Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:934

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
C/09/541351 / HA ZA 17-1092
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlopen Europees octrooi - ABC - Selectie-uitvinding - Cinacalcet - Inventiviteit - Onverwacht voordelige eigenschappen - Aannemelijkheid in oorspronkelijke (moeder)aanvrage - Zou vakman selectie gemaakt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/541351 / HA ZA 17-1092

Vonnis van 6 februari 2019

in de zaak van

1 de vennootschap naar vreemd recht ACCORD HEALTHCARE LTD.
te North Harrow, Engeland,

2. ACCORD HEALTHCARE B.V. te Utrecht,

eiseressen,

advocaten mr. R.E. Ebbink en mr. M.G.R. van Gardingen te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht SHIRE-NPS PHARMACEUTICALS INC.
te Lexington MA, Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

De oorspronkelijk met gedaagde gedagvaarde vennootschap naar vreemd recht NPS Pharmaceuticals INC. is gebleken dezelfde vennootschap (onder de oude benaming) als gedaagde te zijn.

Partijen zullen hierna (eiseressen gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud) Accord en NPS genoemd worden.

Voor Accord is de zaak inhoudelijk behandeld door mr. Van Gardingen voornoemd, tezamen met mr. P. Marcelis en mr. D.M.C. Nijhuis, advocaten te Amsterdam, en drs. K.M.L. Bijvank, octrooigemachtigde. Voor NPS is de zaak inhoudelijk behandeld door mr. K.A.J. Bisschop, mr. L. Oosting en mr. H.J. Ridderinkhof, advocaten te Amsterdam, bijgestaan door drs. M. Korsten, octrooigemachtigde.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 september 2017, waarbij Accord verlof is verleend om te procederen volgens het Versneld Regime Octrooizaken (VRO);

  • -

    de dagvaarding van 28 september 2017;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Accord, met producties EP01 tot en met EP21;

  • -

    de conclusie van antwoord van 17 januari 2018, met producties GP01 tot en met GP05;

  • -

    de akte houdende overlegging aanvullende producties van NPS van 25 april 2018, met producties GP06 en GP07;

  • -

    de akte houdende overlegging reactieve productie van Accord van 25 mei 2018, met productie EP22;

  • -

    de brief van NPS van 6 juni 2018, waarin NPS bezwaar maakt tegen productie EP22 van Accord op de grond dat die productie een reactie op de conclusie van antwoord betreft en daarom – kort gezegd – in strijd met een goede procesorde (als reactieve productie in plaats van aanvullende productie) te laat is ingediend;

  • -

    het e-mailbericht van Accord van 7 juni 2018, waarin tegen voormeld bezwaar wordt aangevoerd dat die productie een reactie betreft op aanvullende productie GP07 van NPS en daarmee tijdig en conform het VRO-reglement als reactieve productie is ingediend;

  • -

    het e-mailbericht van de rechtbank van 15 juni 2018 aan partijen, waarin voormeld bezwaar van NPS wordt gepasseerd;

  • -

    het e-mailbericht van NPS van 15 juni 2018, met een gespecificeerd proceskostenoverzicht;

  • -

    de akte houdende overlegging proceskostenoverzicht van Accord, ingekomen op 15 juni 2018, met een gespecificeerd proceskostenoverzicht;

  • -

    de e-mailberichten van partijen van 21 juni 2018, met actuele kostenopgaven;

  • -

    het pleidooi van 22 juni 2018 en de daarbij door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

NPS en Mimpara®

2.1.

NPS is een wereldwijd opererend farmaceutisch bedrijf.

2.2.

NPS heeft met cinacalcet als werkzame stof een geneesmiddel ontwikkeld dat wordt gebruikt voor het behandelen van ziektes en aandoeningen bij mensen, die gepaard gaan met een verstoorde regulatie van het calciumgehalte in bloed en weefselvloeistof (extracellulair). Het geneesmiddel is op de Europese markt verkrijgbaar onder de naam Mimpara®.

2.3.

Een goed werkende regulatie van het extracellulair calciumgehalte is van belang omdat onder meer het stollen van bloed, de stimulering van spieren en zenuwen, en botformatie sterk afhankelijk zijn van de juiste concentratie van extracellulaire calciumionen (Ca²+). Verandering in de concentratie van extracellulair Ca²+ heeft invloed op de functionele respons van diverse cellen in het lichaam, zoals de parathyreoïdcellen in de bijschildklieren.

2.4.

Dit type cel scheidt zogenaamde parathyreoïdhormonen (PTH) af. De PTH- producerende parathyreoïdcellen in de bijschildklieren bevatten extracellulaire eiwitten op het celoppervlak die calciumgevoelige receptoren (hierna (in enkelvoud): de calciumreceptor) bevatten. De calciumreceptor maakt dat de cellen kunnen reageren op veranderingen in de concentratie van extracellulair Ca²+. De hoeveelheid af te scheiden PTH is afhankelijk van de extracellulaire calciumconcentratie. PTH is één van de belangrijkste hormonen waarmee het lichaam de concentratie Ca²+ in het bloed en weefselvloeistof reguleert.

2.5.

Bij een dalende of lage concentratie van Ca²+ hoort de productie en afgifte van PTH door de parathyreoïdcellen te worden gestimuleerd. Vanwege de invloed van PTH op botcellen en niercellen wordt bij een verhoogde afgifte van PTH de opname van Ca²+ in de nieren bevorderd en worden cellen aangezet tot afbraak van botweefsel (botresorptie). Dit heeft tot gevolg dat er meer Ca²+ vrijkomt in het bloed. Een stijgende of hoge concentratie van Ca²+ zal normaal gesproken leiden tot een geremde productie en afgifte van PTH en stimulatie van afgifte van het door de schildklier geproduceerde hormoon calcitonine, met verlies van Ca²+ via de urine en de opname van Ca²+ uit het bloed door de botten tot gevolg, waardoor het extracellulair calciumgehalte daalt.

2.6.

De invloed van Ca²+ op de calciumreceptor kan worden nagebootst door bepaalde verbindingen, die ook wel calcimimetica worden genoemd. Door het toedienen van een calcimimeticum aan een patiënt kan een door ziekte of aandoening verstoorde regulatie van de extracellulaire calciumconcentratie alsnog worden gereguleerd. Cinacalcet, de werkzame stof in Mimpara®, is een dergelijk calcimimeticum.

2.7.

Er bestaan naast calcimimetica ook verbindingen met calcilytische werking. Een calcilytisch molecuul kan het effect van extracellulair Ca²+ op de parathyreoïdcel blokkeren.

2.8.

De werkzaamheid van calcimimetische verbindingen kan worden uitgedrukt in de EC50 waarde. De EC50 waarde is de concentratie van een stof waarbij 50% van het calcimimetisch effect op een bepaald soort cellen wordt waargenomen. Hoe lager de EC50 waarde van een verbinding, hoe hoger de calcimimetische activiteit.

Het octrooi: conclusies en beschrijving

2.9.

NPS was houdster van het op 25 oktober 2015 verlopen Europees octrooi EP 1 203 761 B1 voor cinacalcet (of een farmaceutisch aanvaardbaar zout of complex ervan) met als titel ‘Calcium receptor-active compounds’ (hierna: EP 761 of het octrooi). EP 761 is op 19 januari 2005 verleend op een van internationale aanvrage PCT/US95/13704, met als indieningsdatum 23 oktober 1995 (hierna: de moederaanvrage), afgesplitste aanvrage met nummer 01204920.1 van 14 december 2001. De aanvrage van EP 761 wordt ingevolge artikel 76 EOV1 geacht te zijn ingediend op de indieningsdatum van de moederaanvrage. De verlening van EP 761 voor onder meer Nederland is op 19 januari 2005 gepubliceerd.

2.10.

De (oorspronkelijk) Engelse tekst van de conclusies van EP 761 luidt als volgt:

1. A compound having the structure:

or a pharmaceutically acceptable salt or complex thereof.

2. A pharmaceutical composition comprising a compound, pharmaceutically acceptable salt or complex of claim 1 and a pharmaceutically acceptable carrier.

3. Use of the compound, pharmaceutically acceptable salt or complex of claim 1 for the preparation of a medicament for treating a patient having a disease or disorder characterised by abnormal bone and mineral homeostasis.

4. Use of the compound, pharmaceutically acceptable salt or complex of claim 1 for the preparation of a medicament for treating a patient having hyperparathyroidism.

5. Use of the compound, pharmaceutically acceptable salt or complex of claim 1 for the preparation of a medicament for treating a patient having Paget's disease.

6. Use of the compound, pharmaceutically acceptable salt or complex of claim 1 for the preparation of a medicament for treating a patient having osteoporosis.

7. Use of the compound, pharmaceutically acceptable salt or complex of claim 1 for the preparation of a medicament for treating a patient having hypertension.

8. Use of the compound, pharmaceutically acceptable salt or complex of claim 1 for the preparation of a medicament for treating a patient having renal osteodystrophy.

2.11.

De (onbestreden) Nederlandse vertaling van die conclusies luidt:

1. Een verbinding met de structuur:

of een farmaceutisch aanvaardbaar zout of complex ervan.

2. Een farmaceutische samenstelling die een verbinding, een farmaceutisch aanvaardbaar zout of complex volgens conclusie 1 bevat en een farmaceutisch aanvaardbare drager.

3. Gebruik van de verbinding, het farmaceutisch aanvaardbare zout of complex volgens conclusie 1 voor de bereiding van een geneesmiddel voor de behandeling van een patiënt die aan een ziekte of stoornis lijdt die wordt gekenmerkt door abnormale bot- en mineraalhomeostase.

4. Gebruik van de verbinding, het farmaceutisch aanvaardbare zout of complex volgens conclusie 1 voor de bereiding van een geneesmiddel voor de behandeling van een patiënt die aan hyperparathyroïdie lijdt.

5. Gebruik van de verbinding, het farmaceutisch aanvaardbare zout of complex volgens conclusie 1 voor de bereiding van een geneesmiddel voor de behandeling van een patiënt die aan de ziekte van Paget lijdt.

6. Gebruik van de verbinding, het farmaceutisch aanvaardbare zout of complex volgens conclusie 1 voor de bereiding van een geneesmiddel voor de behandeling van een patiënt die aan osteoporose lijdt.

7. Gebruik van de verbinding, het farmaceutisch aanvaardbare zout of complex volgens conclusie 1 voor de bereiding van een geneesmiddel voor de behandeling van een patiënt die aan hypertensie lijdt.

8. Gebruik van de verbinding, het farmaceutisch aanvaardbare zout of complex volgens conclusie 1 voor de bereiding van een geneesmiddel voor de behandeling van een patiënt die aan renale osteodystrofie lijdt.

