschorting van het terugkeerbesluit, zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn of van een uitstel van verwijdering, zoals bedoeld in artikel 9 Terugkeerrichtlijn. Verweerder stelt immers in het primaire besluit enkel dat: “wordt afgezien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit”. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zijn standpunt, zoals voor het eerst ingenomen ter zitting, dat sprake is van uitstel van verwijdering als bedoeld in artikel 9, tweede lid, Terugkeerrichtlijn en niet van opschorting zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, Terugkeer richtlijn, onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook heeft verweerder niet toegelicht waarom in dit geval geen sprake kan zijn van een uitstel van verwijdering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, Terugkeerrichtlijn vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement. Een verzoek van het CAT om niet uit te zetten gedurende de behandeling van een bij het CAT ingediende klacht betreft immers het beginsel van non-refoulement. Aangezien niet duidelijk is op welke juridische grondslag het primaire besluit en bestreden besluit is gebaseerd, terwijl dit een essentieel onderdeel van het besluit betreft en verweerders ter zitting ingenomen standpunten onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd, is het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/1913 en 19/2338 (beroepen)

AWB 19/1914 en 19/1915 (voorlopige voorzieningen)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 4 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Srilankaanse nationaliteit,

eiser/ verzoeker,

hierna te noemen: eiser,

(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe, advocaat te Alkmaar)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder 1,

en

het Centraal orgaan opvang asielzoekers (Coa)

verweerder 2,

(gemachtigden: mr. T.L. Schuitemaker en mr. C.H.R. Vink, beiden werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst)

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder 1 het verzoek van eiser om hem opvang te verlenen gedurende zijn klachtprocedure bij het Comittee against Torture van de United Nations Office of the High Commissioner for Human Rights (CAT) afgewezen.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 19/1915). Hij verzoekt de voorzieningenrechter om de uit het primaire besluit voortvloeiende rechtsgevolgen op te schorten hangende bezwaar.

Bij besluit van 25 maart 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder 1 het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld (AWB 19/2338). Het petitum van de reeds verzochte voorlopige voorziening, is hangende dit beroep gewijzigd in het verlenen van opvang totdat uitspraak is gedaan op het beroep.

Verweerder 1 heeft op 29 maart 2019 een verweerschrift ingediend in AWB 19/1915 en op 3 april 2019 een verweerschrift ingediend in AWB 19/2338.

Bij besluit van 12 maart 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder 2 het verzoek van eiser om aan hem opvang te verlenen afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld (AWB 19/1913). Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 19/1914). Hij verzoekt de uit het bestreden besluit 2 voortvloeiende rechtsgevolgen op te schorten hangende het beroep.

Verweerder 2 heeft op 29 maart 2019 een verweerschrift ingediend inzake 19/1913 en 19/1914.

Het onderzoek ter zitting in alle zaken heeft plaatsgevonden op 5 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. T.L. Schuitemaker.

De rechtbank heeft verweerders vervolgens in de zaken AWB 19/2338 en 19/1915 in de gelegenheid gesteld om een schriftelijk standpunt in te nemen over de op 4 april 2019 ontvangen aanvullende gronden van beroep. Verweerders hebben op 8 april 2019 hierop gereageerd.

Op 8 mei 2019 heeft de rechtbank de behandeling van de beroepen en de voorlopige voorzieningen verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting is in alle zaken voortgezet op 27 juni 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. C.H.R. Vink.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.
Eiser heeft verschillende nationale procedures in Nederland doorlopen ter verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij uitspraak van 28 april 2011 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:RBSGR:2011:32392) is het beroep tegen de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag bij besluit van 7 april 2011, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:4723).
Bij de uitspraak van 19 augustus 2014 van deze rechtbank en zittingsplaats, is zijn beroep tegen de afwijzing van de tweede asielaanvraag eveneens ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBNHO:2014:7821).
Bij uitspraak van 18 december 2015 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:NL:RBNHO:2015:11212) is het beroep tegen de afwijzing van zijn derde asielaanvraag ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 juni 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2017:4914) is het beroep tegen de afwijzing van zijn vierde asielaanvraag gegrond verklaard. De Afdeling heeft vervolgens deze uitspraak van de zittingsplaats Rotterdam vernietigd bij uitspraak van 7 november 2017 (kenmerk: 201705397/1).

