Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:948

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
NL18.19642
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, minder- of meerderjarig, schorsing vanwege nader onderzoek identificerende documenten, interstatelijke vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.19642


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.M. Westerhuis),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuys).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.19642, plaatsgevonden op 8 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, opdat de door eiser ter zitting overgelegde documenten onderzocht kunnen worden door Bureau Documenten.

Verweerder heeft op 26 november 2018 de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten overgelegd. Eiser heeft hier bij brief van 24 december 2018 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 30 januari 2019 gesloten, nadat geen van de partijen desgevraagd had aangegeven op een nadere zitting gehoord te willen worden.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1994.

Eiser heeft op 21 maart 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op illegale wijze de buitengrens van de lidstaten via Italië heeft overschreden. Daarnaast is uit onderzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening gebleken dat eiser in Italië geregistreerd staat met als geboortedatum [geboortedatum] 1994. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 31 mei 2018 gevraagd om eiser over te nemen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening).

2. Verweerder heeft de aanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet naar Italië mag worden overgedragen, omdat hij minderjarig is. In Italië heeft geen zorgvuldige leeftijdsregistratie plaatsgevonden en derhalve is eiser onder een onjuiste (meerderjarige) geboortedatum geregistreerd. Het bestreden besluit is in strijd met de vereiste zorgvuldigheid, omdat ten onrechte is uitgegaan van de evidente meerderjarigheid van eiser. Dat eiser minderjarig is blijkt uit de in kopie overgelegde doopakte, geboorteakte en schoolpas. Ter zitting heeft eiser de gestelde originele documenten overgelegd. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1639) beschikken minderjarige Eritreeërs niet over een identiteitskaart en kan van hen niet worden verlangd dat zij zich na de vlucht uit het land van herkomst alsnog tot de Eritrese autoriteiten wenden om officiële documenten te verkrijgen. Voorts betoogt eiser dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mede als gevolg van het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten 24 september 2018 (hierna: het wetsdecreet). Humanitarian protection wordt afgeschaft en het aantal plaatsen in opvangcentra wordt teruggebracht. Er doen zich derhalve in Italië aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure, opvangvoorzieningen en medische zorg voor. Eiser heeft juist medische hulp nodig, omdat hij in zijn buik is gestoken. Bij overdracht ontstaat er een zeer ernstig risico dat eiser niet de nodige toegang tot noodzakelijk medische (en psychische) hulp zal krijgen, waardoor er een medische noodsituatie kan ontstaan. Overdracht, zonder nadere garanties, is derhalve in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede artikel 4 van het Handvest.

Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat geen persoonlijk onderhoud met hem heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 5 van de Dublinverordening. Eiser is derhalve niet in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht naar voren te brengen.

Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser, onder andere, verwezen naar de volgende rapportages en nieuwsberichten:

- nieuwsbericht van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 26 september 2018 over een wetsdecreet inzake immigratie en veiligheid (op 24 september 2018 door de Raad van Ministers goedgekeurd) dat verregaande beperkingen oplegt aan het Italiaanse asielstelsel;

- UN High Commissioner for Refugees (UNHCR), ‘High Commissioner Grandi urges more solidarity with Italy.’, van 3 juli 2017;

- SFH, ‘Aufnahmebedingungen in Italien. Zur aktuellen Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigten, insbesondere Dublin-Ruckkehrenden in Italien.’, van 15 augustus 2016;

- US Department of State, ‘Country Report on Human Rights Practices 2016 - Italy’, van 3 maart 2017;

- Council of Europe, ‘Secretary General: Report of the fact-finding mission to Italy by Ambassador Tomàš Boček, Special Representative of the Secretary General on migration and refugees, 16-21 October 2016’(SG/Inf(2017)8)’, van 2 maart 2017;

- Integrated Regional Information Network (IRIN), ‘Italy’s migrant reception system is breaking’, van 15 juni 2017;

- Association for Legal Studies on Immigration (ASGI), landenrapport Italië, update 2016.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Tussen partijen is in geschil of verweerder eiser als minderjarige had moeten aanmerken. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft ter onderbouwing van zijn stelling een (kopie) geboorteakte, doopakte en schoolpas overgelegd. Verweerder handhaaft de geboortedatum van eiser waarmee hij in Italië is geregistreerd, te weten [geboortedatum] 1994.

4.2

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser. Naar aanleiding van de gestelde minderjarigheid van eiser heeft verweerder conform zijn beleid opgenomen in paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) een leeftijdsschouw uitgevoerd. Naar aanleiding van de conclusie van de leeftijdsschouw, waarbij twijfel is ontstaan over de opgegeven leeftijd, heeft verweerder nader onderzoek gedaan bij de Italiaanse autoriteiten middels een verzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening. Eiser heeft in Italië verklaard geboren te zijn in het jaar 1994. Eisers geboortedatum is in Italië conform zijn eigen opgave geregistreerd. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134), 20 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:780), 9 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2159) en 7 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1910). Hieruit volgt dat informatie uit een andere lidstaat waaruit blijkt dat de vreemdeling meerderjarig is, volstaat om de vreemdeling ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Eiser heeft in eerste instantie in kopie een geboorteakte, doopakte en schoolpas overgelegd. Verweerder heeft terecht overwogen dat dit geen authentieke identificerende documenten zijn waaruit de door eiser gestelde geboortedatum blijkt. De door eiser ter zitting overgelegde (gestelde) originele geboorteakte, doopakte en schoolpas zijn door Bureau Documenten vals bevonden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder terecht het standpunt handhaaft dat eiser meerderjarig is.