2.12.

De beschrijving van EP 761 bevat onder meer de volgende passages:

Field of the Invention

[0001] This invention relates to the design, development, composition and use of compounds able to modulate one or more inorganic ion receptor activities.

Background of the Invention

[0002] Certain cells in the body respond not only to chemical signals, but also to ions such as extracellular calcium ions (Ca2+). Changes in the concentration of extracellular Ca2+ (referred to herein as "[Ca2+]") alter the functional responses of these cells. One such specialized cell is the parathyroid cell which secretes parathyroid hormone (PTH). PTH is the principal endocrine factor regulating Ca2+ homeostasis in the blood and extracellular fluids.

[0003] PTH, by acting on bone and kidney cells, increases the level of Ca2+ in the blood. This increase in [Ca2+] then acts as a negative feedback signal, depressing PTH secretion. The reciprocal relationship between [Ca2+] and PTH secretion forms the essential mechanism maintaining bodily Ca2+ homeostasis.

[0004] Extracellular Ca2+ acts directly on parathyroid cells to regulate PTH secretion. The existence of a parathyroid cell surface protein which detects changes in [Ca2+] has been confirmed. Brown et al., 366 Nature 574, 1993. In parathyroid cells, this protein acts as a receptor for extracellular Ca2+ ("the calcium receptor"), and detects changes in [Ca2+] and to initiate a functional cellular response, PTH secretion.

(…)

[0006] The ability of various compounds to mimic extracellular Ca2+ in vitro is discussed by Nemeth et al., (spermine and spermidine) in "Calcium-Binding Proteins in Health and Disease," 1987, Academic Press, Inc., pp. 33-35; Brown et al., (e.g., neomycin) 128 Endocrinology 3047, 1991; Chen et al., (diltiazem and its analog, TA-3090) 5 J. Bone and Mineral Res. 581, 1990; and Zaidi et al., (verapamil) 167 Biochem. Biophys. Res. Commun. 807, 1990. Nemeth eta/.,PCT/US93/01642, International Publication Number WO 94/18959, and Nemeth et al., PCT/US92/07175, International

Publication Number WO 93/04373, describe various compounds which can modulate the effect of an inorganic ion on a cell having an inorganic ion receptor.

(…)

Summary of the Invention

[0008] The present invention features compounds able to modulate one or more activities of an inorganic ion receptor and methods for treating diseases or disorders by modulating inorganic ion receptor activity. The compounds can mimic or block the effect of extracellular calcium on a cell surface calcium receptor.

(…)

[0020] A measure of a compounds effectiveness can be determined by calculating the EC50 or IC50 for that compound. The EC50 is the concentration of a compound which causes a half maximal mimicking effect. The IC50 is the concentration of compound which causes a half-maximal blocking effect. EC50 and IC50 for compounds at a calcium receptor can be determined by assaying one or more of the activities of extracellular calcium at a calcium receptor. Examples of assays for measuring EC50, and IC50 are described Nemeth et al., PCT/US93/01642, International Publication

Number WO 94/18959, and Nemeth et al., PCT/US92/07175, International Publication Number WO 93/04373, (both of these publications are hereby incorporated by reference here) and below. Such assays include oocyte expression assays and measuring increases in intracellular calcium ion concentration ([Ca2+]i) due to calcium receptor activity. Preferably, such assays measure the release or inhibition of a particular hormone associated with activity of a calcium receptor.

(…)

[0022] Preferably, the compound is either a calcimimetic or calcilytic having an EC50 or IC50 at a calcium receptor of less than or equal to 5 µM, and even more preferably less than or equal to 1 µM, 100 nmolar, 10 nmolar, or 1 nmolar using one of the assays described below. More preferably, the assay measures intracellular Ca2+ in HEK 293 cells transformed with nucleic acid expressing the human parathyroid calcium receptor and loaded with fura-2. Lower EC50's or IC50's are advantageous since they allow lower concentrations of compounds to be used in vivo or in vitro. The

discovery of compounds with low EC50's and IC50's enables the design and synthesis of additional compounds having similar or improved potency, effectiveness, and/or selectivity.

[0023] Another aspect of the present invention features a pharmaceutical composition comprising a compound according to the invention and a physiologically acceptable carrier. A "pharmacological composition" refers to a composition in a form suitable for administration into a mammal, preferably a human. Preferably, the pharmaceutical composition contains a sufficient amount of a compound according to the invention in a proper pharmaceutical form to exert a therapeutic effect on a human.

[0024] Considerations concerning forms suitable for administration are known in the art and include toxic effects, solubility, route of administration, and maintaining activity. For example, pharmacological compositions injected into the blood stream should be soluble.

(…)

[0026] The compounds according to the invention may be used in a method for the preparation of a medicament for treating a patient by modulating inorganic ion receptor activity. The method involves administering to the patient a pharmaceutical composition containing a therapeutically effective amount of a compound according to the invention. In a preferred embodiment, the disease or disorder is treated by modulating calcium receptor activity by administering to the patient a therapeutically effective amount of a calcium receptor-modulating compound of the invention.

[0027] These compounds, and compositions containing the compounds, can be used to treat patients. A "patient" refers to a mammal in which modulation of an inorganic ion receptor will have a beneficial effect. Patients in need of treatment involving modulation of inorganic ion receptors can be identified using standard techniques known to those in the medical profession.

(…)

[0030] By "therapeutically effective amount" is meant an amount of a compound which relieves to some extent one or more symptoms of the disease or disorder in the patient; or returns to normal either partially or completely one or more physiological or biochemical parameters associated with or causative of the disease or disorder.

(…)

IV. Administration

[0078] The compounds described by the present invention can be used to treat different diseases or disorders by modulating inorganic ion receptor activity, preferably calcium receptor activity. The compounds of the invention can be formulated for a variety of modes of administration, including systemic and topical or localized administration. Techniques and formulations generally may be found in Remington's Pharmaceutical Sciences, Mack Publishing Co., Easton, PA. Administration of ionomimetics and ionolytics is discussed by Nemeth et al., PCT/US93/01642, International

Publication Number WO 94/18959.

[0079] Suitable dosage forms, in part, depend upon the use or the route of entry, for example oral, transdermal, or by injection. Such dosage forms should allow the compound to reach a target cell whether the target cell is present in a multicellular host or in culture. For example, pharmacological compounds or compositions injected into the blood stream should be soluble. Other factors are known in the art, and include considerations such as toxicity and dosage form which retard the compound or composition from exerting its effect.

(…)

2.13.

Voorbeeld 5 van EP 761 luidt als volgt:

Example 5: Measuring the Ability of Compounds to Modulate Calcium Receptor Activity

[0110] The ability of the compounds to modulate calcium receptor activity was assayed by measuring increases in [Ca2+]i in HEK 293 cells transfected with nucleic acid encoding pHuPCaR4.0 using fura-2 loaded cells or using parathyroid cells loaded with using fura-2 loaded cells. Results of different experiments are summarized in Table 1. Table 1 summarizes the effects of compounds, at different concentrations, on calcium receptor activity assayed as described in Example 4 (i.e., using HEK 293 cells transfected with nucleic acid encoding pHuPCaR4.0, which were loaded with fura-2).

[0111] Reference compound R-568 has the structure

Het octrooi: de moederaanvrage

2.14.

De moederaanvrage is gepubliceerd als WO 96/12697 (hierna: WO 697) en vermeldt als prioriteitsdocumenten PCT/US94/12117, ingediend op 21 oktober 1994 en gepubliceerd als WO 95/11221 (hierna: WO 221), en US 08/353,784, ingediend op 8 december 1994 (hierna: US 784).

2.15.

WO 697 heeft als titel ‘Calcium receptor-active compounds’ en geeft als korte inhoud (Abstract) het volgende weer:

The present invention features compounds of general formulae a), b), c), able to modulate one or more activities of an inorganic ion receptor and methods for treating diseases or disorders by modulating inorganic ion receptor activity. Preferably, the compound can mimic or block the effect of extracellular Ca2+ on a calcium receptor.

2.16.

De hierna weergegeven algemene formule a) omvat een grote groep verbindingen, waaronder cinacalcet.

2.17.

De passages uit de beschrijving van WO 697, zijn alle nagenoeg gelijkluidend aan passages uit de beschrijving van EP 761 als weergegeven onder 2.12.

2.18.

WO 697 openbaart in de figuren 1a tot en met 1r honderden specifieke structuren, waaronder de structuur van cinacalcet, weergegeven als structuur 22J.

2.19.

Voorbeeld 5 van WO 697 luidt als volgt:

Example 5: Measuring the Ability of Compounds to Modulate Calcium Receptor Activity

The ability of different compounds to modulate calcium receptor activity was assayed by measuring increases in [Ca2+]i in HEK 293 cells transfected with nucleic acid 30 encoding pHuPCaR4.0 using fura-2 loaded cells or using parathyroid cells loaded with using fura-2 loaded cells. Results of different experiments are summarized in Tables 1.a, 1.b.1, 1.b.2, 1.c., and 2. Tables 1.a, 1.b.1, 1.b.2,

and 1.c summarizes the effects of compounds, at different concentrations, on calcium receptor activity assayed as described in Example 4 (i.e., using HEK 293 cells transfected with nucleic acid encoding pHuPCaR4.0, which were loaded with fura-2).

Table 2, summarizes the results of different experiments where the EC50 was calculated either parathyroid cells, or HEK 293/pHuPCaR4.0, loaded with fura-2. Cells were loaded with fura-2 and assayed as described in Example 2 (for parathyroid cells) or Example 3 (for HEK

293/pHuPCaR4.0 cells).

2.20.

Cinacalcet (structuur 22J) is opgenomen in Tabel 1.a., hierna – deels, alleen de eerste en laatste van de drie pagina’s – weergegeven.

Table 1.a. Calcimimetic compounds which produce greater than 40% response at 3.3 ng/mL in HEK-293 cells expressing the human calcium receptor.

2.21.

Tabel 2 ziet er als volgt uit:

TABLE 2

Arylalkylamine Calcimimetics from Figure 1 Active at the Parathyroid Cell Calcium Receptor In Vitro ( EC50 ≤ 5 µM)

De stand van de techniek

WO 373 en WO 959

2.22.

Tot de stand van de techniek van EP 761 behoren de internationale octrooiaanvragen van NPS WO 93/04373, ingediend op 21 augustus 1992 en gepubliceerd op 4 maart 1993 (hierna: WO 373), en WO 94/18959, ingediend op 23 februari 1993 en gepubliceerd op 1 september 1994 (hierna: WO 959), met beide als titel ‘Calcium receptor-active molecules’ en waarvan de inhoud verder vrijwel identiek is.

