Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:939

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2327
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Niet aannemelijk is geworden dat de brief met het primaire besluit de afdeling/print- en verzendingsdienst heeft verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/2327

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R.H. de Roy van Zuydewijn).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de registratie van eiser als ingeschreven persoon van de Gemeente Den Haag beëindigd met ingang van 2 mei 2017 en heeft de bijhouding van de persoonslijst van eiser in de Basisregistratie Personen (BRP) opgeschort.

Eiser heeft bij brief van 20 december 2017 tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 21 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 1 mei 2018 heeft eiser de gronden aangevuld.

Verweerder heeft bij brief van 1 mei 2018 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 juni 2018 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Bij brief van 7 december 2018 heeft eiser hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2018.

Eiser is niet in persoon verschenen, doch heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door

Z. Kahveci.

Overwegingen

1.1

Eiser stond voorafgaande aan het primaire besluit geregistreerd in de BRP op een zogeheten briefadres, [adres] in [plaats], omdat eiser op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had en een bijstandsuitkering ontving waarvoor hij zich bereikbaar moest houden voor de dienst DSZW van verweerder. Voor de inschrijving op het briefadres was aan eiser onder voorwaarden toestemming verleend door de DSZW.

1.2

Omdat verweerder op 14 februari 2017 een melding van de DSZW heeft ontvangen dat de toestemming aan eiser voor gebruik van het briefadres was ingetrokken, is aan eiser bij brief van 14 februari 2017 een informatieverzoek verstuurd, ten einde eiser in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat hij op het briefadres weldegelijk bereikbaar is.

1.3

Nadat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het informatieverzoek, heeft verweerder op 2 mei 2017 aan eiser, naar het briefadres, een voornemen “wijziging adres in de BRP” verzonden. In het voornemen is aan eiser een termijn van twee weken gegeven om persoonlijk langs te komen op een stadsdeelkantoor en documenten over te leggen om aan te tonen dat eiser nog wel op het briefadres bereikbaar is. Eiser is er daarbij op gewezen dat indien hij dat niet doet, hij in de BRP geregistreerd kan worden als “vertrokken met onbekende bestemming”, met als gevolg dat eiser dan bijvoorbeeld geen huurtoeslag of een uitkering kan aanvragen.

1.4

Op 16 mei 2017 is eiser in persoon verschenen op een stadsdeelkantoor om te reageren op het voornemen. Omdat eiser (blijkens een notitie in het systeem) daarbij geen nieuwe toestemming briefadreshouding had en verdere medewerking weigerde, en ook verder onderzoek van verweerder (aanschrijving van familieleden van eiser) niets heeft opgeleverd, heeft verweerder het primaire besluit genomen en eiser uitgeschreven van de BRP met ingang van 2 mei 2017.

2. Op 19 september 2017 heeft verweerder van DSZW een schriftelijk verzoek ontvangen om eiser opnieuw op hetzelfde briefadres te registreren. Bij dit verzoek was een schriftelijke toestemming van DSZW gevoegd. Verweerder heeft hierop eiser met ingang van 19 september 2017 weer in de BRP geregistreerd op het briefadres.

3. Eiser heeft bij brief van 20 december 2017 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

4. Bij brief van 4 januari 2018 is aan eiser de ontvangst van het bezwaarschrift op

22 december 2017 bevestigd. Eiser is daarbij medegedeeld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en is hem een termijn van twee weken verleend om een reden voor de termijnoverschrijding te geven.

Eiser heeft hierop niet gereageerd.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, zonder eiser op het bezwaar te hebben gehoord, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften van 12 februari 2018.

6. Eiser voert in de beroepsgronden aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Primair stelt eiser zich op het standpunt dat het primaire besluit niet rechtsgeldig bekend is gemaakt als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hij het primaire besluit niet heeft ontvangen en van het bestaan van dat besluit eerst op 20 december 2017 op de hoogte is geraakt bij een telefonisch onderhoud en vervolgens zo snel mogelijk een bezwaarschrift heeft ingediend.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4154), volgt dat in geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het betrokken stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het document is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.

