Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:952

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
6752922 CV18-1223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Is sprake van tekortschieten in nakoming verbintenis? Eiser was gerechtigd overeenkomst partieel te ontbinden.

Rechtsgevolg: over en weer een verbintenis tot ongedaan making van de reeds ontvangen prestaties (art. 6:271 BW). De aard van de prestatie sluit uit dat zij ongedaan wordt gemaakt. Dus vergoeding werkelijke waarde vloer bij ontvangst in de plaats.

Overige gedeelte overeenkomst: sprake van tekortkoming? Eisende partij heeft niet geprotesteerd tegen levering ander soort tegels en derhalve ingestemd met wijziging overeenkomst. Geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats Gouda

PF

Zaaknummer 6752922/ CV EXPL 18-1223

VONNIS van de kantonrechter d.d. 24 januari 2019 in de zaak:

de stichting Stichting Sociëteit So What,

gevestigd te Gouda,

eisende partij,

gemachtigde: mr. drs. P. Eymaal,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vloerenbedrijf [gedaagde] B.V.,

gevestigd te Gouda,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. drs. G. de Hoog-Geurts.


Partijen worden aangeduid als “So What” en “ [gedaagde] ”.

1 Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding d.d. 14 maart 2018;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de in het geding gebrachte producties.

Op 30 augustus 2018 heeft er een comparitie van partijen plaatsgevonden waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Nadien zijn de volgende stukken in het geding gebracht:

  • -

    de akte zijdens So What;

  • -

    de akte zijdens [gedaagde] ;

  • -

    de brief van de gemachtigde van So What van 14 december 2018;

  • -

    de akte zijdens [gedaagde] .

2
2. Feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.
2.1 So What heeft in maart 2014 met [gedaagde] een overeenkomst gesloten om in een deel van het door haar gehuurde pand op een bestaande vloer pvc-tegels te leggen van 50x50 met ‘mes/groef thermisch gelast’.
2.2 Voor een totaaloppervlakte van 203 m2 heeft [gedaagde] hiervoor op 1 september 2014 een bedrag van € 14.973,75 aan So What in rekening gebracht. De desbetreffende factuur is door So What betaald.
2.3 Op 30 september 2014 heeft [gedaagde] aan So What een onderhoud- en garantieverklaring per e-mail toegezonden.
2.4 In het najaar van 2014 hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over de vloer en met name de omstandigheid dat de lasnaden tussen de tegels het begaven. [gedaagde] heeft vervolgens meerdere reparaties uitgevoerd.
2.5 So What heeft meerdere malen ingebrekestellingen aan [gedaagde] verzonden.
2.6 [gedaagde] heeft bij e-mail van 13 mei 2015 aan So What voorgesteld om over de vloer een zwarte polymeer en/of een transparante coating aan te brengen om de vloer waterdicht te maken. So What heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt.
2.7 Bij e-mail van 29 december 2015 heeft [gedaagde] opnieuw aangeboden de vloer te sealen.
2.8 So What heeft vervolgens een deskundige, te weten de heer M. Geesing van Hanselman expertise, ingeschakeld. Naar aanleiding van het rapport van 26 april 2016 van deze deskundige heeft So What bij brief van 7 juli 2016 de overeenkomst tussen partijen partieel ontbonden, voor zover de overeenkomst ziet op de vloer in de voorzaal waaronder een houten vloer is gelegen (oppervlakte 89,25 m2). [gedaagde] is gesommeerd om als gevolg van de ontbinding een bedrag van € 4.908,75 aan So What te betalen.
2.9 [gedaagde] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen en heeft het genoemde bedrag niet aan So What betaald. Zij heeft zich wederom op het standpunt gesteld dat een coating met succes kon worden aangebracht om de vloer waterdicht te krijgen.
2.10 Bij brief van 31 januari 2018 heeft (de gemachtigde van) So What [gedaagde] wederom gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 4.908,75, te vermeerderen met daarover verschuldigde btw, zijnde in totaal € 5.939,59. Voorts heeft zij in die brief de overeenkomst ook partieel ontbonden voor zover deze betrekking heeft op 10 m2 die direct grenst aan het gedeelte waaronder de houten vloer ligt en in verband daarmee betaling gevorderd van een bedrag van € 665,50 inclusief btw. Ten aanzien van het resterende deel van de gelegde vloer heeft So What de overeenkomst partieel ontbonden, omdat daar de tegels geen mes-groef verbinding hebben, maar een vlakke verbinding. Vanwege de inferieure kwaliteit stelt So What dat de tegels 15% minder waard zijn, zijnde € 1.035,68. So What heeft voorts aanspraak gemaakt in deze brief op buitengerechtelijke incassokosten, indien betaling door [gedaagde] achterwege zou blijven.
2.11 [gedaagde] heeft de door So What gevorderde bedragen niet betaald.