2.23.

WO 373 en WO 959 bevatten – voor zover van belang – de volgende conclusies.

99. A compound of the formula


wherein alk is straight or branched-chain alkylene of from 1 to 6 carbon atoms; R1 is lower alkyl of from 1 to 3 carbon atoms or lower haloalkyl of from 1 to 3 carbon atoms substituted with from 1 to 7 halogen atoms; and R2 and R3 are independently selected monocyclic or bicyclic carbocyclic aryl or cycloalkyl groups, having 5- or 6-membered rings optionally substituted with 1 to 5 substituents

independently selected form lower alkyl of 1 to 3 carbon atoms, lower haloalkyl of 1 to 3 carbon atoms substituted with 1 to 7 halogen atoms, lower alkoxy of 1 to 3 carbon atoms, halogen, nitro, amino, alkylamino, amido, lower alkylamido of 1 to 3 carbon atoms, cyano, hydroxy, acyl of 2 to 4 carbon atoms or lower thioalkyl of 1 to 3 carbon atoms and pharmaceutically acceptable salts and

acid addition salts thereof.

100. A compound according to claim 99 wherein alk is n-propylene.

101. A compound according to claim 100 wherein R1 is methyl.

102. A compound according to claim 101 wherein R2 and R3 are independently selected optionally substituted phenyl groups.

2.24.

De verbindingen die voldoen aan de zojuist weergegeven structuurformule zijn fenylpropyl-α-fenethylalkylamine derivaten.

2.25.

In de beschrijving van WO 373 en WO 959 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen.

Field of the Invention

This invention relates to the design, development, composition and use of novel calcimimetic molecules able to act in a manner analogous to extracellular calcium ions on cells, to calcilytic molecules which block the activity of extracellular calcium ions on cells, and to methods for

their use and identification.

(…)

Summary of the Invention

Applicant has demonstrated that Ca2+ receptor proteins enable certain specialized cells involved in bodily Ca2+ metabolism to detect and respond to changes in the concentration of extracellular Ca2+. Although these receptors share certain general characteristics, they can be selectively affected by different pharmacological agents. As detailed below, certain molecules are identified with

selective activity on Ca2+ receptors at parathyroid cells, osteoclasts, and c-cells.

Ca2+ receptors constitute discrete molecular targets for a new class of molecules that mimic ("calcimimetics") or antagonize ("calcilytics") the actions of extracellular Ca2+. Such receptors are present on cell surfaces and have a low affinity for extracellular Ca2+ (apparent Kd generally greater than about 0.5 mM). Such receptors may include a free or bound effector mechanism, as defined by (…). Such receptors are thus distinct from intracellular Ca2+ receptors, e.g., calmodulin and the troponins. Calcimimetics, for example, act on Ca2+ receptors selectively to directly or indirectly depress the function of parathyroid cells or osteoclasts or to stimulate the function of c-cells. Calcimimetics and calcilytics of this invention allow novel therapies for hyperparathyroidism, osteoporosis and other Ca2+-related diseases. This application concerns targeting Ca2+ receptors on each of these three cell types and other cell types that detect and respond to changes in [Ca2+].

Applicant is the first to demonstrate a Ca2+ receptor protein in parathyroid cells, and to pharmacologically differentiate such Ca2+ receptors in other cells, such as c-cells and osteoclasts. Applicant is also the first to describe methods by which molecules active at these Ca2+ receptors can be identified and used as lead molecules in the discovery, development, design, modification and/or

construction of useful calcimimetics or calcilytics which are active at Ca2+ receptors. Such calcimimetics or calcilytics are useful in the treatment of various disease states characterized by abnormal levels of one or more components, e.g., polypeptides such as hormones, enzymes

or growth factors, the expression and/ or secretion of which is regulated or affected by activity at one or more Ca2+ receptors. Further, the identification of different Ca2+ receptors in different cell types, and the specific response of such receptors to different lead molecules allows design and construction of specific molecules active in treatment of specific diseases which can be affected by action at such specific Ca2+ receptors. For example, abnormal levels of parathyroid hormone secretion can be affected by such specific molecules without affecting the level of secretion of other Ca2+ regulated hormones and the like.

Identification of such lead molecules was impeded by the prior lack of a high-throughput screening system to discover active molecules, and the absence of a structural data base upon which to design effective drug candidates. These barriers are now removed by cloning the parathyroid cell Ca2+ receptors and functionally related receptors, and systematically examining the structural features of certain lead molecules that activate such cloned Ca2+ receptors and functionally related receptors. Cloning of the Ca2+ receptor also enables development of transfected cell lines suitable for high-throughput screening of natural product or molecule libraries and synthetic molecules. This, together with structure-activity studies discussed below, provides the technology necessary to develop novel

calcimimetics and calcilytics.

Applicant enables such procedures in this application. For example, the human parathyroid cell Ca2+

receptor cDNA can be cloned by screening for functional expression in Xenopus oocytes, and the structural features of organic molecules necessary for activity on the Ca2+ receptor can be determined through the testing of selected natural products or other molecule libraries and subsequent structure-activity studies.

Thus, in a first aspect, the invention features a pharmaceutical composition including a molecule which either mimics the activity of extracellular Ca2+ by evoking an increase in [Ca2+]i in a cell, or blocks an increase in [Ca2+]i elicited by extracellular Ca2+. The molecule has an EC50 of less than or equal to 5 µM, and is not protamine.

(…)

In other preferred embodiments, the molecule evokes the mobilization of intracellular Ca2+ to cause the increase in [Ca2+]i; the cell is a C-cell or an osteoclast and the molecule inhibits bone resorption in vivo; the cell is an osteoclast and the molecule inhibits bone resorption in vitro; or the cell is a C-cell and the molecule stimulates calcitonin secretion in vitro or in vivo; and most preferably the molecule is either a calcimimetic or calcilytic having an EC50 or IC50 at a Ca2+ receptor of less than or equal to 5 µM, and even more preferably less than or equal to 1 µM, 100 nmolar, 10 nmolar, or 1 nmolar. Such lower EC50’s or IC50’s are advantageous since they allow lower concentrations of molecules to be used in vivo or in vitro for therapy of diagnosis. The discovery of molecules with such low EC50’s and IC50’s enables the design and synthesis of similarly potent and efficacious molecules.

(…)

According to a preferred aspect of the present invention, novel phenyl-α-phenethylamine analogs and derivatives are provided having the formula:


wherein alk is straight or branched chain alkylene of from 1 to 6 carbon atoms; R1 is lower alkyl of from 1 to 3 carbon atoms or lower haloalkyl of from 1 to 3 carbon atoms substituted with from 1 to 7 halogen atoms; R2 and R3 are independently selected carbocyclic aryl or cycloalkyl groups, either monocyclic or bicyclic, having 5- or 6-membered rings optionally substituted with 1 to 5 substituents

independently selected from lower alkyl of 1 to 3 carbon atoms, lower haloalkyl of 1 to 3 carbon atoms substituted with 1 to 7 halogen atoms, lower alkoxy of 1 to 3 carbon atoms, halogen, nitro, amino, alkylamino, amido, lower alkylamido of 1 to 3 carbon atoms, cyano, hydroxy, acyl of 2 to 4 carbon atoms lower hydroxyalkyl of 1 to 3 carbon atoms or lower thioalkyl of 1 to 3 carbon atoms.

Suitable carbocyclic aryl groups are groups having one or two rings, at least one of which having aromatic character and include carbocyclic aryl groups such as phenyl and bicyclic carbocyclic aryl groups such as naphthyl. As is apparent from the above formula, the compounds encompassed

therein may exist as racemic mixtures and as individual stereo isomers. Especially preferred are R-phenylpropyl α-phenethylamine derivatives which are believed to exhibit enhanced activity in lowering serum ionized calcium.

Preferred compounds include those where alk is n-propylene. Also preferred are compounds where R1 is methyl. Also preferred are those compounds where R2 and R3 are optionally substituted phenyl.

Especially preferred compounds include those where R2 is monosubstituted phenyl, more preferably meta-substituted. Especially preferred R3 groups include unsubstituted or monosubstituted phenyl, especially ortho-substituted. Preferred substitutents for R2 include halogen, haloalkyl, preferably trihalomethyl, and alkoxy, preferably methoxy. Preferred substituents for R3 include halogen.

In a second related aspect, the invention features a method for treating a patient having a disease or condition characterized by an abnormal [Ca2+] or [Ca2+]i in one or more cells or in the blood or plasma or extracellular fluids. The method includes the step of administering to the patient a therapeutically effective amount of a molecule which either mimics the activity of extracellular Ca2+

by evoking an increase in [Ca2+]i in a cell or blocks an increase in [Ca2+]i elicited by extracellular Ca2+.

By "abnormal" is meant that the patient, compared to the general population, has a different Ca2+ metabolism that is affected by one or more proteins (e.g., hormones) in the blood or extracellular body fluids, or other molecules which affect the level of extracellular and/or intracellular Ca2+. Thus, the diseases include hyperparathyroidism, osteoporosis and other bone and mineral-related

disorders, and the like (as described, e.g., in standard medical text books, (…). Such diseases are treated in this invention by molecules which mimic or block one or more of the effects of Ca2+ and thereby directly or indirectly affect the levels of the proteins or other molecules in the body of the patient.

By "therapeutically effective amount" is meant an amount that relieves to some extent one or more symptoms of the disease or condition in the patient. Additionally, by "therapeutically effective amount" is meant an amount that returns to normal, either partially or completely, physiological or biochemical parameters associated with or causative of the disease or condition. Generally, it is

an amount between about 1 nmole and 1 µmole of the molecule, dependent on its EC50 and on the age, size, and disease associated with the patient.

In preferred embodiments, the molecule has an EC50 of less than or equal to 5 µM, and is not protamine; and most preferably interacts at a Ca2+ receptor as a calcimimetic or calcilytic. Most preferably the molecule is chosen from one of those described above.

(…)

Thus, in general, the invention features calcimimetic or calcilytic molecules able to act as either selective agonists or antagonists respectively at a Ca2+ receptor of one or more but not all cells chosen from the group consisting of parathyroid cells, bone osteoclasts, juxtaglomerular

kidney cells, proximal tubule kidney cells, keratinocytes, parafollicular thyroid cells and placental

throphoblasts. Such a composition may include any pharmaceutically acceptable carrier known to those in the art to provide a pharmaceutical composition.

(…)

Screening Procedure

(…)

2.26.