Eiser heeft op 2 november 2018 een klacht ingediend bij het CAT (no. 896/2018). Op 13 november 2018 heeft het CAT eiser bericht dat zijn klacht in behandeling is genomen en dat verweerder 1 is verzocht om eiser niet uit te zetten naar Sri Lanka gedurende zijn procedure bij het CAT.

2. Verweerder 1 heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Eiser kan geen rechten ontlenen aan de klachtprocedure bij het CAT. Het CAT is immers geen rechterlijke instantie en een verzoek van het CAT om eiser niet uit te zetten is, anders dan bij een door de nationale rechter getroffen voorlopige voorziening, enkel een verzoek. Nederland zal in de regel daaraan tegemoet komen, maar is daaraan niet gehouden en kan zelf de reikwijdte bepalen van de rechten die de vreemdeling aan een zodanige honorering van dit verzoek kan ontlenen. In het arrest inzake Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465, C-181/16) wordt uitleg gegeven aan de bepalingen van de Procedurerichtlijn (richtlijn 2013/32) en de Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115) en met name de rechtspositie van een vreemdeling hangende een beroep overeenkomstig hoofdstuk V van de Procedurerichtlijn. Een procedure bij het CAT valt buiten dit bestek. Ook volgt uit het arrest van het Hof inzake X en Y (ECLI:EU:C:2018:775) dat lidstaten slechts verplicht zijn te voorzien in een recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen besluiten tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming en tegen terugkeerbesluiten in tenminste één (rechterlijke) instantie. Dit rechtsmiddel in eerste aanleg heeft eiser reeds gehad. Verweerder mag dan ook naar aanleiding van het verzoek van het CAT volstaan met het enkel afzien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit.

2.1

Verweerder 2 heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. In paragraaf C2/11 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat een verzoek om opschorting van de uitzetting van het CAT geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, onder h, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) doet ontstaan. Het CAT is geen rechterlijke instantie en een verzoek om niet over te gaan tot uitzetting, kan niet worden gelijkgesteld met een door een rechterlijke instantie getroffen voorlopige voorziening. Voor zover Nederland besluit aan het verzoek gehoor te geven, is slechts sprake van een tijdelijk afzien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit en niet van schorsing van alle daarmee verbonden rechtsgevolgen. Met betrekking tot de medische klachten van eiser is verweerder 2 van oordeel dat eiser een verzoek om toepassing van artikel 64 Vw kan doen. Voor zover met de medische situatie een beroep op bijzondere omstandigheden wordt gedaan, stelt verweerder 2 dat geen sprake is van een acute medische noodsituatie zodat niet sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat opvang aan eiser dient te worden verleend.
3. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat de beroepsgronden alleen betrekking hebben op het beroep in AWB 19/2338 tegen de beslissing van verweerder 1 om aan eiser geen opvang te verlenen. De rechtbank zal daarom dit beroep tegen het bestreden besluit 1 als eerste beoordelen.

