Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
NL19.21211
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Piketzaak – derde asielaanvraag – bekering – 15c Afghanistan- Hazara.

Verzoeker is in bewaring gesteld. Daags na de vluchtaankondiging dient verzoeker een herhaalde asielaanvraag in waarin hij onder andere verzoekt de voorlopige voorziening toe te wijzen in verband met de zitting die op 30 september 2019 is agendeerd bij de Afdeling en die voornamelijk zal gaan over de veiligheidssituatie in Afghanistan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en beoordeelt de situatie in het herkomstgebied van verzoeker aan de hand van de beschikbare openbare rapporten over Afghanistan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 maart 2019 over Afghanistan, wat betreft de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen en de provincie Baghlan (waaronder de hoofdstad Pol-e Chomri) in het bijzonder op het standpunt kunnen stellen dat daar, ondanks dat sprake is van een stijging van het aantal burgerslachtoffers en zorgwekkende, precaire veiligheidssituatie en rekening houdend met de specifieke posities van de verschillende groepen in Afghanistan, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000. Bij uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915 en 979), 20 juni 2018 (inzake de provincie Baghlan, ECLI:NL:RVS:2018:2075) en 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3176) is – met inachtneming van het rapport van het European Asylum Support Office (EASO) van december 2017 en 30 mei 2018 over de veiligheidssituatie in Afghanistan en de Country Guidance van EASO van juni 2018 – geoordeeld dat hoewel de veiligheidssituatie in Afghanistan zorgwekkend is en de situatie in sommige provincies zorgelijker is dan in andere, in geen van de provincies thans sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000.

Ook is niet door verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Afghanistan vanwege zijn Hazara afkomst een kwetsbare minderheid zal vormen of dat hij vanwege de factoren Hazara afkomst, een lang verblijf in Iran en zijn verblijf in het westen, apart of in samenhang beschouwd, behoort tot een risicogroep of een groep die systematisch een reëel en voorzienbaar risico loopt op ernstige schade of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Daarbij is van belang dat verzoeker nooit heeft verklaard dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn Hazara etniciteit en dat uit het rapport van EASO van 13 juni 2019 (pagina 70) niet is op te maken dat het behoren tot de bevolkingsgroep van Hazara op zichzelf aanleiding vormt te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Voorts kan de gestelde lange afwezigheid van verzoeker uit Afghanistan evenmin leiden tot een risico op schending van artikel 3 EVRM. Zoals verweerder terecht opmerkt in het verweerschrift zijn de mogelijke problemen die hij van het ontbreken van een sociaal netwerk kan ondervinden niet van dien aard dat daarmee is voldaan aan de maatstaf die artikel 3 EVRM in dit kader stelt (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2018:69). Hierbij wordt van belang geacht dat verzoeker in Kabul op de grote Hazara gemeenschap kan terugvallen die daar woonachtig is.

Gebleken is dat de Afdeling in de door verzoeker aangehaalde zaak met zaaknummer 201904651/1 op 30 september 2019 een zitting zal houden, waarin de algemene veiligheidssituatie en de positie van etnische en religieuze minderheden in Afghanistan aan de orde is. De voorzieningenrechter ziet hierin evenwel geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen om deze zitting en de uitkomst daarvan af te wachten omdat hieruit niet volgt dat in Afghanistan de algemene veiligheidssituatie of de positie van Hazara zo uitzonderlijk slecht is dat verzoeker reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Verder heeft verweerder bij brief van 5 september 2019 de Tweede Kamer bericht dat gelet op de informatie uit het rapport van EASO van 13 juni 2019 naast Kabul ook de steden Mazar-e-Sharif en Herat als binnenlands beschermingsalternatief worden aangemerkt, maar dat verder geen aanleiding wordt gezien om het landgebonden beleid ten aanzien van Afghanistan aan te passen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat in het rapport van EASO van 13 juni 2019 over de veiligheidssituatie in Afghanistan slechts voor de provincie Nangarhar, met uitzondering van de hoofdstad Jalalabad, door EASO een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn) wordt aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.21211

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam] , geboren op [geboortedag] 1998 en van Afghaanse nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mol).

Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder in de algemene asielprocedure de opvolgende aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit op 7 september 2019 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL 19.21210.

Verweerder heeft op 9 september 2019 een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft op 9 september 2019 het onderzoek gesloten. Op 9 september 2019 is het dictum van deze uitspraak, in verband met de vereiste spoed, telefonisch aan partijen kenbaar gemaakt met de mededeling dat de gemotiveerde uitspraak op 10 september 2019 bij aanvang van de werkdag aan het digitale dossier zal worden toegevoegd.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder zitting.

3. De voorzieningenrechter acht in het onderhavige geval termen aanwezig om van deze bevoegdheid gebruik te maken en overweegt daartoe als volgt.

4. Volgens het bestreden besluit mag verzoeker de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Verzoeker heeft derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

5. In geschil is de rechtsvraag of verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren omdat hij een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door hem geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

6. Getoetst moet worden of de uitzetting verboden moet worden omdat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

7. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker, een Hazara die afkomstig is uit Baghlan in Afghanistan, is op 12 januari 2016 Nederland binnengekomen en heeft op 13 januari 2016 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 11 augustus 2016 is deze eerste asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000. De procedure over deze aanvraag is afgesloten bij onherroepelijke uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 9 september 2016 (NL16.2064).

Op 27 februari 2017 heeft verzoeker een opvolgende asielaanvraag ingediend en die tweede asielaanvraag is bij besluit van 24 april 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Deze tweede asielprocedure is geëindigd bij onherroepelijke uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 31 mei 2017 (NL17.1902).

Verzoeker is op 12 juli 2019 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Bij brief van 29 augustus 2019 heeft verweerder aan verzoeker de vluchtgegevens kenbaar gemaakt. Hij zal op 10 september 2019 om 14:40 uur met vluchtnummer TK 1958 /TK 706 naar Kabul worden uitgezet. Op 30 augustus 2019 heeft verzoeker wederom een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Daarop is op 30 augustus 2019 aan hem de maatregel als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, Vw 2000 opgelegd. Bij bestreden besluit heeft verweerder de derde asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker al eerder aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend.

9. Bij voormelde uitspraak van 9 september 2016 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, geoordeeld dat verweerder het asielrelaas van verzoeker terecht ongeloofwaardig bevonden. Zo heeft verweerder de bekering van verzoeker tot het christelijke geloof en zijn problemen als gevolg van de relatie met [naam] , een meisje van Tadzjiekse afkomst, terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij is geoordeeld dat verweerder wordt gevolgd dat de verklaringen van verzoeker over de ontsnapping uit detentie bij de behandeling van zijn rechtszaak volstrekt ongeloofwaardig zijn en dat dit maakt dat zijn verklaringen over de verhouding met [naam] , de detentie als gevolg hiervan en de kennismaking met het christelijke geloof tijdens die detentie eveneens in twijfel kunnen worden getrokken. De rechtbank oordeelt ook dat, gelet op de onlosmakelijke samenhang van de gebeurtenissen, niet wordt gevolgd dat deze gevolgtrekking strijd oplevert met de in Werkinstructie 2004/10 voorgeschreven integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Bovendien heeft verweerder niet enkel de ongeloofwaardige ontsnapping aan het geloofwaardigheidsoordeel ten grondslag gelegd. Zo heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte aan verzoeker tegengeworpen dat het niet geloofwaardig is dat hij, na eerder door de vader van [naam] te zijn bedreigd en beledigd, terugkeert naar hun woning om daar met haar gemeenschap te hebben.

