Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9423

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1134
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van niet overdekte horecaterrassen; geen onaanvaardbare achteruitgang woon- en leefklimaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1134

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. V.C.T. Verkroost),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A. Cleton).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. ABB Ontwikkeling B.V., te Sliedrecht, vergunninghoudster;

(gemachtigde: mr. J.M. van Koeveringe-Dekker)

2. V.o.f. Restaurant MiddenInn Maasland, te Maasland, belanghebbende.

(gemachtigde: mr. A. de Groot)

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 4 niet overdekte horecaterrassen op het terrein dat grenst aan de commerciële ruimten gelegen aan de [adres] en [adres] en [adres] en [adres] te [plaats] .

Bij besluit van 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers gegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn in een later stadium ingediend.

Eisers hebben een nader stuk overgelegd.

Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer SGR 19/2071). Bij uitspraak van 11 april 2019 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een zienswijze ingediend.

Eisers hebben vervolgens nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld van M. Post. geluiddeskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. N. Wulffen. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door gemachtigde Van Koeveringe. Namens belanghebbende is verschenen [C] , bijgestaan door zijn gemachtigde.

Na de zitting hebben eisers een formulier proceskosten ingeleverd bij de Centrale Balie van de rechtbank, gedateerd 26 augustus 2019, met daarop € 1.200,-- aan verletkosten, € 858,-- excl. BTW aan verschotten en € 3.566,48 aan andere kosten.

Overwegingen

1.1

Op 29 mei 2018 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het realiseren van 3 niet overdekte horecaterrassen behorend bij de commerciële ruimten gelegen aan de adressen [adres] en 2 en [adres] te [plaats] .

De aanvraag heeft betrekking op de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Vergunninghoudster is eigenaar van de commerciële ruimten [adres] en [adres] . Belanghebbende exploiteert Restaurant MiddenInn Maasland gelegen aan de [adres] .

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder vergunninghoudster de gevraagde omgevingsvergunning verleend, waarbij tevens - na wijziging van de aanvraag - een niet overdekt terras bij de commerciële ruimte aan het adres [adres] te [plaats] is vergund.

1.3

Voor deze terrassen zijn op 5 oktober 2018 aan de huurders van de commerciële ruimten exploitatievergunningen verleend. Tegen de door verweerder genomen beslissingen op de door eisers te dien aanzien ingediende bezwaren hebben eisers eveneens beroep ingesteld bij deze rechtbank (zaaknummers SGR 18/7764, 18/8078 en 18/8079).

1.4

Eisers wonen in de directe nabijheid van de terrassen behorend bij de panden [adres] (City Döner) en [adres] (MiddenInn). De woningen bevinden zich boven deze panden. De terrassen lopen door tot aan de voorgevel van die panden, zodat de balkons van de woningen zich direct boven de terrassen bevinden.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers, conform het advies van de Bezwaarschriftencommissie gemeente Midden-Delfland van 11 oktober 2018, gegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat uit het rapport van het akoestisch onderzoek van Van Kooten (Van Kooten) van 2 november 2018 en de notitie geuraspecten horecaterrassen van Witteveen+Bos van 21 november 2018 blijkt dat het voorgenomen gebruik van de horecaterrassen niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van eisers. In het bijzonder heeft verweerder zich daarbij op het standpunt gesteld dat van de conclusie van de notitie van Witteveen+Bos, waaruit blijkt dat van relevante geurhinder geen sprake is, kan worden uitgegaan nu eisers geen tegenrapport hebben overgelegd. Daarnaast bestaat volgens verweerder een belangrijk deel van het omgevingsgeluid ter plaatse van de woningen van eisers uit het geluid van het wegverkeer dat gebruik maakt van de Kerkweg. Verder zien de geluidnormen in het kader van de ruimtelijke ordening naar de mening van verweerder op de gevel van de woning en mag er vanuit worden gegaan dat de gevels van de woningen van eisers voldoen aan het Bouwbesluit.

3.1

Ter zitting van de rechtbank is gesproken over de mogelijkheid om met elkaar in overleg te treden om tot een minnelijke oplossing van het geschil te komen. De rechtbank heeft onvoldoende basis kunnen vinden voor een mogelijke positieve uitkomst van dergelijk overleg. Dit betekent dat de rechtbank hierna het voorliggende geschil zal bespreken en daarop zal beslissen.

