Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9388

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
09/777052-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak poging tot afpersing en/of een poging tot diefstal met geweld of een bedreiging. Vrijspraak diefstal met braak. Bewezenverklaring opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777052-19

Datum uitspraak: 1 augustus 2019

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft dit vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

[adres] .

1 Het onderzoek op de zitting

Het onderzoek is gehouden op de zitting van 18 juli 2019.

De officier van justitie in deze zaak was mr. C. van den Heuvel en de raadsvrouw van de verdachte was mr. I.A. Groenendijk, advocaat te Den Haag.

2 De tenlastelegging

De verdachte wordt beschuldigd van een poging tot afpersing (feit 1 primair eerste cumulatief/alternatief) en/of een poging tot diefstal met geweld (feit 1 primair tweede cumulatief/alternatief) of een bedreiging (feit 1 subsidiair).

Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van een diefstal met braak van een scooter, samen met een ander gepleegd (feit 2 primair), dan wel opzetheling van die scooter

(feit 2 subsidiair).

Deze feiten staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage 1 deel uitmaakt van dit vonnis.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, alsmede het onder feit 2 primair aan hem ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de camerabeelden betreffende feit 1 voorwaardelijk verzocht om, mocht er bij de rechtbank twijfel bestaan over wat er op de camerabeelden te zien is, deze beelden dan aan het dossier te laten toevoegen om ze vervolgens te kunnen bekijken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair vrijspraak bepleit.

Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er ongeveer een uur tussen het feit en de aanhouding van de verdachte op de Thorbeckelaan in Den Haag zit, dat de verdachte voor dat uur een alibi heeft in die zin dat hij op 5 april 2019 van 22:00 uur tot 00:00 uur bij [naam 1] was en dat [naam 1] dit ook bij de politie heeft bevestigd. De verklaring van [naam 2] ondersteunt dit alibi eveneens.

De verdachte ontkent bovendien ook uitdrukkelijk dat hij te zien is op het beeldmateriaal.

Het beeldmateriaal geeft juist contra-indicaties, aldus de raadsvrouw. De schoenen van de verdachte komen namelijk niet overeen met de schoenen die op de beelden zichtbaar zijn, de beelden waarop onder andere een rood Nike logo op de schoenen van de overvaller is waar te nemen. Ook de jas komt niet overeen, met name niet vanwege de lijnen op de schouders en het feit dat de jas van de verdachte, anders dan de jas die op de beelden is te zien, geen logo op de linkerborst heeft. Voorts had de verdachte - anders dan een van de overvallers - geen witte sokken aan, zoals bijvoorbeeld te zien is op pagina 91 van het procesdossier en is het postuur van verdachte anders dan het postuur van de overvaller zoals te zien op pagina 96 van het dossier.

De raadsvrouw heeft voorts gesteld geen overeenkomsten te hebben geconstateerd tussen de handschoenen van de verdachte en die van een van de overvallers. De broek die de verdachte aanhad, is bovendien niet specifiek en onderscheidend, omdat heel veel mensen een dergelijke trainingsbroek hebben. Ook ten aanzien van de strepen op de helm van de verdachte, die op de beelden op pagina 109 van het procesdossier te zien zijn, geeft de raadsvrouw aan andere kenmerken te zien. Op grond van het beeldmateriaal kan dus niet geconcludeerd worden dat het postuur, de kleding en de schoenen van de verdachte overeen zouden komen met die van een van de overvallers.

Tot slot heeft de verdachte een aannemelijk alternatief scenario geschetst wat betreft de scooter die bij het feit gebruikt is.

Met betrekking tot feit 2 primair heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. Hoewel de aangifte van diefstal van de betreffende scooter kort voor de aanhouding van de verdachte op deze scooter is gedaan, blijkt niet uit de bewijsmiddelen dat het de verdachte is geweest die de scooter heeft weggenomen. De periode waarin de scooter volgens de aangever zou zijn weggenomen strookt niet met de verklaringen van de verdachte en zijn broertje [naam 2] , inhoudend dat de verdachte de scooter daarvoor al voorhanden had. De aangever vergist zich dus mogelijk. De vriend van de aangever, die de scooter voorafgaand aan het wegnemen zou hebben neergezet, is ook niet gehoord over het tijdstip waarop hij de scooter heeft neergezet.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zich daarbij op het standpunt gesteld dat in het geval van een bewezenverklaring dit feit gekwalificeerd zou moeten worden als een schuldheling, nu de verdachte over sleutels van de scooter beschikte en niet wist dat hij gestolen was.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