Cinacalcet is een verbinding die voldoet aan de hiervoor opgenomen formule uit WO 373 en WO 959 en aan de voorkeursuitvoeringen volgens conclusies 99 tot en met 101.

2.27.

WO 373 en WO 959 openbaren in de figuren 36a tot en met 36t specifieke verbindingen die aan diezelfde formule en aan de voorkeursuitvoeringen volgens conclusies 99 tot en met 102 voldoen. Over de figuren 36 wordt in WO 373 en WO 959, voor zover van belang, het volgende geschreven:

Fig. 36 provides a second example of a series of molecules which were screened to determine useful molecules of this invention. These molecules were generally derived from fendiline and tested to determine their respective EC50 's. Moreover, testing of related molecules, such as NPS 447 and NPS 448 reveals stereospecific effects of molecule structure. The most active compounds tested

to date are the novel compounds designated NPS 467 and NPS 568 which have EC50 values of less than 5µM. Those in the art, by reviewing this series of molecules, can determine other suitable derivatives which can be tested in the invention.

These examples demonstrate the general design and screening process useful in this invention, and indicate that additional compound and natural product libraries can be screened as desired by those in the art to determine other useful lead molecules or novel molecules of this invention.

2.28.

Cinacalcet is niet als specifieke verbinding in de figuren 36 opgenomen. Wel opgenomen zijn – voor zover van belang – de verbindingen NPS R-568 (dezelfde verbinding die in Voorbeeld 5 van EP 761 met cinacalcet is vergeleken, zie 2.13) en NPS 646 (ook wel genoemd: 12Z), met de volgende structuren.

NPS R-568

NPS 646/12Z

2.29.

Tabel 6 van WO 959 ziet er als volgt uit:

De inhoud van tabel 6 in WO 373 is identiek, met dien verstande dat daarin als eerste waarde achter NPS R-568 niet 0.60 maar 0.78 wordt vermeld.

2.30.

In voorbeeld 11 van WO 373 en WO 959, genaamd ‘Lead Molecules for Parathyroid Ca2+ Receptor’ is onder meer de volgende zin opgenomen:

Further structure-activity studies on molecules related to NPS 447, NPS 467, NPS 551 and NPS 568 are expected to yield pure isomers with greater potency than these molecules in their racemate forms.

US 827

2.31.

Accord doet voorts een beroep op de uiteindelijk niet verleende Amerikaanse octrooiaanvrage US 08/292,827 (hierna: US 827; tevens het prioriteitsdocument van de onder 2.14 genoemde aanvrage WO 221), ingediend op 19 augustus 1994 en met de titel ‘Calcium-receptor active molecules’.

2.32.

US 827 bevat – voor zover van belang – de volgende conclusie:

12. A molecule of the formula

wherein alk is straight or branched-chain alkylene of from 0 to 6 carbon atoms; R1 is lower alkyl of from 1 to 3 carbon atoms or lower haloalkyl of from 1 to 3 carbon atoms substituted with from 1 to 7 halogen atoms; and R2 and R3 are independently selected monocyclic or bicyclic carbocyclic aryl or cycloalkyl groups, having 5- to 7-membered rings optionally substituted with 1 to 5 substituents independently selected from lower alkyl of 1 to 3 carbon atoms, lower haloalkyl of 1 to 3 carbon atoms substituted with 1 to 7 halogen atoms, lower alkoxy of 1 to 3 carbon atoms, halogen, nitro, amino, alkylamino, amido, lower alkylamido of 1 to 3 carbon atoms, cyano, hydroxy, acyl of 2 to 4 carbon atoms or lower thioalkyl of 1 to 3 carbon atoms; and pharmaceutically acceptable acid

addition salts and complexes thereof.

2.33.

De verbinding cinacalcet voldoet aan de formule van conclusie 12 van US 827.

2.34.

De beschrijving van US 827 is verder vergelijkbaar met de beschrijving van WO 373 en WO 959, met dien verstande dat de beschrijving van US 827 voorts onder meer het volgende vermeldt:

Preferably, the novel compounds or compositions of matter are NPS R-467, NPS R-568, or compounds 1D, 4L, 8U, 8J, 9R, 11X, 12U, 12V, 12Z, 14U, 16M, or 16P (see Fig. 36).

2.35.

Onder voorbeeld 21 van US 827 is onder het kopje ‘NPS 568’ onder meer het volgende opgenomen:

NPS R-568 is at present the lead calcimimetic compound with selective activity at the parathyreiod cell Ca2+ receptor. It behaves, albeit with greater potency, similarly to NPS R-467 as described in Examples above.

2.36.

Voorbeeld 41 van US 827 meldt – voor zover van belang – het volgende.

Example 41: Effectiveness of NPS R-568 in Humans

NPS R-568 was studied in a placebo-controlled, single-dose, dose-escalation format in a healthy, postmenopausal woman. A range of single oral doses was used to assess safety, tolerance, and changes in primary hyperparathyroidism markers (e.g., plasma concentrations of parathyroid hormone and ionized serum calcium) and of serum calcitonin. The data are shown in Tables 7-9.

(…)

The data illustrated in Tables 7-9, indicate that NPS R-568 causes a transient dose-dependent decrease in plasma PTH concentration (Table 7), and, at higher doses, a decrease in serum ionized calcium concentration (Table 8) in the human subject. Their [de rechtbank begrijpt: there] was no apparent change in serum calcitonin at the doses studied (Table 9). Higher doses are expected to effect calcitonin levels as observed in rats (see, Example 40).

2.37.

US 827 openbaart in de figuren 36a tot en met 36n een heleboel specifieke verbindingen die voldoen aan de formule van conclusie 12. Over de figuren 36 schrijft US 827, voor zover van belang:

Fig. 36 provides a second example of a series of molecules which were screened to determine useful

molecules of this invention. These molecules were generally derived from fendiline and tested to determine their respective EC50 ' s. Moreover, testing of related molecules, such as R-fendiline and S-fendiline reveals stereospecific effects of molecular structure. The most active compounds tested to date are the novel compounds designated NPS R-467 and NPS R-568, and compounds 8J, 8U, 9R, 11X, 12U, 12V, 12Z, 14U, 16M, and 16P which have EC50 values of less than 5 µM. Those skilled in the art, by reviewing this series of molecules, can determine other suitable derivatives which can be tested in the invention.

These examples demonstrate the general design and screening process useful in this invention, and indicate that additional compound and natural product libraries can be screened as desired by those in the art to determine other useful lead molecules or novel molecules of this invention.

2.38.

Cinacalcet is niet als specifieke verbinding in de figuren 36a tot en met 36n opgenomen. Wel opgenomen zijn – voor zover van belang – de verbindingen NPS R-568 en NPS 646 (in US 827 genoemd verbinding 12Z), waarvan de structuren hiervoor in 2.28 zijn weergegeven, alsmede de verbindingen 8J, 9R, 11X, 12V, 14U en 16M, met de volgende structuren.

Het octrooi: de verleningsfase

2.39.

Tijdens de verleningsprocedure van EP 761 lag aanvankelijk een set conclusies voor waarin cinacalcet door NPS werd geclaimd als conclusie 4. Conclusies 1 tot en met 3 zagen op een bredere groep van verbindingen die volgens de examiner van het EOB2 onvoldoende basis vonden in de moederaanvrage. Conclusie 4 werd door de examiner niet inventief bevonden ten opzichte van WO 373, WO 959 en WO 221. De examiner schijft daarover bij brief van 25 april 2003 – voor zover van belang – aan NPS:

The following documents (D) are referred to in this communication; the numbering will

be adhered to in the rest of the procedure:

D1 WO-A-9418959

D2 WO-A-9304373

D3 WO-A-9511221

(…)

3. The subject-matter of claims 4-7 as well as claims 8-10 as far as they refer to claims 4-7 is considered to be supported by the parent application. However, with regard to the disclosure of the documents D1, D2 and D3 no inventive step can be acknowledged.

It should be noted that the subject-matter of the present application appears not to be entitled to the claimed priority (PCTUS9412117), because the presently claimed subject-matter is not directly and unambiguously derivable from the disclosure of the invention in the priority document (see Guidelines, Part C, Chap. V, 2.3).

Furthermore, the priority seems not be valid because the priority document is not the first application in the sense of Art. 87(1) EPC, see also Guidelines Part C, Chap. V, 1.4). Thus, document D3, which has been published on 27.04.95, i.e. before the filing date of the present application (23.10.95), is considered to be a prior art document in the sense of Art. 54(2) EPC.

Documents D1, D2 and D3 disclose compounds, which include the compounds of claims 4-7 for the same use. The subject-matter of claim 4-7 therefore consists in a selection of compounds from the range of compounds described in documents D1, D2 or D3 (see D1, claims 99-101, D2, claims 99-102, D3, claim 1). Such a selection can only be regarded as inventive, if the compounds present unexpected effects or properties in relation to the rest of the range. However, no such effects

or properties are indicated in the application. Hence no inventive step is present in the subject-matter of claims 4-7 and the claims 8-14 (Articles 52(1) and 56 EPC).

2.40.

NPS heeft daarop aangepaste conclusies ingediend, zoals uiteindelijk verleend, en bij brief van 29 augustus 2003 daarover – voor zover van belang – als volgt aan de examiner geschreven:

We attach a copy of a Declaration of [A] , Ph.D., as well as a summary of an in vivo

study that has been performed focusing on compound 22J. The Declaration discusses the set of

pharmacological properties of 22J and compares that set of properties to the known calcimimetic drug R-568, which is disclosed in Dl (Figure 35j) and reproduced below. The Declaration explains that 22J not only has markedly superior agonist potency compared to R-568, it also has other very desirable properties, such as a desirable metabolic route and a desirable slow rate of metabolic clearance.

(…)

Furthermore, we also submit a report summarising two in vivo clinical studies using 22J in

homodialysis patients suffering from secondary hyperparathyroidism. The studies show that after one

year of treatment, patients taking 22J had a reduction in PTH of at least 30%, compared with only 15% of patients taking placebo. After 2 years, 54% of patients had a reduction in PTH of at least 30%. The above demonstrate the particularly advantageous properties of 22J in treating patients with secondary hyperparathyroidism, and that the presently claimed invention provides an inventive step over Dl-D3.

2.41.

De bij deze brief gevoegde verklaring van [A] , luidt – voor zover van belang – als volgt:

2. The appropriate selection of pharmacologically active compounds typically considers the potency of the compounds. But other physiologic considerations also contribute to making a compound a good clinical candidate. These other properties reflect the efficient absorption, distribution, metabolism, and excretion (ADME) of the compound in the mammalian body for a specific application. This Declaration reviews several ADME properties of claimed compound 22J and compares them to the known calcimimetic R-568, which has been the subject of published clinical studies. The data show that 22J has superior properties in many several aspects to the known calcimimetic R-568.