3.2

Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2019 blijkt dat de bezwaren van eisers geen betrekking hebben op de terrassen die nabij de panden [adres] en [adres] worden gerealiseerd. Ter zitting van de rechtbank hebben eisers dit bevestigd. Dit betekent dat de rechtbank uitsluitend een rechtmatigheidsoordeel zal geven over het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de terrassen bij de panden [adres] en [adres] .

4. Eisers voeren aan dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen bij het bestreden besluit. Zij stellen dat het realiseren van de terrassen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege een toename van de geurhinder. Het bestreden besluit achten eisers ten aanzien van dat aspect onvoldoende gemotiveerd. Het hieromtrent uitgebrachte rapport van Witteveen+Bos is volgens hen onvolledig en onzorgvuldig tot stand gekomen en had dan ook niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd mogen worden. Ditzelfde argument gaat volgens eisers ook op voor het rapport van Van Kooten, gelet op de door hen ingebrachte rapportage van geluidbureau Valersi (Valersi) van

22 maart 2019. Daarmee is ook niet aannemelijk gemaakt dat hun belangen voldoende zijn meegewogen, aldus eisers. Doordat de terrassen op 2 meter vanaf de gevel mogen worden opgericht kunnen eisers naar hun mening slechts beperkt onderhoud uitvoeren aan hun voorgevel. Ten slotte voeren eisers aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de veiligheid van terrasbezoekers. Bij brief van 16 augustus 2019 hebben eisers nog een rapport van Post Acoustics (Post) van 13 augustus in het geding gebracht.

5.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “’t Spreeuwenest”. Op de percelen waar de terrassen zijn voorzien rust de enkelbestemming “Verkeer-Verblijfsgebied”, met functieaanduiding “detailhandel” en de dubbelbestemming “Waterstaat-Waterkering”.

Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor “Verkeer-Verblijfsgebied” aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen met een functie voor verblijf en verplaatsing;

b. fiets- en voetpaden;

c. parkeerplaatsen;

d. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' tevens voor ambulante detailhandel, mede ten behoeve van evenementen;

e. bijbehorende voorzieningen, zoals bermen, beplatingen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, abri's, groen en water.

Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Waterstaat-Waterkering” aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor waterkering.

5.2

Aangezien terrassen niet worden genoemd in de doeleindenomschrijving van de enkelbestemming “Verkeer-Verblijfsgebied”, is de aanvraag in strijd met artikel 4.1 van de planregels.

5.3

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking – voor zover van belang – het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein.

6.1

Vast staat dat het realiseren van terrassen ter plaatse niet in overeenstemming is met de bestemmingsplanregels, maar wel voldoet aan onderdeel 9 van artikel 4 van bijlage II van het Bor. Verweerder was dus bevoegd van het bestemmingsplan af te wijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo.

6.2

Bij de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo komt verweerder, in aanmerking genomen de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan verweerder is toegekend, beleidsruimte toe. Bij de beslissing om al dan niet van het bestemmingsplan af te wijken moeten alle daarbij betrokken belangen in aanmerking worden genomen. Geluid- en geuroverlast zijn in dat verband ruimtelijk relevante belangen die hierbij een rol kunnen spelen.

6.3

Verweerder heeft medewerking aan afwijking van het bestemmingsplan verleend ten behoeve van de terrassen, omdat (1) het gebruikelijk is dat horecaondernemingen in een centrumgebied beschikken over een terras op het aangrenzende terrein als er voldoende ruimte overblijft voor het verkeer en parkeren, (2) ter plaatse sprake is van brede stoepen zonder parkeerplaatsen voor auto’s, (3) uit het advies van de gemeentelijke verkeerskundige van 1 juni 2018 blijkt dat de terrassen voldoen aan de minimale afstandseis van 2 meter ten behoeve van voetgangers, voldoende ruimte overblijft voor het verkeer en niet ten koste gaan van de verkeersveiligheid en de terrassen niet leiden tot een vergroting van de parkeerbehoefte, (4) in het bestemmingsplan ter plaatse de functieaanduiding “detailhandel” is opgenomen, (5) het oprichten van bouwwerken geen deel uitmaakt van de aanvraag, (6) ter plaatse slechts “lichte horeca” is toegestaan in hoofdzaak voor het verstrekken van etenswaren en maaltijden en (7) het plan past in het gemeentelijk beleid en voldoet aan het criterium van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast is verweerder blijkens het bestreden besluit van mening dat het voorgenomen gebruik van de horecaterrassen niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van eisers. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de reactie van Van Kooten van 4 april 2019 op het rapport van Valersi blijkt dat Valersi is uitgegaan van een extreme situatie op basis van een worst case scenario, dat niet representatief is.