Nu eiser niet wordt aangemerkt als minderjarige, treft de stelling dat minderjarigen uit Eritrea niet in het bezit kunnen zijn van identificerende documenten en dat bewijsnood aangenomen moet worden geen doel, omdat het niet op eiser van toepassing is.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat met de leeftijdsschouw, de uitkomst van het nader onderzoek bij de Italiaanse autoriteiten en het ontbreken van identificerende documenten er niet langer relevante aanwijzingen zijn om te twijfelen aan de leeftijd van eiser. Verweerder heeft onder deze omstandigheden kunnen aannemen dat eiser meerderjarig is en om die reden is een leeftijdsonderzoek op grond van artikel 3.109, tweede lid, van het Vb – zoals nader omschreven in paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) – terecht niet aan de orde geacht.

Anders dan eiser stelt blijkt uit paragraaf C1/2.2 van de Vc niet dat de leeftijdsschouw uitgevoerd moet worden door drie personen of leeftijdsdeskundigen.

5.1

Ten aanzien van het interstatelijke vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. De Afdeling heeft bij uitspraak van 19 december 2018, voor zover van belang, het volgende geoordeeld:

“6. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3246 en van 11 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3323 recent nog geoordeeld dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.

6.1.

Het is duidelijk dat het decreet een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft. Dit heeft, zoals de vreemdeling ter zitting heeft aangevoerd, tot een aantal incidenten geleid waarbij vreemdelingen uit de SPRAR-opvang zijn gezet. Zoals de staatssecretaris heeft toegelicht, en wat de vreemdeling niet betwist, heeft het decreet echter niet tot gevolg dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Van belang is dat de staatssecretaris conform artikel 32 van de Dublinverordening melding blijft maken van de bijzondere behoeften en omstandigheden van een vreemdeling en de staatssecretaris de overdracht opschort zodra duidelijk is dat Italië daar niet aan kan voldoen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. De vreemdeling heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het decreet leidt tot aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang van Dublinclaimanten. Evenmin heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM, omdat meer vreemdelingen een beroep moeten doen op de algemene opvanglocaties. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het aantal in 2018 in Italië gearriveerde vreemdelingen een stuk lager ligt dan in de voorgaande jaren.”

5.2

De rechtbank is gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling van oordeel dat het standpunt van eiser dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden vanwege het wetsdecreet en tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure in Italië, niet slaagt. De door eiser aangehaalde algemene informatie en uitspraken dateren van voor de Afdelingsuitspraak en leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze reeds zijn meegenomen in het oordeel van de Afdeling.

5.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat, indien en voor zover Italië zich niet zou houden aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn, verweerder onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak K.R.S. t. het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (zaaknummer 32733/08, JV 2009/41), terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten of de geëigende instanties. Het uitgangspunt is dat over een eventuele schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) kan worden geklaagd vanuit de betrokken verantwoordelijke lidstaat. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (zaaknummer 30696/09). Uit wat eiser heeft aangevoerd en hetgeen de Afdeling bij uitspraak van 19 december 2018 heeft overwogen kan niet worden afgeleid dat de asielprocedure in Italië dergelijke structurele gebreken vertoont.

6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat er geen persoonlijk onderhoud met hem heeft plaatsgevonden, waardoor hij zijn bezwaren tegen de overdracht niet naar voren heeft kunnen brengen. Volgens artikel 5 van de Dublinverordening heeft het persoonlijk onderhoud als doel om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen. Het onderhoud biedt de verzoeker tevens de mogelijkheid de overeenkomstig artikel 4 van de Dublinverordening aan hem verstrekte informatie juist te begrijpen. Op 28 mei 2018 heeft er een aanmeldgehoor Dublin plaatsgevonden. Zowel eiser als zijn gemachtigde hebben nadien geen nadere reactie ingebracht. Vervolgens heeft eiser op 10 september 2018 zijn zienswijze tegen het voornemen van 29 augustus 2018, waarin is vermeld dat Italië verantwoordelijk is voor de aanvraag van eiser, ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser bij de totstandkoming van het bestreden besluit dan ook voldoende in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen overdracht aan Italië te uiten.

7. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft zijn medische situatie niet met medische stukken onderbouwd. Niet is gebleken dat eiser onder specialistische behandeling is of deze behoeft. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat niet is gebleken waarom Nederland het meest aangewezen land zou zijn om eiser te behandelen en dat Italië vergelijkbare medische voorzieningen heeft.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Sleeswijk Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.