3 Geschil
3.1 So What vordert, zakelijk weergegeven en na vermindering van haar eis, verklaringen voor recht dat de overeenkomst partieel is ontbonden per 7 juli 2016 en 31 januari 2018, althans subsidiair de overeenkomst dienovereenkomstig te ontbinden, alsmede [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.939,59, € 665,50 en € 1.035,68, te vermeerderen met wettelijke rente. Voorts vordert So What betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 757,04, de kosten van Hanselman expertise ter hoogte van € 1.200,00 en de proceskosten.
3.2 So What legt, samengevat, het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft haar werkzaamheden uit hoofde van de overeenkomst tot aanneming van werk ondeugdelijk uitgevoerd. So What wijst ook op de garantievoorwaarden. [gedaagde] is bovendien in haar waarschuwingsplicht tekort geschoten, omdat het door haar aangeboden product niet kon worden geplaatst met de houten vloer als ondervloer. So What heeft op grond daarvan de overeenkomst partieel ontbonden. Daardoor is een ongedaanmakingsverbintenis ontstaan. [gedaagde] dient daarom een bedrag van € 6.605,09 aan So What te retourneren. Bovendien heeft [gedaagde] een inferieurder product geleverd. Het verschil in prijs tussen tegels met mes-groef-verbinding en vlakke verbinding wordt door So What geschat op 15%, resulterend in een bedrag van € 1.035,68. Op grond van de wet maakt So What voorts aanspraak op vergoeding van wettelijke handelsrente, de expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten.
3.3 [gedaagde] heeft gemotiveerde verweer gevoerd dat hierna, voor zover van belang, zal worden behandeld.