6.4

De rechtbank stelt vast dat in het rapport van Van Kooten van 2 november 2018 is uitgegaan van het gebiedstype gemengd gebied, waarvoor vanwege het stemgeluid van bezoekers van de terrassen kan worden uitgegaan van een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 55 dB(A) en een maximale piekbelasting van 70 dB(A). Verder is er vanuit gegaan dat het terras bij [adres] door maximaal 8 personen zal worden gebruikt, bij Kerkweg 2 door maximaal 20 personen, dat beperkingen in openingstijden gelden en is uitgegaan van een gemiddelde bezetting van de terrassen van 75%. Berekeningen laten volgens dit rapport zien dat de etmaalwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau nergens meer dan 52 dB(A) bedraagt, hetgeen lager is dan de maximaal aanvaardbare waarde van 55 dB(A). De hoogst optredende etmaalwaarde bedraagt 70 dB(A), hetgeen overeenkomt met de aanvaardbaar geachte waarde.

Daarnaast wordt vastgesteld dat blijkens de nadere reactie van Van Kooten van 7 december 2018 de opmerkingen van eisers over het rapport van 2 november 2018 geen reden zijn om aan de uitgangspunten en uitkomsten van dat rapport te twijfelen.

6.5

In het bij het beroepschrift overgelegde geluidrapport van Valersi van 22 maart 2019, waarbij eveneens is uitgegaan van het gebiedstype gemengd gebied, mag de langtijdgemiddelde grenswaarde, in tegenstelling tot de waarde die Van Kooten heeft gehanteerd, in de avond geen 50 dB(A), maar slechts 45 dB(A) bedragen. In dit geval wordt daaraan volgens Valersi niet voldaan, omdat de berekende langtijdgemiddelde waarde

55 dB(A) bedraagt. Valersi acht daarnaast niet aannemelijk dat de gemiddelde bezettingsgraad van de terrassen 75% zal bedragen en stelt ook het aantal zitplaatsen per terras ter discussie. Verder gaat Valersi uit van een hoger bronvermogen van het menselijk stemgeluid dan Van Kooten en neemt tot uitgangspunt dat 1 op de 2 bezoekers van het terras praat in plaats van 1 op de 4. Daarnaast gaat Valersi er vanuit dat het terras bij Kerkweg 2 tot 23:00 uur geopend mag zijn en dat er alcoholische dranken geschonken worden. Ook heeft Valersi voor de berekeningen andere bronhoogten gebruikt. De door Valersi uitgevoerde berekeningen leveren een langtijdgemiddelde etmaalwaarde van 63 dB(A) op en een maximum etmaalwaarde van ruim 80 dB(A) indien er op de terrassen wordt geschreeuwd.

6.6

Uit de aan de exploitant van restaurant MiddenIn verleende exploitatievergunning leidt de rechtbank af dat het bij die inrichting behorende terras gedurende 7 dagen per week tot 21:30 uur geopend mag zijn (voorschrift 6 van bijlage I), dat een terras voor maximaal 20 personen aanwezig mag zijn (voorschrift 20), dat voor het schenken van alcoholische dranken buiten de openbare inrichting een aparte ontheffing moet worden aangevraagd (voorschrift 23) en dat op het terras een rookverbod geldt (voorschrift 24).

Uit de aan de exploitant van City Döner Maasland verleende exploitatievergunning blijkt dat het bij die inrichting behorende terras gedurende 7 dagen per week eveneens tot 21:30 uur geopend mag zijn (voorschrift 6 van bijlage I), dat een terras voor maximaal 8 personen aanwezig mag zijn (voorschrift 21), dat voor het schenken van alcoholische dranken voor de gehele inrichting een aparte ontheffing moet worden aangevraagd (voorschrift 22) en dat op het terras eveneens een rookverbod geldt (voorschrift 25).

7.1

Zoals onder 5.3 is vermeld kan een omgevingsvergunning in dit geval slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In deze zaak gaat het om de vraag of de aspecten geluid en geur in de weg staan aan een goed woon- en leefklimaat.