4. Eiser voert (samengevat) aan dat verweerder 1 ten onrechte stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor opvang. Dat eiser wel voor opvang in aanmerking komt volgt uit het arrest Gnandi, waarin ook algemene overwegingen van het Hof staan over de opschorting van de terugkeer en over de Terugkeerrichtlijn. Niet in geschil is dat het CAT geen rechterlijke instantie is. Uit het arrest Gnandi volgt echter dat het irrelevant is of sprake is van een beslissing van een rechterlijke instantie, die maakt dat een derdelander niet wordt uitgezet. Volgens het Hof is de Terugkeerrichtlijn van toepassing. Het besluit van verweerder 1 om eiser niet uit Nederland te verwijderen gedurende de behandeling van zijn klacht is een beslissing om tijdelijk af te zien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit. Dit is een situatie als bedoeld in rechtsoverweging 62 van het arrest Gnandi waar het Hof overweegt dat het niet volstaat dat een lidstaat slechts afziet van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit. Het is noodzakelijk om alle rechtsgevolgen van dit besluit op te schorten en dus in het bijzonder dat de termijn voor vrijwillig vertrek niet ingaat, zolang de derdelander in de lidstaat mag blijven. De stelling van verweerder 1 dat hij zelf kan bepalen wat de reikwijdte is van de rechten die de vreemdeling aan de honorering van het verzoek van het CAT kan ontlenen, is dus onjuist. Daarnaast heeft het Hof in Gnandi geoordeeld dat de termijn voor vrijwillig vertrek niet ingaat zolang een derdelander in een lidstaat mag verblijven, doordat afgezien wordt van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit. In het arrest Ouhrami van 26 juli 2017 (ECLI:EU:C:2017:590) heeft het Hof voorts geoordeeld dat het Unierecht eenvormig moet worden toegepast. Dit betekent dat ook wanneer het terugkeerbesluit niet ten uitvoer wordt gelegd als gevolg van een verzoek van het CAT, de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit opgeschort dienen te worden. Voorts is het niet relevant of eiser een beroepsprocedure heeft lopen als bedoeld in hoofdstuk V Procedurerichtlijn. Relevant is hoe het Hof in het arrest Gnandi gevolg heeft gegeven aan de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn, namelijk dat het noodzakelijk is dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort en niet slechts wordt afgezien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit. Ten slotte stelt eiser dat zijn positie gelijk is te stellen met de positie van een asielzoeker die in een lidstaat internationale bescherming vraagt, zoals gedefinieerd in de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn. Immers, indien het CAT beslist dat eisers uitzetting strijd oplevert met artikel 3 Anti-Folterverdrag zal verweerder hem, na een daartoe ingediend verzoek volgens het bestaande beleid, in het bezit stellen van een asielstatus.

4.1

Verweerder 1 heeft zich in het verweerschrift van 29 maart 2019 op het volgende standpunt gesteld. In de gronden wordt aangevoerd dat niet in geschil is dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend. Verweerder volgt deze stelling niet. Verweerder wenst te benadrukken dat in het primaire besluit 1 enkel aan eiser is medegedeeld dat hij, naar aanleiding van het verzoek van het CAT aan Nederland, niet zal worden uitgezet gedurende de behandeling van de door hem ingediende klacht bij het CAT. Anders dan eiser, is verweerder 1 van oordeel dat uit punt 62 van het arrest Gnandi niet kan worden afgeleid dat in een situatie als de onderhavige alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit dienen te worden opgeschort. Het CAT is immers geen rechterlijke instantie en er is geen sprake van een door een rechterlijke instantie getroffen voorlopige voorzienig. Eiser kan daarom geen rechtmatig verblijf ontlenen aan artikel 8, aanhef en onder h, Vw. Het verzoek van het CAT is voorts niet bindend. Deze procedure valt ook buiten het bestek van hoofdstuk V van de Procedurerichtlijn. Bovendien volgt uit het arrest X en Y dat lidstaten slechts verplicht zijn te voorzien in een recht op een doeltreffende middel in één rechterlijke instantie. Dit rechtsmiddel in eerste aanleg heeft eiser al gehad. Hij kan daarom aan eerder genoemde richtlijn alsmede het arrest Gnandi geen recht ontlenen om op grond van de klachtprocedure bij het CAT te worden behandeld als ware sprake van een rechterlijke procedure in eerste aanleg.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling

4.2

In rechtsoverweging 59 en volgende van het arrest Gnandi is het volgende door het Hof overwogen.
“59 Gelet op al deze overwegingen moet de conclusie luiden dat de derdelander, behoudens wanneer aan hem een verblijfsrecht of een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 is verleend, illegaal in de zin van richtlijn 2008/115 verblijft zodra zijn verzoek om internationale bescherming in eerste aanleg door de beslissingsautoriteit is afgewezen, en dit ongeacht het feit dat toestemming is verleend om in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel tegen deze afwijzing te blijven. Bijgevolg kan meteen na deze afwijzing, of tezamen daarmee in één administratieve handeling, tegen een dergelijke derdelander in beginsel een terugkeerbesluit worden vastgesteld.
(…)
61 In die context staat het aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat het rechtsmiddel tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming ten volle doeltreffend is, met inachtneming van het beginsel van processuele gelijkheid, dat onder meer vereist dat alle gevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst gedurende de termijn voor instelling van dit rechtsmiddel en, indien een dergelijk rechtsmiddel wordt ingesteld, tot aan de beslissing daarop.
62 In dat verband volstaat het niet dat de lidstaat in kwestie afziet van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit. Het is juist noodzakelijk dat alle rechtsgevolgen van dit besluit worden geschorst en dus in het bijzonder dat de termijn voor vrijwillig vertrek waarin artikel 7 van richtlijn 2008/115 voorziet, niet ingaat zolang de betrokkene mag blijven. Gedurende deze periode mag de betrokkene bovendien niet op grond van artikel 15 van deze richtlijn in bewaring worden gesteld met het oog op zijn verwijdering.
63 In afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel tegen de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming in eerste aanleg door de beslissingsautoriteit, moet de betrokkene daarnaast in beginsel het voordeel kunnen genieten van de rechten die voortvloeien uit richtlijn 2003/9. In artikel 3, lid 1, van deze richtlijn is immers niet als voorwaarde voor de toepassing daarvan bepaald dat toestemming moet zijn gegeven om als verzoeker op het grondgebied te verblijven, zodat een dergelijke toepassing niet is uitgesloten in het geval dat de betrokkene, die mag blijven, illegaal verblijft in de zin van richtlijn 2008/115. In dat verband vloeit uit artikel 2, onder c), van richtlijn 2003/9 voort dat de betrokkene zijn status van persoon die om internationale bescherming verzoekt in de zin van deze richtlijn behoudt zolang niet definitief op zijn verzoek is beslist (zie in die zin arrest van 27 september 2012, Cimade en GISTI, C‑179/11, EU:C:2012:594, punt 53).”

4.3

De rechtbank is met verweerder 1 van oordeel dat eisers beroep op het rechtsreeks van toepassing zijn van het arrest Gnandi in dit geval, niet slaagt. Uit voornoemde overwegingen van het Hof volgt dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming en de bescherming tegen het beginsel van refoulement op het gebied van terugkeerbesluiten, moet worden verzekerd door een recht toe te kennen op een doeltreffende beroep met van rechtswege schorsende werking bij ten minste één rechterlijke instantie. Eiser heeft deze doeltreffende voorziening in rechte tegen de afwijzing van zijn asielverzoek bij de rechter in eerste aanleg al gehad in de vier door hem gevoerde asielprocedures. Thans staat voor eiser geen rechtsmiddel meer open in de zin van hoofdstuk V van de Procedurerichtlijn. De procedure bij het CAT wordt immers niet in hoofdstuk V, meer specifiek artikel 46, van de Procedurerichtlijn genoemd.