3. The table below illustrates the data comparing the agonist potency, metabolic route, and microsomal clearance of R-568 and 22J, which are further explained below.

4. The data show that 22J has high agonist potency compared to R-568 at the calcium receptor of human embryonic kidney (HEK) cells. 22J has an EC50 at the calcium receptor of less than one-third that of R-568, i.c. 22J is more than three times as potent as R-568.

2.42.

Bij brief van 20 oktober 2003 heeft de examiner het volgende aan NPS geschreven:

Mr. [B] has been informed that the only outstanding objection of the examiner is lack of an inventive step (Art. 56 EPC). The additional technical data provided by the applicant are not a comparison between the claimed compound and the closest prior art compound, which in the opinion of the examiner is the compound NPS 646. This compound is disclosed in D1 to D3. In D3 it has also the same stereochemistry (see D3, example 8).

Document D3 has to be regarded as a document in the sense of Art. 54 (1) and (2) EPC, because the priority is considered to be invalid. This has already been mentioned in the last communication of the examiner and was not disputed by the applicant in his reply to this communication.

It has been discussed that additional experimental data, which are intended to support an inventive step, should compare the closest prior art compound NPS 646 with the presently claimed compound.

2.43.

NPS heeft bij brief van 4 mei 2004 – voor zover van belang – het volgende aan het EOB bericht:

In the former Communication, the claims were rejected for lack of inventive step under [de rechtbank neemt aan dat hier is weggevallen: article 56 EPC]. The Applicant has previously provided a comparison of the pharmacological properties of the compound of claim 1 (22J) versus an exemplary compound from prior art documents D1-D3, namely R-568. The Examiner has alleged that R-568 does not represent the closest prior art, but that Compound 12Z of D3 (exemplified in Example 8 (NPS 646)) is the prior art compound of closest structural similarity to 22J. While the Applicant does not agree that 12Z of D3 is the most relevant compound, the Applicant here provides data illustrating the unexpectedly superior properties of 22J over 12Z.

The appropriate selection of pharmacologically active compounds typically considers the

compound's potency, but other physiologic considerations also contribute to making a compound a good clinical candidate. These other properties are reflected in the in vivo pharmacokinetic properties of a compound for a specific application. The following data compare in vivo pharmacokinetic properties determined for 22J (of present claim 1) and 12Z (of Example 8 of D3). Overall, the data indicate that 22J has unexpectedly superior in vivo pharmacokinetic properties as compared to 12Z.

The table below exhibits the primary in vivo pharmacokinetic differences observed between these

two compounds as measured in plasma samples collected over an eight (8) hour time period post dosing. Each compound was administered to adult male Sprague Dawley rats by both oral and intravenous dosing routes. For each dosing route, the same amount of each drug per kilogram (kg) of body weight was dosed. Further explanation of the observed differences appears below.

Oral bioavailability is a desirable characteristic for a drug candidate. It describes the extent to which a drug reaches the systemic circulation. It is a complex parameter that is influenced by several

physiological variables including absorption and metabolism. Clinically, higher bioavailability is a

desirable feature and indicates that more drug is (bio)available to reach its target. Higher bioavailability also means that there is less variability between individuals. Given these issues, a bioavailability of at least 10% is desirable for a drug candidate. In fact, pharmaceutical companies often employ a bioavailability cutoff value of at least 10% in deciding whether or not a drug candidate should proceed down the development pipeline.

As described in the Table above, at equivalent doses, 22J is over four (4) fold more bioavailable

than 12Z. In addition, the bioavailability of 12Z is less than 10%; hence this compound is not a desirable drug candidate.

The oral Cmax (the maximum plasma concentration) is another parameter that highlights the

difference between these two compounds. At equivalent doses, the oral Cmax observed for 22J is over three (3) fold higher than that observed for 12Z. This result is consistent with the bioavailability results described above. In this case, the higher maximum plasma concentration means, simply, that at equivalent doses more 22J is available for its effect.

Overall, these data indicate that an oral dose of 22J is more bioavailable than 12Z. Given the

importance that oral administration plays as a dosing route for a drug, these data demonstrate the

unexpectedly superior properties of 22J over 12Z as a drug candidate.

In view of the above data illustrating the superior properties of 22J over the closest prior art

compound, we submit that an inventive step should be acknowledged for the current claims.

Accordingly, we believe that the Examiner's objections have been overcome.

Het ABC

2.44.

Op basis van EP 761 is aan NPS een aanvullend beschermingscertificaat verleend onder nummer 300199 voor ‘Cinacalcet, desgewenst in de vorm van een farmaceutisch aanvaardbaar zout, in het bijzonder het hydrochloride’, aanvankelijk tot en met 21 oktober 2019, maar inmiddels als gevolg van de toekenning van een pedriatische verlenging geldig tot en met 25 april 2020 (hierna: het ABC).

Accord

2.45.

Accord is een producent van generieke geneesmiddelen.

2.46.

Accord heeft op 18 januari 2017 een marktvergunning gekregen voor Nederland voor haar generieke product Cinacalcet Accord (beschikbaar als filmomhulde tabletten met doseringen van 30 mg, 60 mg en 90 mg). Accord heeft dit product doen opnemen in de zogenaamde G-standaard.

2.47.

Accord is voornemens om nog voordat het ABC zal zijn verlopen Cinacalcet Accord op de Nederlandse markt te brengen.

3 Het geschil

3.1.

Accord vordert vernietiging van het Nederlandse deel van EP 761 en nietig verklaring van het ABC, met veroordeling van NPS in de volgens artikel 1019h Rv3 te begroten proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de derde werkdag na de datum van dit vonnis tot de dag waarop het volledige bedrag is voldaan, met het verzoek het vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Accord baseert haar vorderingen op de stelling dat EP 761 bij gebrek aan inventiviteit niet verleend had mogen worden en het ABC dientengevolge is gebaseerd op een nietig octrooi (artikel 15 lid 1 sub c ABC-Verordening4). Volgens Accord lag de stof cinacalcet op de voor EP 761 relevante indieningsdatum 23 oktober 1995 voor de hand, omdat de stand van de techniek (WO 373, WO 959, US 827) betrekking heeft op dezelfde klasse van stoffen als die waar cinacalcet toe behoort (zelfde basisstructuur en hetzelfde calcimimetische activiteitsbereik) en cinacalcet geen verrassende eigenschappen heeft die de vakman niet al zou verwachten op basis van hetgeen over de klasse is beschreven in de stand van de techniek. Voor zover wel sprake is van verrassende eigenschappen, waren die destijds gebaseerd op speculatie. Immers, uit de oorspronkelijke aanvrage (moederaanvrage) zijn geen verrassende eigenschappen van cinacalcet af te leiden, laat staan dat die daarin plausibel zijn gemaakt.

3.3.

NPS voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

De rechtbank is internationaal bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tot

vernietiging van het Nederlandse deel van EP 761 en tot nietig verklaring van het in Nederland geregistreerde ABC op grond van artikel 24 lid 4 Brussel 1 bis-Vo5. De relatieve bevoegdheid berust op artikel 80 lid 2 onder a ROW6.

Inventiviteit

Een selectie-uitvinding

4.2.

EP 761 beoogt onder bescherming te stellen één specifieke calcimimetische verbinding die kan worden gebruikt als geneesmiddel, te weten cinacalcet (en zouten of complexen daarvan alsmede farmaceutische samenstellingen van die stof of haar zouten of complexen). Deze verbinding is geselecteerd uit een eerder in documenten uit de stand van de techniek geopenbaarde klasse van calcimimetische (en calcilytische) verbindingen (fenylpropyl-α-fenethylalkylamine derivaten). De specifieke verbinding cinacalcet was niet al bekend of individueel geopenbaard, zodat niet in geschil is dat EP 761 als nieuw moet worden beschouwd. Het debat spitst zich toe op de vraag of de keuze voor cinacalcet voor de hand lag.

4.3.

Beide partijen wijzen voor de hierbij aan te leggen toets op Part G Chapter VII onder 12. van de Guidelines for Examination van het EOB (hierna: de Guidelines) die als volgt luidt:

12. Selection inventions

The subject-matter of selection inventions differs from the closest prior art in that it represents selected sub-sets or sub-ranges. If this selection is connected to a particular technical effect, and if no hints exist leading the skilled person to the selection, then an inventive step is accepted (this technical effect occurring within the selected range may also be the same effect as attained with the broader known range, but to an unexpected

degree). (…) For inventive step, it has to be considered whether the skilled person would have made the selection or would have chosen the overlapping range in the hope of solving the underlying technical problem or in expectation of some improvement or advantage. If the answer is negative, then the claimed matter involves an inventive step.

The unexpected technical effect must apply to the entire range as claimed. If it occurs in only part of the claimed range, the claimed subject-matter does not solve the specific problem to which the effect relates, but only the more general problem of obtaining, for example, "a further product X" or "a further process Y" (see T 939/92).

4.4.

Daarnaast wijzen zij op de Annex ‘Examples relating to the requirement of inventive step – indicators’ bij hetzelfde deel en hoofdstuk van de Guidelines, onder 3.1, die – voor zover van belang – als volgt luidt:

3. Obvious selection?

3.1

Obvious and consequently non-inventive selection among a number of known possibilities:

(…)

(iv)

The invention consists merely in selecting particular chemical compounds or compositions (including alloys) from a broad field .

Example: The prior art includes disclosure of a chemical compound characterised by a specified structure including a substituent group designated "R". This substituent "R" is defined so as to embrace entire ranges of broadly-defined radical groups such as all alkyl or aryl radicals either unsubstituted or substituted by halogen and/or hydroxy, although for practical reasons only a very small number of specific examples are given. The invention consists in the selection of a particular radical or particular group of radicals from amongst those referred to as the substituent "R" (the selected radical or group of radicals not being specifically disclosed in the prior-art document since the question would then be one of lack of novelty rather than obviousness). The resulting compounds:

(a)

are neither described as having nor shown to possess any advantageous properties not possessed by the prior art examples; or

(b)

are described as possessing advantageous properties compared with the compounds specifically referred to in the prior art, but these properties are ones which the person skilled in the art would expect such compounds to possess, so that he is likely to be led to make this selection.

(…)

3.2

Not obvious and consequently inventive selection among a number of known possibilities:

(…)

(ii)

The invention consists in selecting particular chemical compounds or compositions (including alloys) from a broad field, such compounds or compositions having unexpected advantages .