7.2

Aangezien uit de exploitatievergunningen blijkt dat op de terrassen behorende bij [adres] en [adres] niet mag worden gerookt, kan dat aspect naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat buiten beschouwing blijven. Gelet op hetgeen in de notitie van Witteveen+Bos van 21 november 2018 en de nadere reactie van 19 december 2018 is opgemerkt over de hinder van geur van maaltijden die op de terrassen zullen worden genuttigd, zal het aspect geur afkomstig van de terrassen naar verwachting geen belemmering vormen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Aangegeven is dat zowel de sterkte van de geuremissie als de tijdsduur onvoldoende zijn om op enige afstand tot onacceptabele geurhinder te kunnen leiden. Volgens Witteveen+Bos is het niet aannemelijk dat niet aan de gangbare geurnormering kan worden voldaan. De rechtbank ziet geen aanleiding deze conclusies niet te volgen.

7.3

Voor het beoordelen van geluidhinder wordt gebruik gemaakt van richt- en grenswaarden. Zo kan bijvoorbeeld voor de geluidbelasting van de gevels van omwonenden aansluiting worden gezocht bij de hoogte van het (referentieniveau van het) omgevingsgeluid of richtwaarden die samenhangen met de aard van de woonomgeving. Hiervoor biedt met name de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 2009 (de VNG-brochure) handvatten. Ook kan aansluiting worden gezocht bij de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit).

7.4

Verweerder heeft zich op basis van het rapport van Van Kooten van 2 november 2018 en de nadere toelichting van 7 december 2018 op het standpunt gesteld dat ter plaatse van de woningen van eisers ook na de ingebruikname van de terrassen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Om dat te kunnen bepalen heeft Van Kooten als uitgangspunt genomen de streefwaarden en normen die in de VNG-brochure worden genoemd. Valersi en Post komen daarentegen tot de conclusie dat niet aan deze normen wordt voldaan, zodat door de ingebruikname van de terrassen niet langer kan worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van eisers.

7.5

De rechtbank acht de vrees van eisers voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van stemgeluid afkomstig van de vergunde terrassen, met name in de avondperiode, niet zonder grond, nu de terrassen aan de [adres] en [adres] zich direct onder de woningen van eisers bevinden en doorlopen tot aan de voorgevel van hun woningen. Verweerder moet in dit geval in dit kader met akoestisch onderzoek aantonen dat de geluidsbelasting op de gevel van de woningen van eisers voldoet aan de geluidswaarden als opgenomen in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure. Deze geluidswaarden bedragen - in gemengd gebied - in eerste instantie 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en 70 dB(A) voor het maximale piekniveau (stap 2). Bij overschrijding van deze waarden, zoals in dit geval, is planologische inpassing nog steeds mogelijk, bij een geluidswaarde van - eveneens in gemengd gebied - maximaal 55 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en 70 dB(A) voor het maximale piekniveau (stap 3). Verweerder moet dan motiveren waarom deze geluidsbelasting in het concrete geval acceptabel is, waarbij de cumulatie met de reeds bestaande geluidsbelasting moet worden betrokken in de besluitvorming.

7.6

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van Valersi van 22 maart 2019 niet worden afgeleid dat het rapport van Van Kooten van 2 november 2018 onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan dusdanige gebreken kleven dat verweerder op grond daarvan dat rapport niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat in de reactie van Van Kooten van 4 april 2019 is vermeld dat Valersi is uitgegaan van een extreme situatie op basis van een worstcasescenario, dat niet representatief is. Valersi heeft onder meer ten onrechte het aantal zitplaatsen per terras ter discussie gesteld, nu het maximaal aantal bezoekers per terras is vastgelegd in de exploitatievergunningen. Uit de stukken volgt ook dat Valersi er ten onrechte vanuit gaat dat het terras bij Kerkweg 2 tot 23:00 uur geopend mag zijn, aangezien uit de exploitatievergunningen blijkt dat de terrassen slechts tot 21:30 uur open mogen zijn. Hetgeen Valersi heeft opgemerkt over de gemiddelde bezettingsgraad van de terrassen, het bronvermogen van het stemgeluid en het aantal terrasbezoekers dat tegelijkertijd praat acht de rechtbank door Van Kooten in zijn reactie van 4 april 2019 voldoende gemotiveerd weerlegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft ten aanzien van dit punt, zoals onder meer weergegeven in haar uitspraken van 2 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:8) en van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2904), overwogen dat een beoordeling van het geluidaspect op representatieve uitgangspunten dient te zijn gebaseerd en dat verweerder niet gehouden is uit te gaan van een worstcasescenario. De rechtbank ziet in het rapport van Valersi geen reden voor de conclusie dat de door Van Kooten gekozen uitgangspunten niet als representatief hebben te gelden.

