Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9342

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
C/09/570000 / FA RK 19-1926
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Vastgestelde verdeling zorg- en opvoedtaken wordt feitelijk niet meer uitgevoerd. Hiermee wordt al uitvoering gegeven aan hetgeen wordt verzocht in het verzoek tot voorlopige voorziening. Spoedeisend belang is daarmee onvoldoende vast komen te staan. De bodemprocedure kan worden afgewacht nu deze spoedig zal plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Zaaksgegevens: C/09/570000 / FA RK 19-1926

Datum beschikking: 22 augustus 2019

Voorlopige voorziening

Beschikking op het op 21 augustus 2019 ingekomen verzoek van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2006 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

- [minderjarige 3] geboren op [geboortedag 3] 2008 te [geboorteplaats 3]

hierna te noemen: [minderjarige 3] ;

- [minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2015 te [geboorteplaats 4] ,

hierna te noemen: [minderjarige 4] ;

(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. P. Minkes te Amsterdam;

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2]

advocaat: mr. R. van Venetiƫn te Alphen aan den Rijn.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, inhoudende een verzoek tot a. een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede b. het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).

Feiten

  • -

    De rechter heeft de echtscheiding uitgesproken tussen de ouders bij beschikking d.d. 11 juni 2019.

  • -

    De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

  • -

    De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 7 juni 2019 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd van 21 juni 2019 tot 21 juni 2020.

  • -

    De rechtbank heeft bij beschikking d.d. 11 juni 2019 bepaald dat de vader met de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de voormalige echtelijke woning zal verblijven:

o in de oneven weken: van zondag 0.00 uur tot maandagochtend 9.00 uur, alsmede op donderdag van 9.00 uur tot 21.00 uur;

o in de even weken: op woensdag van 12.00 uur tot 21.00 uur, alsmede van vrijdag 16.00 uur tot zaterdag 24.00 uur;

o gedurende de aaneengesloten helft van de schoolvakanties van de kinderen;

o gedurende de helft van de algemeen erkende feestdagen.

Verzoek

Het verzoek ex artikel 223 Rv luidt om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de uitvoering van de zorgregeling tussen de minderjarigen en de vader zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer zolang de ondertoezichtstelling loopt en de vader de zorg voor de minderjarigen op de volgende momenten heeft:

  • -

    in de oneven weken: van zondag 0.00 uur tot maandagochtend 9.00 uur, alsmede op donderdag van 9.00 uur tot 21.00 uur;

  • -

    in de even weken: op woensdag van 12.00 uur tot 21.00 uur, alsmede van vrijdag 16.00 uur tot zaterdag 24.00 uur;

  • -

    gedurende de vakanties geldt dezelfde verdeling als de overige weken, tenzij anders overeengekomen met de gecertificeerde instelling;

  • -

    gedurende de helft van de algemeen erkende feestdagen.

De overige momenten heeft de moeder de zorg voor de minderjarigen.

Het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is inhoudelijk identiek aan het verzoek om een voorlopige voorziening.

Beoordeling

Ingevolge artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv ziet op de dagvaardingsprocedure, maar de Hoge Raad heeft op 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van dit artikel op verzoekschriftprocedures.

Gelijk in artikel 209 Rv voor de dagvaardingsprocedure is bepaald (te weten dat op incidentele vorderingen, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf wordt beslist), heeft de Hoge Raad in genoemde beschikking ten aanzien van de verzoekschriftprocedure overwogen dat het in beginsel aan de rechter is overgelaten of hij, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek aanstonds behandelt en beslist. Hieruit volgt dat degene die een voorlopige voorziening verzoekt niet zonder meer recht heeft op een spoedige behandeling en beslissing. De rechter zal de diverse genoemde belangen moeten afwegen.

De rechtbank constateert dat de gecertificeerde instelling een bodemprocedure heeft ingesteld, waarbij wordt verzocht om een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Voorts hebben zij bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv verzocht om te bepalen dat er een eensluidende zorgregeling wordt vastgesteld. De gecertificeerde instelling stelt dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat de huidige zorgregeling niet haalbaar en wenselijk is voor de ouders en de minderjarigen omdat de vader de minderjarigen momenteel onvoldoende veiligheid kan bieden.

De rechtbank overweegt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening samenhangt met het verzoek in de bodemprocedure tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, zodat de verzochte voorlopige voorziening voldoende samenhang vertoont met de hoofdvordering. Voor de ontvankelijkheid van de gecertificeerde instelling ten aanzien van de voorlopige voorziening is verder vereist dat zij een spoedeisend, van de minderjarigen afgeleid, belang hebben bij het verzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gecertificeerde instelling in het verzoekschrift onvoldoende gesteld om tot de conclusie te komen dat niet van de gecertificeerde instelling, en daarmee de minderjarigen, kan worden gevergd om de afloop van de bodemprocedure af te wachten.

Daartoe overweegt de rechtbank dat de bij beschikking van 11 juni 2019 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedtaken feitelijk al niet meer wordt uitgevoerd. Gedurende de resterende zomervakantie geldt feitelijk reeds dezelfde verdeling als die in de overige weken geldt. Hiermee wordt al uitvoering gegeven aan hetgeen wordt verzocht in het verzoek tot voorlopige voorziening.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening lijkt daarmee tot doel te hebben om de juridische werkelijkheid per direct te laten stroken met de feitelijke werkelijkheid, terwijl die feitelijke werkelijkheid momenteel (wel) voldoende haalbaar en wenselijk wordt geacht voor ouders en kinderen, en de veiligheid van de kinderen.

Daarmee is het spoedeisend belang onvoldoende komen vast te staan. De rechtbank is van oordeel dat de bodemprocedure kan worden afgewacht, nu deze spoedig, zoals verzocht, zal plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de gecertificeerde instelling om een voorlopige voorziening af. De zaak zal verder inhoudelijk worden behandeld in de bodemprocedure op 5 september 2019 te 16.00 uur.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Schreuder, in tegenwoordigheid van mr. K. Plette als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2019.