5. Eiser voert voorts (samengevat en zoals nader toegelicht ter zitting) aan dat in het primaire besluit van 14 februari 2019 door verweerder 1 wordt gesteld: “dat tijdelijk wordt afgezien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit”. Onduidelijk is of hiermee sprake is van terugkeerbesluit dat wordt opgeschort zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn of dat sprake is van een uitstel van de verwijdering als bedoeld in artikel 9 Terugkeerrichtlijn.
Eiser stelt primair dat sprake is van toepassing van artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn. Die bepaling is, blijkens de richtsnoeren van het Terugkeerhandboek, een vangnetbepaling. Lidstaten kunnen, wanneer zich schrijnende gevallen of humanitaire of andere redenen voordoen, beslissen een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval heeft eiser legaal verblijf, waarbij ook de bijbehorende voorzieningen zoals opvang horen.
Voor zover verweerder betoogt dat artikel 9, eerste lid, onder a, Terugkeerrichtlijn in dit geval is toegepast, stelt eiser zich op het volgende standpunt. In het Terugkeerhandboek staat dat een repatriant gedurende de uitgestelde verwijdering alleen recht heeft op een aantal basis waarborgen en hij niet als legaal in een lidstaat verblijvend wordt beschouwd. Hieruit volgt dat eiser in dat geval niet legaal in Nederland verblijf heeft en geen recht heeft op de daarbij horende voorzieningen. Echter in het Terugkeerhandboek staat dat in artikel 14 Terugkeerrichtlijn is bepaald dat gedurende de uitstel van verwijdering op grond van artikel 9 Terugkeerrichtlijn door de lidstaat rekening wordt gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen. Eiser is een kwetsbaar persoon. Eiser lijdt immers aan PTSS als gevolg van foltering en/of andere vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, waarvoor hij onder behandeling staat. Voorts is ook sprake van depressieve en paranoïde symptomen. Verwezen wordt naar een brief van de psycholoog van eiser, L. Kuhlmann en psychiater N. van der Laan van 14 januari 2019 en het in de vierde asielprocedure overgelegde rapport van 18 april 2017. Eiser heeft steeds aangegeven dat hij opvang nodig heeft in verband met zijn behandeling voor PTSS. Ten onrechte stelt verweerder dat eiser bij medische problemen een aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw kan indienen. Als verweerder vervolgens uitstel van vertrek verleent op grond van artikel 64 V dient eiser namelijk zijn klacht bij het CAT in te trekken

5.1

Verweerder heeft zich op de zitting van 27 juni 2019 op het standpunt gesteld dat in het primaire - en het bestreden besluit toepassing is gegeven aan artikel 9, tweede lid, Terugkeerrichtlijn te weten, uitstel van verwijdering voor een passende termijn. Verweerder is niet gehouden opvang te verlenen aan eiser, omdat bij toepassing van deze bepaling geen sprake is van legaal verblijf. Indien eiser van mening is dat hij toch in verband met zijn medische omstandigheden opvang nodig heeft, kan hij een verzoek doen op grond van artikel 64 Vw. Hiermee komt verweerder tegemoet aan het bepaalde in artikel 14 Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling

5.2.

Artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn bepaalt:
“De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. Om dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.”
5.2.1 Artikel 9 Terugkeerrichtlijn bepaalt:
“1. De lidstaten stellen de verwijdering uit:
a) in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of
b) voor de duur van de overeenkomstig artikel 13, lid 2, toegestane opschorting.
2. De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met namerekening gehouden met:
a) de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land;
b) technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de verwijdering wegens onvoldoende identificatie.
3. Indien de verwijdering overeenkomstig de leden 1 en 2 wordt uitgesteld, kunnen de betrokken onderdaan van een derde land de verplichtingen waarin artikel 7, lid 3, voorziet, worden opgelegd.”

5.2.2

Artikel 14 Terugkeerrichtlijn bepaalt:
“Behoudens het bepaalde in de artikelen 16 en 17, zorgen de lidstaten ervoor dat jegens de onderdanen van derde landen, tijdens de termijn die overeenkomstig artikel 7 voor vrijwillig vertrek is toegestaan, en tijdens de termijn waarvoor overeenkomstig artikel 9 de verwijdering is uitgesteld, zoveel mogelijk de volgende beginselen in acht worden genomen:
a) indien gezinsleden op het grondgebied aanwezig zijn, wordt de eenheid van het gezin gehandhaafd;
b) dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd;
c) minderjarigen krijgen toegang tot het basisonderwijs, afhankelijk van de duur van hun verblijf;
d) er wordt rekening gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.”