7.7

Daarnaast acht de rechtbank van belang dat blijkens het advies van Van Kooten van

4 april 2019 de geluidbelasting op de gevels van de woningen van eisers aan de Kerkweg, vanwege wegverkeerslawaai, 62 dB(A) bedraagt, hetgeen aanzienlijk hoger is dan de geluidbelasting op die gevels vanwege het stemgeluid op de terrassen.

Verweerder heeft zich blijkens het verweerschrift op het standpunt gesteld dat deze geluidbelasting zich weliswaar (volgens de bij het geldende bestemmingsplan behorende toelichting) pas in het prognosejaar 2022 zal voordoen, maar dat er, gelet op het gehanteerde autonome groeipercentage van het aantal voertuigen per jaar kan worden uitgegaan dat die waarde nu reeds ver boven 52 dB(A) ligt. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het akoestisch onderzoek dat als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd.

De rechtbank ziet geen reden om deze motivering van verweerder voor onjuist te houden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in het geluidrapport van Oranjewoud van 20 maart 2012 is vermeld dat uit telgegevens van de gemeente is gebleken dat in 2011 de verkeersintensiteit op de Kerkweg 2.539 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Verder is in dit rapport uitgegaan van een autonoom groeipercentage van het aantal motorvoertuigen van 1,5 per jaar, hetgeen tot 2.991 voertuigbewegingen per etmaal in het prognosejaar 2022 leidt. Berekeningen laten zien dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting op de gevel aan de Kerkstraat in dat jaar 60 dB(A) zal bedragen. In 2018, ten tijde van het primaire en het bestreden besluit, zal, eveneens uitgaande van hetzelfde groeipercentage, het aantal voertuigbewegingen dat per etmaal van de Kerkstraat gebruik maakt slechts circa 6,5% minder (2.806 in plaats van 3.000) bedragen dan waarvan Oranjewoud in het prognosejaar is uitgegaan. Dit betekent dat het er voor moet worden gehouden dat ook in 2018 de langtijdgemiddelde geluidbelasting op de gevels van de woningen van eisers aan de Kerkweg vanwege verkeerslawaai meer dan 52 dB(A) bedraagt, zijnde de door Van Kooten berekende etmaalwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van de woningen van eisers als gevolg van het stemgeluid op de terrassen.

7.8

In het door eisers overgelegde rapport van Post Acoustics (Post) van 13 augustus 2019 is geconcludeerd dat het geluidniveau in de woningen van eisers door Van Kooten ten onrechte niet bij het akoestisch onderzoek is betrokken. Dat geluidniveau laat volgens Post ernstige overschrijdingen zien van de norm veroorzaakt door stemgeluid vanaf het onderliggende terras. Daarnaast acht Post het door Van Kooten gebruikte cijfermateriaal zeer gedateerd, omdat ten onrechte is uitgegaan van één geluidbron per tafel en is het rapport niet gebaseerd op de feitelijke bedrijfssituatie van restaurant MiddenIn.

7.9

Ter zitting heeft verweerder, mede aan de hand van een nadere reactie van Van Kooten, commentaar gegeven op het rapport van Post. Volgens verweerder mag er van worden uitgegaan dat de gevels van de woningen van eisers voldoen aan het Bouwbesluit, omdat het nieuwbouwwoningen betreft. Daarnaast bedraagt volgens Van Kooten, uitgaande van een geluidwering van de gevel van het gebouw van 20 dB(A) en een etmaalwaarde van 52 dB(A) op de gevel, zoals berekend door Post, de etmaalwaarde in de woningen van eisers 32 dB(A). Aangezien deze waarde onder 35 dB(A) ligt, wordt nog altijd voldaan aan het criterium van een goed woon- en leefklimaat. Verder heeft Van Kooten er in zijn reactie op gewezen dat Post voor de berekeningen van de geluidniveaus een niet representatief spectrum voor stemgeluid heeft gehanteerd. Ook indien wordt uitgegaan van een bronvermogen van het stemgeluid van 70 dB(A) -zoals Post heeft gedaan-, zal volgens Van Kooten nog sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat, omdat in dat geval de maximale belasting op de gevel 55 dB(A) zal bedragen, zodat mag worden verwacht dat de binnenwaarde niet meer dan 35 dB(A) zal bedragen. Met betrekking tot hetgeen Post heeft opgemerkt over het aantal bezoekers dat tegelijkertijd op het terras praat heeft Van Kooten in zijn reactie aangegeven dat op basis van de door verweerder aangeleverde informatie is uitgegaan van hoofdzakelijk rustige terrassen in een dorpse setting, waarbij één persoon per tafel spreekt, als gemiddelde geen onredelijke aanname is.