Ook wat betreft de bekering oordeelt de rechtbank dat er meerdere verklaringen zijn die doen twijfelen aan de oprechtheid van verzoeker, zoals zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor en het eerste gehoor dat zijn geloof de islam is, alsook dat verweerder terecht niet heeft gevolgd dat hij zijn geloof (de islam) niet meer belijd. Het niet meer praktiseren (het in de praktijk toepassen) van een geloof wil immers niet zeggen dat geen sprake meer is van het belijden (aanhangen) van dit geloof. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder de latere verklaring van verzoeker niet heeft hoeven volgen dat zijn doop het moment was waarop hij zich geen moslim meer voelde en hij daarom de islam als zijn geloof heeft genoemd. Daarbij is de verklaring dat hij vanaf het moment van het “wonder” bekeerd was niet in overeenstemming met het standpunt dat hij (voorafgaande aan de doop) wel degelijk heeft verklaard niet meer de islamitische godsdienst te belijden. De rechtbank acht de overgelegde doopverklaring van onvoldoende gewicht om wel uit te gaan van een oprechte bekering.

Tot slot ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verzoeker bij terugkeer naar Afghanistan vanwege zijn Hazara afkomst te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat een onderbouwing hiervan achterwege is gebleven en er geen gronden zijn gericht tegen de gemotiveerde weerlegging door verweerder van de gestelde risico’s voor Hazara’s.

10. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft bij voormelde uitspraak van 31 mei 2017 geoordeeld dat verweerder de gestelde geloofsintensivering van verzoeker terecht niet als nieuw element heeft aangemerkt. Zo heeft verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat verzoeker zich in vage en algemene bewoordingen heeft uitgelaten over zijn gestelde groei in het geloof en wat het christendom op dit moment met hem doet. Hierbij is betrokken dat verweerder tijdens het gehoor meermalen aan verzoeker om concretisering van zijn verklaringen heeft gevraagd, maar dat uit zijn antwoorden daarop niet blijkt welke motieven hij voor zijn bekering heeft of hoe het proces van bekering is verlopen. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder niet ten onrechte overwogen dat verzoeker met zijn geloofsactiviteiten niet inzichtelijk heeft gemaakt welke motieven hij voor zijn bekering heeft of hoe het proces van bekering is verlopen. De door hem ontplooide geloofsactiviteiten kunnen namelijk niet afdoen aan het ontbreken van overtuigende verklaringen over de motieven voor of het proces van bekering (vgl. rechtsoverweging 4.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: de Afdeling, van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4174).

Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht niet als nieuw element heeft aangemerkt dat verzoeker bij de Afghaanse autoriteiten bekend staat als christen en daarom bij terugkeer naar Afghanistan vervolgd zal worden dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat verzoeker op verschillende punten met betrekking tot het voorval op de ambassade vaag en summier heeft verklaard en dat het afbreuk doet aan de betrouwbaarheid aan zijn verklaringen over het voorval op de ambassade dat verzoeker garant wilde staan voor de identiteit en nationaliteit van een voor hem onbekende persoon.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot een groep die systematisch een reëel risico loopt op ernstige schade dan wel dat de Hazara als kwetsbare minderheidsgroep zijn aangewezen en bij terugkeer een risico op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM te lopen. Zo zijn de Hazara in Afghanistan niet als kwetsbare minderheidsgroep aangewezen (zie in dit verband de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 februari 2017, Vergaderjaar 2016-2017, Kamerstuk 19637 nr. 2304) en kan uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van november 2016 niet worden opgemaakt dat verzoeker tot een groep behoort die systematisch een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook heeft verzoeker niet verklaard dat hij in Baghlan, althans Afghanistan problemen heeft ondervonden wegens zijn Hazara-afkomst.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder Kabul niet primair als vestigingsalternatief heeft tegengeworpen, maar heeft overwogen dat van verzoeker in beginsel kan worden verlangd dat hij terugkeert naar zijn regio van herkomst en indien nodig naar Kabul en dat het vestigen in Kabul dus als alternatief is opgenomen indien verzoeker zelf meent dat hij niet kan terugkeren naar zijn regio van herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij mogen betrekken dat verzoeker in Kabul niet kan worden gezien als minderheid in het kader van het kwetsbare minderheden beleid omdat zich in Kabul een grote populatie van Hazara’s bevindt, zodat van hem mag worden verwacht dat hij voor een sociaal netwerk terugvalt op de gemeenschap van de Hazara in Kabul. De rechtbank kan daarom niet volgen dat dit in strijd is met Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2017/2.