Example: In the example of a substituted chemical compound given at G‑VII, Annex, 3.1(iv) above, the invention again resides in the selection of the substituent radical "R" from the total field of possibilities defined in the prior disclosure. In this case, however, not only does the selection embrace a particular area of the possible field, and result in compounds that can be shown to possess advantageous properties (see G‑VII, 10 and H‑V, 2.2 ) but there are no indications which would lead the person skilled in the art to this particular selection rather than any other in order to achieve the advantageous properties.

4.5.

Om de keuze voor cinacalcet als inventief aan te kunnen merken, dient cinacalcet aldus in elk geval een technische bijdrage aan de stand van de techniek te leveren, waaraan wordt voldaan als de selectie onverwacht voordelige of verbeterde eigenschappen bezit ten opzichte van de stand van de techniek. Indien die bijdrage wordt geleverd, is de vraag of de vakman vanuit de stand van de techniek die selectie zou hebben gemaakt in de hoop het onderliggende technische probleem op te lossen of in de verwachting die verbeterde of voordelige eigenschappen te vinden.

De stand van de techniek

4.6.

Om vast te stellen welke documenten tot de stand van de techniek behoren en wat die stand van de techniek inhoudt, zal de rechtbank uitgaan van de aanvraagdatum van de moederaanvrage, te weten 23 oktober 1995 (hierna: de aanvraagdatum). De moederaanvrage vermeldt weliswaar WO 221 en US 784 (zie 2.14) als prioriteitsdocumenten, maar volgens Accord kan NPS voor EP 761 geen beroep doen op die prioriteit. NPS heeft ervoor gekozen geen verweer te voeren op dit punt, zodat de rechtbank de stelling van Accord volgt.

4.7.

Partijen zijn het er over eens dat WO 373 en WO 959 tot de stand van de techniek behoren. Daarentegen bestaat verschil van mening over US 827, meer in het bijzonder over de vraag of dat document voor de aanvraagdatum openbaar toegankelijk is geworden. Accord stelt dat US 827 publiek toegankelijk is geworden als onderdeel van WO 221 toen de aanvrage daarvan op 27 april 1995 werd gepubliceerd, omdat WO 221 een beroep doet op de prioriteit van US 827. NPS heeft daartegen aangevoerd dat – kort gezegd – is gebleken dat US 827 niet (als onderdeel van WO 221) openbaar toegankelijk is geworden omdat een verzoek van (de octrooigemachtigde van) NPS van 26 augustus 2004 aan het USPTO7 tot verkrijging van een kopie van (onder meer) US 827 is afgewezen. Het verzoek was gedaan op basis van de in 1995 geldende Rule 17.2(c) PCT8 en is op 7 oktober 2004 afgewezen onder de mededeling “no copies can be located”.

4.8.

Dat verweer kan niet slagen. Vast staat immers dat de in 1995 geldende Rule 17.2(c) PCT het volgende bepaalt, uitzonderingen daargelaten aangezien die zich hier niet voordoen: “Where the international application has been published under Article 21, the International Bureau shall furnish a copy of the priority document to any person upon request and subject to reimbursement of the cost”. Dit betekent dat iedere willekeurige derde vanaf 27 april 1995 de mogelijkheid heeft gehad kennis te nemen van US 827, en wel – zoals Accord ter zitting terecht en onbestreden heeft gesteld – door het WIPO9 (als ‘the International Bureau’) en niet het USPTO te verzoeken om een kopie. Daarbij heeft Accord ook gewezen op de stempel van ontvangst van het WIPO van 10 februari 1995 op het voorblad van US 827. Dit brengt mee dat zowel WO 373 en WO 959 als US 827 tot de stand van de techniek van EP 761 kunnen worden gerekend.

4.9.

In alle drie die documenten worden fenylpropyl-α-fenethylalkylamine derivaten genoemd als verbindingen die net als calcium invloed kunnen hebben op de calcium receptor en aldus gebruikt zouden kunnen worden bij de behandeling van patiënten met ziektes of aandoeningen die gepaard gaan met een verstoorde regulatie van het extracellulair calciumgehalte. De documenten beschrijven die groep stoffen volgens de algemene formule als opgenomen in conclusie 99 van WO 373 en WO 959 en in conclusie 12 van US 827, waarbij ‘alk’ een lineaire of vertakte alkyleengroep is met 1 tot 6 koolstofatomen en R1, R2 en R3 een groot aantal verschillende groepen kunnen voorstellen (hierna: de algemene formule).

4.10.

Deze documenten uit de stand van de techniek laten zien dat en hoe het mogelijk is om binnen de algemene formule verbindingen te identificeren die (voldoende) in staat zijn om de invloed van Ca2+ op de calcium receptor na te bootsen (of te blokkeren). Een verbinding dient immers, om daadwerkelijk geschikt te kunnen zijn als geneesmiddel, ten minste over een goede therapeutische werkzaamheid te beschikken. De documenten vermelden daarover (zie 2.25 en 2.34):

Applicant is also the first to describe methods by which molecules active at these Ca2+ receptors can be identified and used as lead molecules in the discovery, development, design, modification and/or construction of useful calcimimetics or calcilytics which are active at Ca2+ receptors. Such calcimimetics or calcilytics are useful in the treatment of various disease states characterized by abnormal levels of one or more components, e.g., polypeptides such as hormones, enzymes or growth factors, the expression and/ or secretion of which is regulated or affected by activity at one or more Ca2+ receptors. (…)

Identification of such lead molecules was impeded by the prior lack of a high-throughput screening system to discover active molecules, and the absence of a structural data base upon which to design effective drug candidates. These barriers are now removed by cloning the parathyroid cell Ca2+ receptor and functionally related receptors, and systematically examining the structural features of certain lead molecules that activate such cloned Ca2+ receptors and functionally related receptors. Cloning of the Ca2+ receptor also enables development of transfected cell lines suitable for high-throughput screening of natural product or molecule libraries and synthetic molecules. This, together with structure-activity studies discussed below, provides the technology necessary to develop novel

calcimimetics and calcilytics.

Applicant enables such procedures in this application.

4.11.

Ten aanzien van calcimimetica wordt in voornoemde documenten duidelijk gemaakt dat een verbinding met een EC50 waarde van minder of gelijk aan 5 µM de voorkeur verdient om bruikbaar te kunnen zijn. Anders dan Accord lijkt te betogen, kan die eigenschap niet worden toegedicht aan de gehele geopenbaarde klasse. Zo worden in de figuren 36 van WO 373 en WO 959 hele series (individuele) moleculen binnen de algemene formule getoond die door NPS zijn gescreend en getest op activiteit, waarvan van een aantal verbindingen in Tabel 6 de daadwerkelijk gemeten calcimimetische activiteit is weergegeven. Af te lezen is dat een aantal moleculen wel beschikt over een EC50 waarde van minder of gelijk aan 5 µM en andere niet. Aldus leert de stand van de techniek dat de wenselijke calcimimetische activiteit geen eigenschap is van alle verbindingen die voldoen aan de algemene formule. Maar binnen de klasse van fenylpropyl-α-fenethylalkylamine derivaten bestaan wel verbindingen die beschikken over een voor een geneesmiddel gunstige calcimimetische activiteit.

4.12.

De stand van de techniek duidt vervolgens de tot dan toe gescreende en geteste calcimimetische moleculen die wél aan de voorwaarde van een EC50 waarde van minder of gelijk aan 5 µM voldoen. WO 373 en WO 959 vermelden in de beschrijving bij de figuren 36 (zie 2.27) NPS R-568 samen met NPS R-467 als de meest actieve gescreende en geteste moleculen. Uit Tabel 6 (zie 2.29) volgt dat NPS R-568 over de tot dan toe laagst gemeten EC50 waarde van 0.60 µM/0.78 µM beschikt. In Voorbeeld 11 van WO 373 en WO 959 wordt die verbinding samen met nog drie andere, te weten NPS 447, NPS 467 en NPS 551, genoemd onder de kop ‘Lead Molecules for Parathyroid Ca2+ Receptor’ (zie 2.30). Het later ingediende US 827 maakt ook melding van moleculen die over een EC50 waarde van minder dan 5 µM beschikken. Tot die (twaalf) verbindingen behoren NPS R-568 en NPS 646 (12Z) (zie 2.34 en 2.37). Andere daar genoemde verbindingen zijn 8J, 9R, 11X, 12V, 14U en 16M (zie voor de structuren 2.38). Uit US 827 volgt verder dat van deze verbindingen NPS R-568 het tot dan toe meest veelbelovende molecuul is omdat het over de beste werkzaamheid beschikt (zie 2.35). Van NPS R-568 wordt in US 827 ook geopenbaard wat het effect is op de afgifte van PTH en de Ca2+ concentratie in serum bij onderzoek op mensen (zie 2.36).

4.13.

NPS stelt zich op het standpunt dat, indien de problem solution approach (hierna: PSA) bij de beoordeling van de inventiviteit wordt toegepast, moet worden uitgegaan van een in de stand van de techniek geopenbaarde concrete verbinding die in structureel opzicht zo min mogelijk afwijkt van cinacalcet. Naar het oordeel van de rechtbank dient cinacalcet echter ten opzichte van al de hiervoor genoemde in de stand van de techniek specifiek geopenbaarde calcimimetische verbindingen die voldoen aan de gestelde voorwaarde wat betreft activiteit te beschikken over (een) onverwacht voordelige of verbeterde eigenschap(pen) om als inventief te kunnen worden aangemerkt. Nu EP 761 immers beoogt één uit de klasse geselecteerde calcimimetische verbinding onder bescherming te stellen die geschikt is om te kunnen worden gebruikt als geneesmiddel, is elke calcimimetische verbinding uit de stand van de techniek die beschikt over de benodigde eigenschap van een EC50 waarde van minder of gelijk aan 5 µM, reëel vergelijkings-materiaal voor cinacalcet. Daaraan staat niet in de weg, zoals NPS betoogt, dat US 827 de werkzaamheid van die verbindingen niet met een concreet cijfer weergeeft.

De (in aanmerking te nemen) onverwacht voordelige eigenschappen

4.14.

Partijen twisten vervolgens over de vraag of cinacalcet beschikt over onverwacht voordelige eigenschappen ten opzichte van de stand van de techniek. Accord stelt dat cinacalcet geen verbeterde eigenschap heeft. Volgens NPS daarentegen bestaat de technische bijdrage van cinacalcet hierin dat cinacalcet beter werkt dan de verbindingen uit de stand van de techniek (waaronder het meest actieve en daarmee meest veelbelovende molecuul, NPS R-568) op de (combinatie van de) onderdelen calcimimetische activiteit, toxiciteit en biobeschikbaarheid, zodat cinacalcet daadwerkelijk geschikt is om te worden gebruikt als geneesmiddel.