7.10

De rechtbank is, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat de stelling van eisers dat hun woningen niet aan het Bouwbesluit 2012 voldoen ten aanzien van geluidisolatie hen niet kan baten, omdat dit geen aspect is waarmee verweerder bij de beoordeling van deze aanvraag rekening had moeten houden. In de eerste plaats is immers de geluidbelasting op de gevel van een gebouw bepalend voor de vraag of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Als blijkt dat op de gevel aan de grenswaarden wordt voldaan is er -zeker in geval van nieuwbouw zoals in dit geval- naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de geluidniveaus in de woningen te onderzoeken, omdat er van mag worden uitgegaan dat de gevelwering tenminste 20 dB(A) bedraagt, zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit 2012. Indien daaraan niet wordt voldaan, zoals blijkt uit het rapport van Post, is hier een taak voor de eigenaar van de woningen weggelegd om dit gebrek te herstellen. Vergunninghoudster heeft ter zitting verklaard dat geconstateerde gebreken op dit punt worden hersteld.

Voorts heeft Post de stelling van Van Kooten dat hij in zijn rapport van 13 augustus 2019 van een niet representatief geluidspectrum is uitgegaan ter zitting niet weersproken. Daarom ziet de rechtbank in het rapport van Post geen aanleiding om de uitkomsten van de rapporten van Van Kooten in twijfel te trekken.

Aangezien uit de aan restaurant MiddenInn verleende exploitatievergunning blijkt dat voor het schenken van alcoholische dranken buiten de openbare inrichting een aparte ontheffing moet worden aangevraagd, waarvan niet gebleken is dat die is verleend, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om het door Post gehanteerde bronvermogen van het stemgeluid van de bezoekers op de terrassen van 70 dB(A) te hanteren. Dat bronvermogen is immers gebaseerd op personen die alcohol drinken of hebben gedronken.

Daarnaast heeft verweerder er naar het oordeel van de rechtbank van mogen uitgaan dat het hier om hoofdzakelijk rustige terrassen in een dorpse setting gaat, waarbij gemiddeld één persoon per tafel spreekt. De rechtbank onderschrijft hetgeen Van Kooten hieromtrent in zijn advies van 4 april 2019 en in zijn ter zitting naar voren gebrachte reactie heeft opgemerkt.

Verder is Van Kooten naar het oordeel van de rechtbank in zijn rapporten terecht uitgegaan van hetgeen is vermeld in de aan restaurant MiddenInn verleende exploitatievergunning en niet van de feitelijke bedrijfssituatie van dat restaurant zoals die zich thans voordoet.

Indien de feitelijke situatie ter plaatse niet overeenkomt met hetgeen is vergund, betreft dit naar het oordeel van de rechtbank een handhavingskwestie, die in het kader van de beoordeling van een verleende omgevingsvergunning geen rol kan spelen.

7.11

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank in het rapport van Post evenmin reden voor de conclusie dat de door Van Kooten gekozen uitgangspunten niet als representatief hebben te gelden en om de uitkomsten van de rapporten van Van Kooten in twijfel te trekken. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat Post op pagina 7 van zijn rapport vermeldt dat de door Van Kooten berekende etmaalwaarde op de gevel van 52 dB(A) juist kan zijn indien sprake is van lichte horeca, zoals vergund. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de rapporten van Van Kooten van 2 november 2018 en 7 december 2018 dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

7.12

Aangezien de terrassen na 21:30 uur niet meer mogen worden gebruikt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een onaanvaardbare achteruitgang van het woon- en leefklimaat van eisers als gevolg van de ingebruikname van de terrassen aan de [adres] en [adres] .

7.13

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken gebruik heeft kunnen maken.

8.1

Hetgeen eisers hebben gesteld over de veiligheid van de bezoekers van de terrassen stuit naar het oordeel van de rechtbank af op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien de ingeroepen rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers.

8.2

Datzelfde geldt voor de stelling van eisers dat de terrassen niet op de voorziene locaties mogen worden opgericht in verband met het daardoor niet kunnen uitvoeren van onderhoud aan de voorgevel van hun woningen, aangezien zij huurders zijn van de woningen en geen eigenaren van het pand.

9. Het voorgaande betekent dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning en die vergunning bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd.

10. Het beroep is dan ook ongegrond.

11. Gelet op de uitkomst van het beroep, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.