De rechtbank stelt allereerst vast dat het voorwaardelijke verzoek zoals gedaan door de officier van justitie geen beslissing meer behoeft, nu hierop reeds ter zitting is beslist.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten, die volgen uit het strafdossier en het verhandelde te terechtzitting, hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 4 april 2019 is omstreeks 23:15 uur geprobeerd avondwinkel [naam 3] in Den Haag te overvallen. Daarbij maakten de twee daders gebruik van een scooter met [kenteken] . De verdachte is op 5 april 2019 om 00:19 uur aangehouden op dezelfde scooter, dus ruim één uur later.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte een van de twee daders is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Het dossier bevat onder meer foto’s van de kleding die de verdachte bij zijn aanhouding droeg, een beschrijving door een verbalisant van deze kleding, stills van camerabeelden van de avondwinkel waarop de kleding van de overvallers is te zien, beschrijvingen van verbalisanten van deze kleding en een vergelijking door een verbalisant van de kleding van de verdachte en een van de daders. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze stukken en het verhandelde ter zitting echter niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die omstreeks 23:15 uur in de avondwinkel was.

De verdachte heeft steeds ontkend betrokken te zijn geweest bij de overval. De rechtbank acht het alternatieve scenario zoals de verdachte dit heeft geschetst, namelijk dat hij de scooter voorafgaand aan de poging overval naar een ander heeft gebracht die het feit vervolgens samen met een derde zou hebben gepleegd en die daarna de scooter weer naar hem heeft teruggebracht, niet onaannemelijk en in elk geval wordt deze lezing naar het oordeel van de rechtbank niet weersproken door de inhoud van het dossier.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrij spreken van feit 1 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief en feit 1 subsidiair.

Feit 2

Primair

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte feit 2 primair, de diefstal in vereniging met braak van een scooter, heeft begaan.

Uit de bewijsmiddelen komt niet eenduidig naar voren op welk moment de scooter (in goede orde) is achtergelaten en wanneer de scooter is gestolen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom ook niet worden vastgesteld dat de tijdspanne tussen het voorhanden hebben van de scooter door de verdachte en de diefstal zodanig kort is geweest, dat dit voldoende redengevend kan zijn voor het bewijs van diefstal door de verdachte.

De verdachte dient daarom van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Subsidiair

Aangezien de verdachte het subsidiaire feit, de heling van de scooter, heeft bekend, hij daarna niet anders heeft verklaard en er namens hem ook geen vrijspraak voor dat feit is bepleit, kan de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank heeft bij de beoordeling de volgende bewijsmiddelen1 gebruikt:

- het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte (p. 11-15);

- het proces-verbaal van verhoor van de verdachte (p. 27-34);

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] (p. 116-118).

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van

2 april 2019 tot en met 4 april 2019 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de scooter (merk Aprilia type VF met [kenteken] ). Ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde overweegt de rechtbank dat de verdachte wist dat het om een gestolen scooter ging en hij deze uit winstbejag onder zich hield.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat feit 2 subsidiair volgens de wet bewezen kan worden en de rechtbank is er ook van overtuigd dat de verdachte dit bewezenverklaarde feit heeft gepleegd.

De tekst van deze bewezenverklaring staat in bijlage 2 bij dit vonnis.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het feit is strafbaar.

De verdachte is ook strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, waarvan 94 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om aan de verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) in het rapport van 16 juli 2019 en op de zitting zijn geadviseerd.

Ook heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaarden direct in te laten gaan

(dadelijke uitvoerbaarheid).

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat de verdachte een blanco strafblad heeft. Wat betreft de geadviseerde Elektronische Controle als bijzondere voorwaarde, is naar voren gebracht dat niet is onderzocht of het huisadres van de verdachte daarvoor geschikt is en of de moeder zich tegen deze voorwaarde verzet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Om te bepalen welke straf en/of maatregel voor de verdachte gepast is, kijkt de rechtbank naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en ook naar de persoon van de verdachte.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een scooter. De diefstal die aan deze heling voorafging, heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar en hem is daardoor overlast bezorgd. Door heling wordt voorts in een afzetmarkt voor deze gestolen goederen voorzien en in stand gehouden, waarbij ook indirect van het misdrijf van een ander wordt geprofiteerd.

De persoon van de verdachte

Uit de justitiële documentatie (het strafblad) van de verdachte is duidelijk geworden dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft ook de rapporten van de Raad betreffende de persoon van de verdachte gelezen. De Raad heeft bij bewezenverklaring van de feiten geadviseerd om hem een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht, het meewerken aan elektronische controle voor een periode van 3 maanden en het volgen van onderwijs volgens het lesrooster dan wel het hebben van werk.