4.15.

Ter onderbouwing van haar verweer dat cinacalcet over deze eigenschappen beschikt, wijst NPS op tabel 1 onder Voorbeeld 5 van het octrooi (2.13), welke tabel weergeeft dat cinacalcet een hogere calcimimetische activiteit heeft dan NPS R-568. Daarmee zou volgens NPS zonder meer plausibel zijn dat cinacalcet ook ten opzichte van de andere moleculen uit de stand van de techniek een betere activiteit heeft. En omdat EP 761 vermeldt dat doel van de uitvinding is (zie bijvoorbeeld de beschrijving onder [0023] “exert a therapeutic effect”) om een farmaceutische samenstelling te verschaffen die goed werkzaam is bij de mens, waarbij biobeschikbaarheid en toxiciteit belangrijke aspecten zijn, zoals ook wordt benadrukt in de beschrijving onder [0024], is voor de vakman ook zonder meer aannemelijk dat cinacalcet beschikt over een gunstige biobeschikbaarheid en een aanvaardbare toxiciteit. Nu de vakman het technisch effect van geschiktheid als geneesmiddel plausibel zal achten, mag NPS zich ook op ‘post-published evidence’ beroepen, aldus nog steeds NPS. Dat bewijs bestaat uit de brieven (met bijlagen) van haar aan het EOB van 29 augustus 2003 (2.40) voor wat betreft de verbinding NPS R-568 en van 4 mei 2004 als het gaat om de verbinding NPS 646 (12Z) (2.43).

4.16.

Zoals Accord terecht heeft aangevoerd, hanteert NPS bij dit betoog een onjuist uitgangspunt. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank en van de kamers van beroep van het EOB moet het geclaimde effect immers aannemelijk zijn gemaakt in de oorspronkelijke (hier: moeder-)aanvrage.10Niet ontdekte en niet beschreven, maar (naar later blijkt) wel bestaande effecten kunnen immers geen bijdrage leveren aan de stand der techniek op de aanvraagdatum. Pas als de aanvrage een zodanige basis biedt voor voordelige eigenschappen van cinacalcet ten opzichte van andere calcimimetische verbindingen uit de stand van de techniek, kunnen later ingediende onderzoeksgegevens meetellen voor inventiviteit. NPS erkent dit in feite ook zelf door in de conclusie van antwoord te wijzen op de Guidelines van het EOB waarin staat dat de aanvrager van een octrooi een beroep mag doen op vergelijkende gegevens van na de indieningsdatum ter onderbouwing van inventiviteit, mits deze gegevens een technisch effect onderbouwen dat is genoemd in de oorspronkelijke aanvrage of betrekking hebben op het technische probleem als beschreven in de aanvrage11. Indien dit anders zou zijn, zou dit immers betekenen dat pas na de aanvrage gebleken voordelen inventiviteit zouden kunnen verlenen aan een octrooi, wat de octrooiaanvrager een ongerechtvaardigd voordeel zou geven.

4.17.

In de moederaanvrage WO 697 is echter alleen basis te vinden voor de eigenschap van calcimimetische activiteit van cinacalcet en niet voor andere eigenschappen. Als het gaat om specifiek aan cinacalcet toe te dichten eigenschappen, bevat WO 697 immers enkel tabel 1.a. bij voorbeeld 5 (zie 2.19, hierna: de tabel). In deze tabel is de calcimimetische activiteit van cinacalcet en vele andere calcimimetica tegen de calcimimetische activiteit van een aantal referentiemoleculen, waaronder NPS R-568, afgezet. De gemeten activiteit van cinacalcet is volgens die tabel hoger dan die van NPS R-568 (in twee van de drie concentraties 2-4% en in één van de drie concentraties 21%). NPS heeft niet aangevoerd, en terecht, dat een verbinding met een gunstige calcimimetische activiteit ook altijd beschikt over andere voor een geneesmiddel gunstige eigenschappen. Zou dat wel zo zijn, dan had ook het meest veelbelovende molecuul uit de stand van de techniek, NPS R-568, het tot geneesmiddel moeten kunnen schoppen. Tussen partijen staat echter vast dat NPS R-568 na verder onderzoek is gebleken te toxisch te zijn.

4.18.

De redenering die NPS voert ten aanzien van EP 761, namelijk dat de vakman uit het doel van de uitvinding (zoals vermeld in passages als [0023] en [0024] van de beschrijving) zou afleiden dat cinacalcet naast een goede therapeutische werkzaamheid (ook) beschikt over andere voor een geneesmiddel benodigde eigenschappen, zoals een gunstige biobeschikbaarheid of lage toxiciteit, gaat voor de moederaanvrage niet op. WO 697 openbaart in tegenstelling tot EP 761 immers niet één maar een groot aantal individuele verbindingen en ook is in de moederaanvrage geen conclusie specifiek op cinacalcet gericht. Voornoemde eigenschappen zouden dan niet alleen aan cinacalcet, maar zeker ook moeten worden toegedicht aan alle andere verbindingen die volgens de tabel en tabel 2 over een sterke(re) therapeutische werkzaamheid (dan cinacalcet) beschikken. Gesteld noch gebleken is dat al die verbindingen geschikt zijn als geneesmiddel, laat staan dat die beschikken over de daarvoor benodigde gunstige biobeschikbaarheid en lage toxiciteit. De door NPS genoemde passages in WO 697 over het doel van de uitvinding zijn voorts niet wezenlijk anders dan vergelijkbare passages in de beschrijvingen van de stand van de techniek, waarvan ook vele niet (afdoende) werkzame calcimimetische verbindingen deel uitmaken.

4.19.

Dit brengt mee dat de onderzoeksresultaten van na de moederaanvrage, voor zover daaruit volgt dat cinacalcet beschikt over voordelige eigenschappen van een gunstige/betere biobeschikbaarheid en een aanvaardbare/lagere toxiciteit ten opzichte van verbindingen uit de stand van de techniek (zie de brieven met bijlagen van NPS aan de examiner van het EOB over NPS R-568 en NPS 646, 2.40 tot en met 2.43), bij het beoordelen van de inventiviteit van EP 761 buiten beschouwing dienen te blijven. Op de aanvraagdatum was niet aannemelijk dat cinacalcet ten opzichte van de stand van de techniek beschikte over die later gebleken voordelige eigenschappen en dus ook niet dat cinacalcet geschikt was als geneesmiddel.

4.20.

Aan de hand van de tabel heeft NPS wel aannemelijk gemaakt dat cinacalcet beschikt over de eigenschap van een verhoogde calcimimetische activiteit ten opzichte van het meest actieve molecuul uit de stand van de techniek, NPS R-568, en wel in twee van de drie concentraties 2-4% hoger en in één van de drie concentraties 21% hoger, en daarmee ook ten opzichte van de andere (minder actieve) calcimimetische verbindingen uit de stand van de techniek die beschikken over de benodigde eigenschap van een EC50 waarde van minder of gelijk aan 5 µM. Een verhoogde activiteit op zich is echter niet genoeg om te kunnen spreken van een onverwacht voordelige eigenschap. Aangezien in de stand van de techniek in de beschrijving van de figuren 36 (zie 2.27 en 2.37) staat dat andere verbindingen kunnen worden gescreend “to determine other useful lead molecules or novel molecules of this invention”, suggereert de stand van de techniek al dat naast de verschillende in de stand van de techniek geopenbaarde verbindingen andere bruikbare (lees: met een EC50 waarde van onder de 5 µM) calcimimetische verbindingen te vinden moeten zijn. Dat ook verbindingen kunnen bestaan met een verhoogde activiteit ten opzichte van de al geopenbaarde verbindingen spreekt dan vanzelf.

4.21.

Daarbij komt dat uit WO 697 zelf evenmin valt op te maken dat de verhoogde calcimimetische activiteit van cinacalcet ten opzichte van de stand van de techniek bijzonder voor de klasse is. In de tabel staat cinacalcet immers te midden van vele andere calcimimetica. Een aantal van die andere verbindingen, waaronder de twee reference compounds, gaan cinacalcet (ruimschoots) in activiteit voor. Bovendien is van tientallen verbindingen op basis van de activiteitsmetingen de EC50 waarde berekend en weergegeven in tabel 2 (zie 2.21), maar nu juist niet van cinacalcet. NPS heeft de stelling van Accord dat de activiteit van cinacalcet volgens de tabel niet verrassend veel groter is dan andere verbindingen uit de klasse ook eigenlijk niet betwist. NPS heeft in WO 697 dan ook niet aannemelijk gemaakt dat met cinacalcet een technische bijdrage aan de stand van de techniek werd geleverd.

4.22.

Dit leidt ertoe dat, voor zover daaruit al volgt dat het verschil in werkzaamheid dermate groot is dat alsnog van een onverwachte eigenschap van cinacalcet kan worden gesproken, ook de onderzoeksresultaten van na de moederaanvrage die zien op de verhoogde activiteit van cinacalcet (NPS wijst op de aan het EOB gerichte brief van 29 augustus 2003 met bijlagen (zie 2.40)) buiten beschouwing dienen te blijven.

Zou de vakman de selectie hebben gemaakt?

4.23.

De vakman zou naar het oordeel van de rechtbank bovendien de selectie van cinacalcet hebben gemaakt in de verwachting die verbeterde werkzaamheid te vinden. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.24.

Accord heeft zich niet uitgelaten over wie in dit opzicht als vakman zou moeten worden aangemerkt. NPS heeft gesteld dat de vakman bestaat uit een team, bestaande uit een medisch chemicus en een bioloog/farmacoloog die de verbindingen testen en een clinicus die het klinisch onderzoek met de verbindingen uitvoert. Zoals ook blijkt uit de stand van de techniek, is voor het bepalen van de EC50 waarde van een calcimimetische verbinding echter geen klinisch onderzoek nodig. Aangenomen wordt daarom dat het vakman-team enkel bestaat uit een medisch chemicus en een bioloog/farmacoloog die de verbindingen testen.

4.25.

Bij de vraag of de vakman voor cinacalcet zou hebben gekozen in de verwachting de hogere activiteit te vinden, spitst het debat tussen partijen zich erop toe of de vakman een try and see-houding zal aannemen. In de jurisprudentie van de kamers van beroep van het EOB, die door de Nederlandse rechtspraak pleegt te worden gevolgd, is aanvaard dat indien 1) de stand van de techniek de vakman in de richting van een bepaald nader onderzoek stuurt en 2) de vakman dat onderzoek door routine-experimenten kan uitvoeren, aan de redelijke succesverwachting minder zware eisen gesteld moeten worden. Wanneer in een dergelijk geval de vakman niet een bepaalde verwachting heeft van het resultaat van de experimenten maar een neutrale try and see-houding aanneemt, is een redelijke succesverwachting niet afwezig.12

4.26.