11. Op 30 augustus 2019 heeft verzoeker voor de derde keer een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Ter ondersteuning van deze asielaanvraag heeft hij verklaringen afgelegd in zijn gehoor opvolgende aanvraag van 3 september 2019 en de volgende documenten overgelegd:

  • -

    Foto’s samen met andere kerkgangers;

  • -

    Screenshots van WhatsApp gesprekken; en

  • -

    Een verklaring van de kerk Verenigde Pinkstergemeente Nederland van 3 september 2019.

Verzoeker legt primair aan zijn derde asielaanvraag wederom zijn bekering tot het Christelijk geloof ten grondslag. De door verzoeker overgelegde documenten dienen te worden beschouwd als ondersteunend bewijs voor zijn verklaringen over kerkgang en Bijbelstudie. Daarbij heeft verzoeker verklaard wat hij sinds zijn vorige asielprocedure heeft moeten doorstaan. Zo heeft verzoeker verklaard over de zware tijd die hij heeft gehad doordat hij op straat heeft moeten leven en de worsteling die hij meemaakt, maar dat hij al die tijd in God is blijven geloven die hem bijstond en daarmee de eenzaamheid wegnam en in contact bracht met Christenen uit Afghanistan en Iran. De omstandigheden waarin verzoeker verkeert, heeft hem dichter bij God gebracht en is de ontwikkeling in zijn geloofsleven. Het zijn allemaal elementen die hoop en vertrouwen doen versterken en uiteindelijk verzoeker nog meer verbonden hebben met God. Verzoeker bleef zich richten tot God en zag zijn manier van leven als een test die hij heeft doorstaan. Hierdoor is volgens verzoeker sprake van een innerlijk proces waarbij hij werd beproefd. Dit heeft voor een verdiepende geloofsbelevenis gezorgd, aldus verzoeker. Verzoeker meent dat hij voldoende inzicht heeft verschaft in de motieven voor en de proces van bekering na zijn vorige asielaanvraag. Ook stelt verzoeker dat hij zich verder heeft verdiept in het christendom.

12. Verweerder heeft verzoekers derde asielaanvraag bij bestreden besluit niet‑ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000, omdat verzoeker aan zijn aanvraag geen nieuwe elementen en bevindingen ten grondslag heeft gelegd.

13. Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker zijn gestelde bekering tot het christendom reeds ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorige twee asielaanvragen, dat deze bekering door verweerder niet geloofwaardig werd geacht en dat deze rechtbank, zittingsplaatsen Roermond en Rotterdam reeds onherroepelijk hebben geoordeeld dat verweerder de door verzoeker gestelde bekering tot het christelijk geloof niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit verband de door verzoeker ingebrachte verklaringen niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen. Daarbij wijst verweerder er terecht op dat de huidige verklaringen van verzoeker over zijn gestelde bekering naar aard en inhoud gelijk zijn aan de verklaringen uit zijn voorgaande asielprocedures, zodat geen aanleiding bestaat tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van zijn gestelde bekering tot het christendom. Wederom heeft verzoeker zich in vage en algemene bewoordingen uitgelaten over zijn gestelde groei in het geloof en verdieping in het christendom. Reeds is in rechte komen vast te staan dat de door verzoeker ontplooide geloofsactiviteiten niet kunnen afdoen aan het ontbreken van overtuigende verklaringen over zijn motieven voor of het proces van bekering. Verweerder heeft kunnen betrekken dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich verder heeft ontwikkeld binnen het christelijke geloof. Zo heeft verzoeker niet duidelijk weten aan te geven waar zijn gestelde groei en ontwikkeling in het christelijke geloof uit blijkt. Uit de verklaringen van verzoeker dat hij een moeilijke periode heeft gehad sinds de vorige asielprocedure omdat hij geen onderdak had en dat hij zich in deze periode in gebed tot God had gewend om hem te helpen, blijkt niet van verdere ontwikkeling of groei binnen zijn geloof. Daarbij is van belang dat verzoeker over zijn gestelde bekering in algemeenheden blijft hangen en zichzelf veelvuldig herhaalt. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 3 september 2019 (pagina 11) heeft verzoeker verklaard dat hij niet weet wat er veranderd is sinds de vorige asielaanvraag en dat alles hetzelfde is maar dat hij zich wel verder heeft ontwikkeld in zijn geloof. Over de groei en ontwikkeling kan verzoeker echter geen enkele diepgang verschaffen anders dan dat hij ondanks de moeilijke periode rustig en blij is als christen, dat hij op het juiste pad is gebleven en wordt enkel herhaald dat de groei en het vertrouwen zijn toegenomen in het geloof. Ter onderbouwing van zijn verdieping in het christendom heeft verweerder dit niet ten onrechte als te algemeen en summier kunnen beschouwen. Ook met betrekking tot de verklaringen van verzoeker dat hij altijd hoop heeft gehad en positief is gebleven, dat hij in de moeilijke periode toen hij dakloos was andere mensen hulp heeft geboden en dat hij rustig bleef als hij tot God ging bidden, wat verzoeker ziet als groei en ontwikkeling van het geloof, heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat hij in algemeenheden blijft hangen en dat hij niet kan concretiseren wat er precies is veranderd sinds de vorige asielprocedure. Verzoeker heeft hiermee enkel zijn moeilijke situatie geschetst en aangegeven dat het een test was van God die hij had doorstaan, wat hem dichter bij God bracht, dat hij geen hoop verloor en dat dit kan worden beschouwd als een ontwikkeling zonder dat hiermee wordt aangetoond dat hij een ontwikkeling in zijn geloof heeft doorgemaakt. Verweerder heeft niet ten onrechte van belang geacht dat verzoeker de innerlijke ontwikkeling niet aannemelijk heeft gemaakt. Bij de enkele stelling dat verzoeker een ontwikkeling in zijn geloof heeft meegemaakt omdat hij hoop en vertrouwen had in God is door hem niet toegelicht hoe het proces van die innerlijke ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Zo wordt niet door hem verklaard waarom en hoe die vertrouwensband met God versterkt was geraakt en waarom hij de hoop niet had verloren waardoor een toelichting hoe de verdieping in het christelijke geloof heeft plaatsgevonden ontbreekt. Nu verzoeker over zijn bekering tot het Christelijk geloof geen enkele groei of verdieping heeft kunnen aantonen en enkel blijft hangen in algemeenheden en herhalingen, heeft verweerder hierin terecht een belangrijke reden gezien de door hem gestelde bekering niet te volgen.

15. Bovendien heeft verweerder van belang kunnen achten dat hij tijdens de vorige asielprocedure ook reeds heeft verklaard dat hij de kerk bezocht en bijbellessen heeft gevolgd. Daarbij heeft verweerder terecht opgemerkt dat met het bezoek aan de kerk en Bijbelstudie van verzoeker niet vast is komen te staan dat bij hem sprake is van een ontwikkeling en een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Immers, hiermee wordt niet weggenomen dat overtuigende verklaringen over zijn motieven voor en het proces van bekering ontbreken. Verder heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de bekering dat verzoeker niet meer weet wat de datum van zijn doop is terwijl dit een handeling betreft die als zeer belangrijk wordt ervaren in het christendom. Hierbij is van belang dat verzoeker destijds niet dakloos was, zodat niet kan worden gevolgd dat hij daardoor het besef van tijd verloor en hij de datum niet meer weet en dat evenmin is gebleken dat hij moeite heeft met het herinneren van data.

16. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat de door verzoeker overgelegde documenten niet tot leiden tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van zijn gestelde bekering. Uit deze stukken kan namelijk niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van een innerlijk gevoelde, overtuigende en oprechte bekering bij verzoeker omdat hierin niet inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze door hem aan het geloof invulling wordt gegeven. Zo heeft verzoeker met de overgelegde verklaring van de Verenigde Pinkstergemeente Nederland, de foto’s en de WhatsApp-gesprekken enkel aangetoond dat hij de kerk heeft bezocht en Bijbelstudie heeft gevolgd, maar heeft hij hiermee niet zijn bekering tot het christendom aannemelijk kunnen maken. Immers, uit de overgelegde documenten blijkt niet dat bij verzoeker sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging bij verzoeker van het christendom. Hierbij heeft verweerder terecht overwogen dat in de kerkelijke verklaring op geen enkele wijze inzicht wordt gegeven in de geloofsbeleving van verzoeker, maar worden alleen de feitelijke activiteiten gemeld die hij verricht en waarin hij participeert. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat verzoeker vaag heeft verklaard over de WhatsApp groep waar Afghanen en Iraniërs in zitten zonder inzichtelijk te maken waarom hij aan de groep is toegevoegd en wat zij in de groep bespreken. Deze stukken heeft verweerder dan ook terecht niet aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen.