5.2.3

In verweerders beleid vervat in C2/11 Vc is het volgende opgenomen:
“Mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties (waaronder CAT)
Een verzoek om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties zijn, evenals de uiteindelijke zienswijze, niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt in beginsel voldaan, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om niet te voldoen aan een dergelijk verzoek, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeken om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties die door de Nederlandse staat worden gehonoreerd, doen geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h, Vw ontstaan. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn ontvangt de rechtsbijstandverlener van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet. (…)”

5.3

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in het primaire besluit 1, noch in het bestreden besluit 1 expliciet heeft aangegeven of sprake is van opschorting van het terugkeerbesluit, zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn of van een uitstel van verwijdering, zoals bedoeld in artikel 9 Terugkeerrichtlijn. Verweerder stelt immers in het primaire besluit 1 enkel dat: “wordt afgezien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit”.

5.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zijn standpunt, zoals voor het eerst ingenomen ter zitting, dat sprake is van uitstel van verwijdering als bedoeld in artikel 9, tweede lid, Terugkeerrichtlijn onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit standpunt lijkt enerzijds te worden bevestigd door de verwijzing in verweerders beleid vervat in C2/11 Vc naar artikel 14 Terugkeerrichtlijn, waarin artikel 9 Terugkeerrichtlijn wordt genoemd. Anderzijds heeft verweerder echter niet nader toegelicht waarom een uitstel van verwijdering gedurende een termijn van vijf jaar, te weten de gemiddelde duur van een behandeling van een klacht door het CAT, nog aan te merken is als “een passende termijn”, zoals genoemd in artikel 9, tweede lid, Terugkeerrichtlijn. Bovendien lijkt artikel 9, tweede lid, Terugkeerrichtlijn eerder te zien op situaties waarbij een derdelander tijdelijk niet kan vertrekken vanwege medische omstandigheden of technische redenen. Beiden zijn hier echter niet aan de orde. Voorts heeft verweerder niet toegelicht waarom in dit geval geen sprake kan zijn van een uitstel van verwijdering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, Terugkeerrichtlijn vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement. Een verzoek van het CAT om niet uit te zetten gedurende de behandeling van een bij het CAT ingediende klacht betreft immers het beginsel van non-refoulement. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook zijn stelling dat met de mogelijkheid voor eiser om uitstel van vertrek aan te vragen zoals bedoeld in artikel 64 Vw is voldaan aan artikel 14 Terugkeerrichtlijn en de wensen van de Europese Commissie om humane en waardige levensomstandigheden te creëren, onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. Artikel 14 onder b, Terugkeerrichtlijn verwijst naar dringende medische zorg die wordt verstrekt. Artikel 14, onder d, Terugkeerrichtlijn bepaalt echter dat ook rekening wordt gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen. Eiser heeft gesteld kwetsbaar te zijn vanwege PTTS en depressieve klachten, waarvoor hij onder behandeling staat. Verweerder heeft dit laatste niet bestreden. Uit het primaire besluit 1, noch uit het bestreden besluit 1 blijkt echter hoe door verweerder rekening is gehouden met deze omstandigheden.

5.5

Het door verweerder op de zitting van 27 juni 2019 ingenomen standpunt dat geen sprake is van opschorting van het terugkeerbesluit zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn, omdat in dat geval door verweerder wordt afgezien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, terwijl aan eiser al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, ontbeert eveneens draagkracht. Immers, in artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn wordt expliciet het volgende aangegeven: “Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.” Er kan dus op grond van artikel 6, vierde lid, Terugkeerrichtlijn sprake zijn van opschorting van een reeds uitgevaardigd terugkeerbesluit, zodat verweerder met de ter zitting gegeven motivering onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval hiervan geen sprake is. De woorden in het primaire besluit dat “wordt afgezien van tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit’ kunnen ook duiden op opschorting van het terugkeerbesluit.