7.2

Verweerder heeft bij brief van 8 juni 2018 stukken met betrekking tot de bekendmaking van het primaire besluit ingediend en heeft daarbij, alsmede ter zitting, aan de hand van die stukken de volgende toelichting gegeven.

Het onderzoeksdossier is op 21 juli 2017 afgesloten en op deze datum is het primaire besluit genomen. Dit primaire besluit is samen met nog 42 documenten (brieven) op 21 juli 2017 geplaatst in een pdf-bestand, in een batch, en aldus digitaal aangeboden aan de afdeling Multimedia voor het printen, couverteren, frankeren en aanbieden aan PostNL. De 43 stukken zijn in bulk aangeboden en in bulk uitgeprint. Dit is de reden waarom op het primaire besluit geen stempel met “verzonden” is geplaats.

Op het overgelegde Opdracht Formulier Postkamer (waarop het planonummer, omschrijving opdracht “Mailing: [omschrijving]” en oplage “43” zijn te zien) is met de hand een ondertekening door de operator en een “V”, dat voor afgevinkt staat, geplaatst en bijgeschreven “43 post NL”. Dit formulier is het geleidebriefje dat met de 43 stukken van de pdf, naar PostNL is gegaan op 21 juli 2017.

Een medewerker van de print- en verzendservice, [X], heeft in een e-mail van 8 juni 2018 – waarbij het getekende Opdracht Formulier Postkamer (het geleidebriefje) is gemaild – aangegeven dat er 43 stukken gecouverteerd zijn en dat er uiteindelijk ook 43 richting PostNL gegaan zijn. Dat aantal correspondeert met het aantal stukken in de pdf.

Verweerder heeft het pdf-bestand ingezien en geconstateerd dat daarin ook het primaire besluit van eiser zit. Deze vaststelling, het getekende Opdracht Formulier Postkamer en de mail van de voornoemde medewerker, bewijzen volgens verweerder dat het primaire besluit op 21 juli 2017 aan PostNL ter verzending is aangeboden.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij van PostNL geen bewijs heeft dat de stukken ook in ontvangst zijn genomen. Verweerder heeft gesteld dat hij van PostNL nooit een bevestiging van verzending ontvangt.

7.3

Namens eiser is aangevoerd dat met de door verweerder overgelegde stukken en gegeven uitleg niet is aangetoond dat het primaire besluit daadwerkelijk op 21 juli 2017 aan PostNL ter verzending is aangeboden. Dat verweerder geen ontvangstbewijs van PostNL kan overleggen, is bevreemdend, nu de eerdergenoemde medewerker van verweerder in een andere mail, van 6 juni 2018, met betrekking tot het opvragen van verzendbewijs vermeldt dat alleen nog gekeken moet worden wat de informatie vanuit PostNL vertelt en dat hij hoopt daar dezelfde dag nog even op terug te komen.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verstrekte informatie niet heeft aangetoond dat de brief met het primaire besluit daadwerkelijk bij PostNL is aangekomen. Met de overgelegde stukken en gegeven toelichting is enkel aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit op 21 juli 2017 de afdeling heeft bereikt waar digitaal aangeleverde brieven worden uitgeprint, gecouverteerd en geklaard voor aanbieding aan PostNL, maar niet dat het primaire besluit één van de 43 stukken is, waarop het overgelegde Opdracht Formulier Postkamer ziet. Ook is niet aannemelijk geworden dat de brief met het primaire besluit die afdeling/print- en verzendingsdienst op 21 juli 2017 heeft verlaten. Onder deze omstandigheden valt bij gebrek aan informatie over de ontvangst van de brief met het primaire besluit door PostNL, niet met zekerheid vast te stellen dat die brief PostNL daadwerkelijk heeft bereikt.

Bij die stand van zaken kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat het primaire besluit daadwerkelijk op 21 juli 2017 is verzonden. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Nu het primaire standpunt van eiser slaagt, behoeft zijn subsidiaire standpunt geen bespreking.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikelen 6:8, 6:9 en 3:41 van de Awb. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

9. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van het griffierecht, omdat eiser, op zijn verzoek, door de rechtbank vrijgesteld is van de verplichting tot betaling van het griffierecht.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.