4 Beoordeling
4.1 Partijen strijden in de kern over de vraag of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen en indien dat het geval is welke gevolgen dan hieraan verbonden moeten worden.
4.2 De kantonrechter zal allereerst ingegaan op de vraag of [gedaagde] ten aanzien van de 89,25 m2 pvc-vloer welke is gelegd op de houten vloer is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis.
4.3 [gedaagde] heeft in eerste instantie aangevoerd dat zij de vloer met pvc-tegels niet ondeugdelijk had gelegd, maar dat de gerezen problemen geheel en al waren te wijten aan de ondeugdelijke betonnen ondervloer, welke vloer voor haar niet zichtbaar was omdat daarbovenop een houten vloer was aangebracht door So What. Na de comparitie van partijen hebben partijen (nogmaals) een deskundige ingeschakeld en de kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] thans niet langer betwist dat (ook) de door haar aangebrachte vloer met pvc-tegels gebreken vertoonde die aan haar te wijten waren. De kantonrechter merkt hierbij op dat dit ook met zoveel woorden volgt uit het desbetreffende rapport van de deskundige, dat in zoverre niet door partijen is betwist.
4.4 Het vorenstaande betekent dat sprake is van een tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de verbintenis ten aanzien van dit gedeelte van de vloer.
4.5 De vervolgvraag is of So What gerechtigd was de overeenkomst partieel te ontbinden. Daarvoor is vereist dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk was dan wel [gedaagde] in verzuim was.
So What heeft onweersproken gesteld dat zij [gedaagde] diverse malen in gebreke heeft gesteld. [gedaagde] heeft vervolgens ook diverse malen reparaties uitgevoerd, maar deze hebben niet tot een algehele oplossing geleid. Partijen hebben vervolgens gediscussieerd over de vraag of het werkzaam was om een zwarte polymeer en/of een transparante coating aan te brengen om de vloer waterdicht te maken. [gedaagde] heeft dit aangeboden, maar So What heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Uit het overgelegde nadere deskundigenrapport maakt de kantonrechter op dat herstel met een coatingslaag op zich niet voldoende is, omdat de coating niet in staat zal zijn om het scheuren van de lasnaden te doen tegen houden.
Een en ander betekent dat na diverse ingebrekestellingen [gedaagde] de vloer niet afdoende had gerepareerd en dat haar aanbod tot verdere reparatie ook geen deugdelijke oplossing kon bieden. Naar het oordeel van de kantonrechter verkeerde [gedaagde] daardoor in verzuim en was So What gerechtigd de overeenkomst partieel te ontbinden.
4.6 Het rechtsgevolg van deze partiële ontbinding is, dat over en weer een verbintenis ontstaat tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (art. 6:271 BW). Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van haar waarde op het tijdstip van ontvangst. Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad (art. 6:272 BW).
4.7 Het aanbrengen van de pvc-vloer is naar het oordeel van de kantonrechter een prestatie die naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt. De daaraan verbonden werkzaamheden zijn immers blijvend verricht. De vraag is derhalve welke waarde de geleverde vloer voor So What werkelijk heeft gehad.
4.8 Partijen hebben naar aanleiding van het deskundigenbericht gediscussieerd over de vraag of de door de deskundige geschatte herstelkosten volledig (standpunt So What) dan wel voor 50% of 90% (standpunt [gedaagde] ) voor rekening en risico van [gedaagde] zouden komen vanwege de ondeugdelijke betonnen ondervloer.
Nu het gaat om de vraag wat de werkelijke waarde van de (ondeugdelijk) aangebrachte pvc-vloer was op het moment van levering, althans ontbinding na de reeds uitgevoerde reparaties, kan deze discussie naar het oordeel van de kantonrechter buiten beschouwing blijven.
4.9 Voor het bepalen van de werkelijk waarde van de geleverde pvc-vloer zal de kantonrechter uitgaan van het geoffreerde bedrag voor dit gedeelte van de vloer minus de door de ingeschakelde deskundige geschatte kosten van reparatie om alsnog een deugdelijke vloer te krijgen, nu partijen hieromtrent ook geen andere stellingen hebben betrokken. Een en ander betekent dat de waarde wordt geschat op € 4.908,75 minus € 3.000,00, zijnde €1.908,75 (alles exclusief btw). Het komt er derhalve op neer dat [gedaagde] aan So What dient terug te betalen een bedrag van € 3.000,00 exclusief btw, zijnde € 3.630,00 inclusief btw.
Dit bedrag is derhalve toewijsbaar. De gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, omdat deze geen betrekking heeft op een verplichting tot ongedaanmaking, terwijl dat de grondslag is van de vordering. De subsidiair gevorderde wettelijke rente vanaf 22 juli 2016 is wel toewijsbaar. De gevorderde verklaring voor recht voor zover betrekking hebbend op dit gedeelte van de vloer is eveneens toewijsbaar.
4.10 Vervolgens is de vraag aan de orde of ten aanzien van de resterende geleverde pvc-tegels sprake is van een tekortkoming enkel en alleen vanwege de omstandigheid dat [gedaagde] niet een tegel met een mes-groef-verbinding heeft geleverd, maar met een vlakke verbinding.
4.11 Op zich staat niet tussen partijen ter discussie dat [gedaagde] een tegel met een mes-groef-verbinding heeft geoffreerd en dat zij deze niet heeft geleverd.
heeft echter onweersproken gesteld dat de aangeboden tegels niet meer op voorraad bleken te zijn, niet meer geleverd konden worden en dat zij So What hiervan ook op de hoogte heeft gesteld. So What heeft vervolgens niet geprotesteerd tegen de levering van de vlakke tegels en heeft ingestemd met een wijziging van de overeenkomst, aldus [gedaagde] .
Nu So What een en ander onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, is de kantonrechter van oordeel dat in zoverre geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
4.12 Voor het overige is ten aanzien van het resterende gedeelte van de vloer - ook niet ten aanzien van de door So What afzonderlijk genoemde 10 m2 - niet gebleken dat deze niet deugdelijk zijn. Zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd blijkt dat niet uit de overgelegde deskundigenrapporten. Ten aanzien van de genoemde 10 m2 heeft So What weliswaar gesteld dat door spanningen de naden ook zouden gaan scheuren, maar zij heeft deze stelling naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd.
De gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de resterende gedeelten van de vloer zijn derhalve niet toewijsbaar, evenmin als de daaraan verbonden gevorderde veroordelingen tot betaling van een geldbedrag.
4.13 Voorts vordert So What vergoeding van de door haar gemaakte expertisekosten. Naar het oordeel van de kantonrechter komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking, omdat So What in redelijkheid mocht twijfelen aan de door [gedaagde] aangeboden oplossing - het aanbrengen van een zwarte polymeer en/of een transparante coating - voor de ontstane problemen en deze twijfel over de oplossing bovendien achteraf is bevestigd door de na de comparitie door partijen ingeschakelde deskundige. Het gevorderde bedrag van € 1.200,00 is ook op zich niet onredelijk.
Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom van € 3.630,00. De kantonrechter zal daarom de vergoeding toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. Toegewezen wordt daarom een bedrag van € 488,00.
In totaal is derhalve naast de hoofdsom toewijsbaar een bedrag van € 1.688,00.
4.14 Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in die zin worden gecompenseerd dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 Beslissing
De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen partieel is ontbonden (voor het deel dat ziet op 89,25 m2);

- veroordeelt [gedaagde] om aan So What binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis te betalen een bedrag van € 3.630,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] om aan So What binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis te betalen een bedrag van € 1.688,00;

- compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.M. Frinking en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2019.