5.6

Gelet op het voorgaande is niet duidelijk op welke juridische grondslag het primaire besluit 1 en bestreden besluit 1 is gebaseerd, terwijl dit een essentieel onderdeel van het besluit betreft. Ook zijn verweerders standpunten, zoals hiervoor reeds is overwogen, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het bestreden besluit 1 is daarom in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond slaagt.

6. Indien verweerder in een nieuw te nemen besluit het standpunt inneemt dat sprake is van uitstel van verwijdering op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, Terugkeerrichtlijn, op grond van het beginsel non-refoulement, dan zal verweerder ook dienen te motiveren waarom eiser geen recht heeft op opvang. Daarbij dient verweerder te betrekken dat een derdelander die een asielverzoek heeft ingediend en stelt een reëel risico te lopen op refoulement in beginsel op grond van de Opvangrichtlijn wel opvang krijgt. In dat geval dient verweerder ook de lange duur van de procedure bij het CAT, te weten gemiddeld vijf jaar, te betrekken. Indien verweerder in een nieuw te nemen besluit het standpunt inneemt dat sprake is van uitstel van verwijdering op grond van artikel 9, eerste of tweede lid, Terugkeerrichtlijn zal verweerder voorts dienen te motiveren waarom aan eiser geen opvang wordt verleend, terwijl artikel 14, onder d, Terugkeerrichtlijn aangeeft dat bij uitstel van verwijdering zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.

7. De rechtbank zal het beroep inzake AWB 19/2338 gegrond verklaren.

8. De rechtbank zal het bestreden besluit 1 vernietigen en verweerder 1 opdragen een nieuw besluit te nemen.

9. De overige gronden van beroep behoeven daarom geen bespreking meer.

10. De rechtbank ziet voorts aanleiding om hangende het bezwaar tegen het primaire besluit 1 op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen. Door verweerder 1 is immers niet betwist dat eiser lijdt aan PTTS en dat hij momenteel dakloos is. Gelet daarop weegt het belang van eiser bij toewijzing van de voorlopige voorziening, te weten dat aan eiser opvang wordt verleend totdat is beslist op het bezwaarschrift, zwaarder dan het belang van verweerder 1 bij afwijzing van het verzoek.

11. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder 1 het betaalde griffierecht moet vergoeden.

12. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder 1 veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.280,- (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting en de nadere zitting, wegingsfactor 1).

13. Ten aanzien van het beroep AWB 19/1913 gericht tegen het bestreden besluit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat de ingediende beroepsgronden enkel gericht zijn tegen het bestreden besluit 1 en dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 pro forma is ingediend. Eiser heeft vervolgens niet aangegeven welk belang hij nog heeft bij een beoordeling van dit beroep tegen het bestreden besluit 2. De rechtbank zal dit beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Verzoeken om een voorlopige voorziening

15. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

16. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorzieningen strekken ertoe dat aan hem opvang wordt verleend totdat is beslist op de beroepen. Nu in de hoofdzaken wordt beslist, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de door verzoeker verzochte voorlopige voorzieningen op grond van artikel 8:81 Awb te treffen.

17. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder 1 het betaalde griffierecht in AWB 19/1915 moet vergoeden.

18. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder 1 veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt in AWB 19/1915. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 512,- (1 punt voor de voorlopige voorziening, wegingsfactor 1).

19. In de zaak AWB 19/1914 ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep AWB 19/2338 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1;

- draagt verweerder 1 op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder 1 op € 174,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder 1 in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.280,- te betalen;

- verklaart het beroep AWB 19/1913 niet-ontvankelijk;
- treft ambtshalve de voorlopige voorziening dat aan eiser opvang dient te worden verleend totdat door verweerder 1 is beslist op het bezwaarschrift.

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken AWB 19/1915 en AWB 19/1914 af;

- draagt verweerder 1 op € 174,- te betalen inzake AWB 19/1915 aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder 1 in de proceskosten inzake AWB 19/1915 en draagt verweerder 1 op € 512,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. L.M. Kos, en E.P.W. van de Ven, rechters, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.