Op de zitting is namens de Raad het strafadvies gehandhaafd en is een aanvulling geformuleerd, te weten dat de verdachte ook dient mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek, en dat hij zich dient te houden aan een avondklok van 18:00 uur tot 06:00 uur en een locatiegebod betreffende zijn woonadres zal krijgen.

Het strafadvies van de Raad is gericht op het doen voortzetten van de hulpverlening, om een vinger aan de pols te houden, de verdachte praktisch te begeleiden en in te springen bij eventuele veranderingen in het gedrag van de verdachte in het gezin.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, ook nog rekening gehouden met de oriëntatiepunten die gelden in soortgelijke gevallen. Bij een schade hoger dan € 150,- is dat een taakstraf vanaf 30 uur.

Hoewel de rechtbank de door de Raad geformuleerde doelen ook van belang vindt bij een strafoplegging, acht zij een jeugddetentie en de geadviseerde bijzondere voorwaarden disproportioneel, omdat de rechtbank in deze zaak alleen tot een bewezenverklaring van opzetheling komt. Zij volgt daarom het advies van de Raad niet.

De rechtbank zal alles afwegende aan de verdachte een werkstraf van hierna te melden duur opleggen. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt daarvan afgetrokken.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De straf die de rechtbank zal opleggen, is gebaseerd op de artikelen:

77a, 77g, 77m, 77n en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals ze golden op het moment dat de feiten gepleegd werden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief, 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wel wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dat is volgens de wet:

OPZETHELING;

verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 UREN;

beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 20 DAGEN;

voor elke dag dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal de rechtbank 2 uren van de werkstraf aftrekken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter,

en mr. R.J. Wortelboer kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof griffier,

en is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 1 augustus 2019.

Mr. R.J. Wortelboer en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlagen:

1) De tenlastelegging

2) De bewezenverklaring

Bijlage 1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoeld gedagvaarde persoon is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 04 april 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 5] en/of een tweede persoon die zich in avondwinkel [naam 3] bevond te dwingen tot de afgifte van goederen van zijn gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan avondwinkel [naam 3] en/of [naam 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- op een scooter naar genoemde avondwinkel is gereden en/of

- ( met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand) bij genoemde avondwinkel naar binnen is gelopen en/of

- met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die tweede persoon die zich in genoemde avondwinkel bevond en/of

- die tweede persoon die zich in genoemde winkel bevond heeft vastgepakt en/of heeft geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 04 april 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen goederen van zijn gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan avondwinkel [naam 3] en/of [naam 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 5] en/of een tweede persoon die zich in genoemde avondwinkel bevond, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- op een scooter naar genoemde avondwinkel is gereden en/of

- ( met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand) bij genoemde avondwinkel naar binnen is gelopen en/of

- met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die tweede persoon die zich in genoemde avondwinkel bevond en/of

- die tweede persoon die zich in genoemde winkel bevond heeft vastgepakt en/of heeft geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 april 2019 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam 5] en/of een tweede persoon die zich in avondwinkel [naam 3] bevond heeft bedreigd met

- openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen, en/of

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat en/of

- verkrachting en/of

- feitelijke aanranding van de eerbaarheid en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of

- gijzeling en/of

- zware mishandeling door

- ( met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand) bij genoemde avondwinkel naar binnen te lopen en/of

- met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen te maken in de richting van die tweede persoon die zich in genoemde avondwinkel bevond en/of

- die tweede persoon die zich in genoemde winkel bevond vast te pakken en/of te duwen,

2.

hij op of omstreeks 02 april 2019 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bromfiets/een (brom)scooter (merk Aprilla en/of type VF en/of met [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 4] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen bromfiets/(brom)scooter onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door een kettingslot te forceren;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 2 april 2019 tot en met 4 april 2019 te 's-Gravenhage, een goed te weten een bromfiets/een (brom)scooter (merk Aprilla en/of type VF en/of met [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Bijlage 2. De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

Subsidiair:

hij in de periode van 2 april 2019 tot en met 4 april 2019 te 's-Gravenhage, een goed te weten een (brom)scooter (merk Aprilia type VF met [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Eventuele taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet benadeeld.

1 De hierna genoemde pagina’s zijn terug te vinden in het dossier met het nummer vinden in het dossier van politie Eenheid Den Haag met het nummer PL1500-2019090465 en PL1500-2019090444, pagina’s 1 tot en met 157.