17. Gelet op het vorenstaande heeft verzoeker ook in deze derde asielprocedure geen oprechte innerlijke overtuiging van het Christelijk geloof aannemelijk weten te maken. Nu verzoeker niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij bekeerd is tot het christendom heeft verweerder terecht overwogen dat niet kan worden gevolgd dat hij in Afghanistan als christen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij een reëel en voorzienbaar risico zal lopen op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Tevens heeft verweerder terecht overwogen dat niet wordt gevolgd dat verzoeker toegedichte afvalligheid zal worden tegengeworpen omdat hij niet heeft onderbouwd op grond waarvan hij in Afghanistan als afvallige zal worden beschouwd.

18. Subsidiair stelt verzoeker dat vanwege zijn etniciteit en verwestering er bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een reëel en voorzienbaar risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verzoeker verzoekt de voorlopige voorziening toe te wijzen en het beroep aan te houden totdat de uitspraak heeft gedaan in de zaak met nummer 201904651/1. Door verzoeker is een uitwerking van Vluchtelingenwerk Nederland over de algemene veiligheidssituatie in geheel Afghanistan, de veiligheidssituatie in de provincie Baghlan en de positie van Hazara’s in Afghanistan bijgevoegd waaruit volgens hem blijkt dat de veiligheidssituatie is verergerd. Zo is in juli 2019 het aantal geweldsincidenten weer toegenomen en zijn er ondanks vredesbesprekingen wederom aanslagen geweest. Verder levert het leven in door Taliban gecontroleerd gebied vanwege de instelling van de sharia een risico van schending van artikel 3 EVRM op, aldus verzoeker. Ook stelt verzoeker dat hij als Hazara niet binnen Taliban gebied zal kunnen leven omdat Hazara als vijanden en ongelovigen worden gezien en dat uit de stukken blijkt dat de Taliban zich lijkt te richten op de Hazara bevolking in de grote steden vanwege een toegedichte steun aan Iran. Verder is verzoeker al geruime tijd niet meer in Afghanistan geweest doordat hij als vijfjarige naar Iran is vertrokken en keert hij terug naar jaren in Iran en het westen te hebben gewoond waarbij volgens hem een mate van verwestering niet kan worden ontkend. Naar de mening van verzoeker maakt de combinatie van factoren (Hazara, lang verblijf in Iran en verblijf in het westen) dat hij als Hazara tot een risicogroep behoort en bij terugkeer naar een grote stad een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een gerichte aanslag op de Hazara bevolking. Daarnaast loopt hij net als iedere Afghaan het risico om slachtoffer te worden van een willekeurige bomaanslag. Daarbij merkt verzoeker op dat de hoofdstad van zijn eigen gebied thans een betwist gebied is waar gevechten om de macht gaande zijn.

19. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 maart 2019 over Afghanistan, wat betreft de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen en de provincie Baghlan (waaronder de hoofdstad Pol-e Chomri) in het bijzonder op het standpunt kunnen stellen dat daar, ondanks dat sprake is van een stijging van het aantal burgerslachtoffers en zorgwekkende, precaire veiligheidssituatie en rekening houdend met de specifieke posities van de verschillende groepen in Afghanistan, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000. Bij uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915 en 979), 20 juni 2018 (inzake de provincie Baghlan, ECLI:NL:RVS:2018:2075) en 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3176) is – met inachtneming van het rapport van het European Asylum Support Office (EASO) van december 2017 en 30 mei 2018 over de veiligheidssituatie in Afghanistan en de Country Guidance van EASO van juni 2018 – geoordeeld dat hoewel de veiligheidssituatie in Afghanistan zorgwekkend is en de situatie in sommige provincies zorgelijker is dan in andere, in geen van de provincies thans sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000.