Volgens Accord zal de vakman die try and see-houding aannemen omdat routinematig testen voldoende is om te bepalen welke van de verbindingen binnen de algemene formule over een betere therapeutische werking dan NPS R-568 beschikt, waartoe de stand van de techniek de vakman expliciet uitnodigt en welke tests in de stand van de techniek uitvoerig worden beschreven. De vakman zal een redelijke verwachting hebben dat het uitvoeren van die tests leidt tot het vinden van een verbinding die voorziet in een verbeterde therapeutische werking en bij het uitvoeren van die tests zal de vakman onvermijdelijk (ook) op cinacalcet stuiten, aldus Accord.

4.27.

Dat wat NPS daartegenover stelt, overtuigt niet. Dat de stand van de techniek de vakman in de richting van het testen van andere verbindingen binnen de algemene formule stuurt en dat de stand van de techniek die procedure ook beschrijft, staat immers vast. Zo wordt de vakman bij de beschrijving van de figuren 36 (zie 2.27 en 2.37) als volgt uitgenodigd: “Those skilled in the art, by reviewing this series of molecules, can determine other suitable derivatives which can be tested in the invention. These examples demonstrate the general design and screening process useful in this invention, and indicate that additional compound and natural product libraries can be screened as desired by those in the art to determine other useful lead molecules or novel molecules of this invention.” De beschrijving van de te volgen procedure vindt hij in de paragraaf ‘Screening Procedure’.

4.28.

Natuurlijk weet de vakman tevoren niet of hij bij die testen een calcimimetische verbinding zal vinden met een hogere werkzaamheid dan de in de stand van de techniek al bekende calcimimetische verbindingen met een EC50 waarde van onder de 5 µM, maar hij zal mede vanwege de tekst bij figuren 36 meer dan een neutrale aanhouding aannemen. Zoals hiervoor al overwogen wordt in de hiervoor in rov. 4.27 aangehaalde tekst immers de aanwijzing gegeven dat andere bruikbare (lees: met een EC50 waarde van onder de 5 µM) calcimimetische moleculen te vinden moeten zijn. In zoverre is sprake van een pointer en dus niet van een situatie als in de zaak Sandoz/Astrazeneca (Gerechtshof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4157, rov 4.24 ) waar NPS naar verwijst. De vakman zal dan ook de redelijke verwachting hebben een molecuul te vinden met een hogere werkzaamheid dan tot dan toe gevonden.

4.29.

Juist omdat de vakman door de stand van de techniek wordt aangemoedigd om dit (beschreven) onderzoek te doen om andere geschikte (nieuwe) calcimimetische moleculen te vinden, zal de vakman zich niet door de aard en omvang van datzelfde onderzoek laten ontmoedigen. Dat de algemene formule heel erg veel moleculen omvat, dat vele van die verbindingen voor het eerst bereid moeten worden en dat de werkzaamheid kan verschillen per (dier)soort, zoals NPS aanvoert, staat er dan ook niet aan in de weg dat de vakman het zou proberen en dat geen inventieve stap nodig is om tot cinacalcet te komen.

4.30.

NPS betoogt verder dat de vakman op basis van de voorkeursuitvoeringen in de stand van de techniek reden heeft om aan te nemen dat het testen van een verbinding als cinacalcet niet tot het gewenste resultaat zal leiden (en dus een ‘pointer away’ bevat). NPS wijst daartoe op conclusie 102 waarin de R2 en R3 groepen specifiek worden gedefinieerd als ‘substituted phenyl groups’ en op de beschrijving van WO 373 en WO 959 waarin de R2 en R3 groepen van de algemene formule specifiek gedefinieerd worden (zie 2.25). Volgens NPS leren WO 373 en WO 959 de vakman zodoende dat de voorkeursverbindingen beschikken over een fenyl-groep op de R2 en R3 positie, waarbij de fenyl-groep op de R2 positie gesubstitueerd is op de meta-positie en de fenyl-groep op de R3 positie gesubstitueerd is op de ortho-positie, net als bij NPS R-568. Cinacalcet heeft op de R2 positie echter geen fenyl-groep (benzeen ring) maar een naftyl-groep (dubbele ring) en de fenyl-groep op de R3 positie is niet gesubstitueerd op de ortho-positie maar op de meta-positie. Daartoe heeft NPS de volgende illustraties overgelegd.

4.31.

Als al juist, treft dit betoog van NPS in elk geval geen doel als US 827 tot uitgangspunt wordt genomen, welk document die voorkeuren niet bevat. Tot de in US 827 geopenbaarde verbindingen met een EC50 waarde van onder de 5 µM behoren immers de verbindingen 9R, 11X, 14U, 12V en 16M (zie 2.37 en 4.12). Daarvan beschikken 9R, 11X, 14U en 16M net als cinacalcet over een naftyl-groep (dubbele ring) op de R2 positie. Verder hebben de verbindingen 11X, 14U, 12V en 16M, net zo min als cinacalcet, een fenyl-groep op de R3 positie die is gesubstitueerd op de ortho-positie. Uitgaande van deze verbindingen zal de vakman geen reden zien om aan te nemen dat het testen van een verbinding als cinacalcet niet tot het gewenste resultaat zal leiden.

4.32.

Uit het voorgaande volgt dat met Accord is aan te nemen dat de vakman, die vanuit US 827 in lijn met de aanmoediging in de stand van de techniek en volgens de daarin genoemde procedure andere moleculen binnen de algemene formule gaat testen, op cinacalcet en haar verbeterde werkzaamheid zal stuiten, zonder daarvoor het creatieve denkwerk te verrichten dat benodigd is voor het verkrijgen van octrooirechtelijke bescherming.

Slotsom

4.33.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden om de selectie van een verbinding uit een al in de stand van de techniek geopenbaarde klasse als inventief aan te kunnen merken. De keuze voor cinacalcet en daarmee conclusie 1 van EP 761 ontbeert derhalve inventiviteit.

4.34.

NPS heeft de stelling van Accord dat de volgconclusies niets inventiefs aan conclusie 1 van EP 761 toevoegen, aanvankelijk betwist. De naar aanleiding van die betwisting ingenomen stelling van Accord dat het (ook in de stand van de techniek beschreven) betrekken van een farmaceutisch aanvaardbare drager bij een farmaceutische samenstelling als bedoeld in conclusie 2 van EP 761 een (in de industrie zeer) gebruikelijke, en dus niet inventieve, maatregel is, is niet meer door NPS bestreden. Terecht en ook niet nader bestreden betoogt Accord verder dat het gebruik van de in de stand van de techniek geopenbaarde klasse calcimimetica voor de aandoeningen als genoemd in volgconclusies 3 tot en met 8 van EP 761 in WO 373, WO 959 en US 827 wordt geopenbaard en dat die aandoeningen ook inherent verbonden zijn aan calcimimetica. Accord wijst bijvoorbeeld op het beschreven gebruik in WO 373 op pagina 13, regel 26 tot en met 30, in WO 959 op pagina 72 tot en met 74 en in US 827 op pagina 21, regel 13 tot en met 27. Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat conclusie 2 tot en met 8 niets inventiefs aan conclusie 1 van EP 761 toevoegen.

4.35.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat EP 761 op de aanvraagdatum niet als inventief is aan te merken. Het op basis van dit octrooi verleende aanvullend beschermingscertificaat kan dan niet in stand blijven. De vorderingen van Accord tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 761 en nietig verklaring van het ABC zullen om die reden worden toegewezen.

Proceskosten

4.36.

NPS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Accord. Gelet op de aard van de zaak, waarin Accord onbestreden heeft gesteld dat het gaat om een nietigheidsactie gericht op rechten van intellectuele eigendom als vooruitgeschoven inbreukverweer, bestaat grond de kosten af te wikkelen op de voet van artikel 1019h Rv.

4.37.

Accord vordert in totaal vergoeding van een bedrag van € 298.805,60 (inclusief griffierecht). NPS heeft de redelijkheid en evenredigheid van dit bedrag bestreden. NPS heeft ter zitting onder meer vraagtekens geplaatst bij de werkzaamheden van begin 2016, anderhalf jaar voor aanvang van deze procedure, en bij werkzaamheden van begin 2017 over “admissability of the licensee”, die volgens haar niet onder deze procedure (kunnen) vallen. De uitleg van Accord over de hoogte van de door haar opgevoerde kosten, onder andere dat zij een zogenaamde file inspection heeft laten uitvoeren in Canada en – anders dan NPS – een deskundige heeft ingeschakeld, is niet afdoende om de hoogte te verklaren. Zo heeft zij bijvoorbeeld niet uitgelegd op welke wijze de werkzaamheden van begin 2016 aan deze procedure te relateren zijn. De omvang van het dossier is ook geen rechtvaardiging voor een hoge vordering als die van Accord.

4.38.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de door Accord gevorderde proceskosten te matigen. De rechtbank zal de te vergoeden proceskosten van Accord begroten op een naar haar oordeel voor deze zaak als redelijk en evenredig aan te merken bedrag van € 200.000,-. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente als in het dictum vermeld.

4.39.

De proceskostenveroordeling zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het Nederlandse deel van het Europees Octrooi 1 203 761 B1;

5.2.

verklaart het ABC met nummer 300199 nietig;

5.3.

veroordeelt NPS in de proceskosten aan de zijde van Accord begroot op
€ 200.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag waarop het volledige bedrag is voldaan;

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff, mr. A.M. Brakel en mr. C. Schüller en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.

1 Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)

2 Europees Octrooibureau

3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

4 Verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen.

5 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, inwerkingtreding: 9-1-2013, PB EU 2012, L 351/1 (de herschikte EEX-Vo)

6 Rijksoctrooiwet 1995

7 United States Patent and Trademark Office

8 Patent Cooperation Treaty (Samenwerkingsverdrag)

9 World Intellectual Property Organization

10 Zie ook rechtbank Den Haag 2 oktober 2013 (Teva v Sanofi) r.o. 4.6., ECLI:NL:RBDHA:2013:15067, waarin bijvoorbeeld wordt verwezen naar T1329/04 en rechtbank Den Haag 26 januari 2011 (Sandoz v Glaxo), r.o. 4.26.-4.30., BerichtenIE 2011-4.

11 Guidelines, G-VII, 11

12 Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag, 29 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7363 (MSD/Ono), met in rov. 5.40 verwijzingen naar relevante uitspraken van de kamers van beroep van het EOB