20. Ook is niet door verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Afghanistan vanwege zijn Hazara afkomst een kwetsbare minderheid zal vormen of dat hij vanwege de factoren Hazara afkomst, een lang verblijf in Iran en zijn verblijf in het westen, apart of in samenhang beschouwd, behoort tot een risicogroep of een groep die systematisch een reëel en voorzienbaar risico loopt op ernstige schade of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Daarbij is van belang dat verzoeker nooit heeft verklaard dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn Hazara etniciteit en dat uit het rapport van EASO van 13 juni 2019 (pagina 70) niet is op te maken dat het behoren tot de bevolkingsgroep van Hazara op zichzelf aanleiding vormt te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Voorts kan de gestelde lange afwezigheid van verzoeker uit Afghanistan evenmin leiden tot een risico op schending van artikel 3 EVRM. Zoals verweerder terecht opmerkt in het verweerschrift zijn de mogelijke problemen die hij van het ontbreken van een sociaal netwerk kan ondervinden niet van dien aard dat daarmee is voldaan aan de maatstaf die artikel 3 EVRM in dit kader stelt (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2018:69). Hierbij wordt van belang geacht dat verzoeker in Kabul op de grote Hazara gemeenschap kan terugvallen die daar woonachtig is.

21. Gebleken is dat de Afdeling in de door verzoeker aangehaalde zaak met zaaknummer 201904651/1 op 30 september 2019 een zitting zal houden, waarin de algemene veiligheidssituatie en de positie van etnische en religieuze minderheden in Afghanistan aan de orde is. De voorzieningenrechter ziet hierin evenwel geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen om deze zitting en de uitkomst daarvan af te wachten omdat hieruit niet volgt dat in Afghanistan de algemene veiligheidssituatie of de positie van Hazara zo uitzonderlijk slecht is dat verzoeker reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Verder heeft verweerder bij brief van 5 september 2019 de Tweede Kamer bericht dat gelet op de informatie uit het rapport van EASO van 13 juni 2019 naast Kabul ook de steden Mazar-e-Sharif en Herat als binnenlands beschermingsalternatief worden aangemerkt, maar dat verder geen aanleiding wordt gezien om het landgebonden beleid ten aanzien van Afghanistan aan te passen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat in het rapport van EASO van 13 juni 2019 over de veiligheidssituatie in Afghanistan slechts voor de provincie Nangarhar, met uitzondering van de hoofdstad Jalalabad, door EASO een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn) wordt aangenomen. Tot slot wordt verweerder gevolgd dat verzoeker op geen enkele wijze heeft onderbouwd waaruit de verwestering blijkt waardoor hij te vrezen bij terugkeer naar Afghanistan. Uit de informatie van EASO in het rapport van 13 juni 2019 (pagina 92) blijkt weliswaar dat de provincie Baghlan betwist gebied is en dat er gevechten plaatsvinden bij de hoofdstad, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat verzoeker bij terugkeer naar Baghlan te vrezen heeft voor een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Voor zover verzoeker meent dat hij niet kan terugkeren naar Baghlan, kan verweerder worden gevolgd in het standpunt dat hij zich kan vestigen in Kabul en dat volgens het rapport van EASO van 13 juni 2019 (pagina 34 en 102) de veiligheidssituatie in Kabul geen reden vormt om een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn aan te nemen.

22. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet ten onrechte de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet‑ontvankelijk verklaard. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

23. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, zodat aanleiding bestaat om het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen onder toepassing van artikel 8:84 juncto 8:83, derde lid, Awb. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslist wordt als volgt.

Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen af.


Deze uitspraak is in het openbaar gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier, op 9 september 2019. Op 10 september 2019 is deze uitspraak met hierin de motivering ondertekend en beschikbaar gesteld aan partijen door toevoeging hiervan aan het digitale dossier.

griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.