Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9264

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
NL19.19033
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale bescherming in Italië, verloop van verblijfsvergunning, 3.106a Vb, beoordeling banden met Nederland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.19033


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is, tegelijk met de zaak NL19.19034, op 29 augustus 2019 op de zitting besproken. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].

2. Eiser heeft op 5 september 2015 asiel aangevraagd. Bij besluit van 22 mei 2016 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser in een ander land van de Europese Unie – Italië – internationale bescherming geniet. Met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 24 juni 20161 is dit besluit in rechte komen vast te staan.

3. Eiser heeft op 19 januari 2019 met de indiening van een formulier M35-O een tweede asielaanvraag ingediend. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag aangevoerd dat de situatie in zijn land van herkomst niet is veranderd en dat zijn ouders inmiddels in Nederland verblijven. Verder heeft eiser verklaard dat de situatie in Italië heel slecht is en dat eiser er geen recht heeft op werk en op studie. Na terugkeer naar Italië in 2016 heeft eiser daar een jaar op straat moeten leven. Verder heeft eiser verklaard dat zijn verblijfsrecht in Italië in 2019 is verlopen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser wederom niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Weliswaar is de geldigheidsduur van de aan eiser verleende verblijfsvergunning op 28 mei 2019 verstreken, maar uit de op 8 augustus 2019 door de Italiaanse autoriteiten gegeven inlichtingen blijkt dat aan eiser internationale bescherming is verleend en dat eiser kan terugkeren naar Italië. Verweerder wijst er in dit verband op dat de beschermingsstatus pas eindigt als deze is ingetrokken of beëindigd. Dat eiser graag bij zijn familie in Nederland wil verblijven wordt niet relevant geacht omdat de asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard en dus niet inhoudelijk wordt beoordeeld, aldus verweerder.

5. In beroep heeft eiser onder verwijzing naar zijn zienswijze aangevoerd dat uit het rapport van AIDA2 van 16 april 2019 blijkt dat niet zeker is dat eiser zijn vergunning kan vernieuwen. Verweerder is daarop in het bestreden besluit niet ingegaan. De vergunning van eiser is van rechtswege verlopen door het verstrijken van de termijn. Verweerder had de Dublinverordening3 moeten toepassen als hij het asielverzoek van eiser niet aan zich had willen houden. Verder betoogt eiser dat uit de informatie van de Italiaanse autoriteiten is af te leiden dat de vragen zijn gesteld over overdracht in het kader van de Dublinverordening. Tot slot voert eiser aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de wens van eiser om bij zijn familie in Nederland te blijven niet hoefde te beoordelen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Voorop wordt gesteld dat met het aflopen van de geldigheidsduur van de verleende verblijfstitel aan eiser op 28 mei 2019 de internationale bescherming door Italië niet is geëindigd. Terecht heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de beschermingsstatus pas afloopt na intrekking of beëindiging. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest H.T. van 24 juni 2015 van het Hof van Justitie van de Europese Unie4 en in bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State5.

7. De stelling dat de vergunning van eiser van rechtswege zou zijn verlopen door het verstrijken van de termijn, kan dus niet leiden tot de slotsom dat de internationale bescherming is geëindigd. Uit het bericht van de Italiaanse autoriteiten van 6 augustus 2019 blijkt voorts dat van (expliciete) intrekking of beëindiging van de beschermingsstatus van eiser geen sprake is. De door eiser aangehaalde AIDA-rapportage vermeldt weliswaar dat verlenging van verleende asielvergunningen enige tijd kan duren, maar daarin staat ook dat verlenging doorgaans wel plaatsvindt.

8. Anders dan eiser heeft betoogd, kan uit de bewoordingen van de brief van 6 augustus 2019 niet worden afgeleid dat het bij eiser gaat om een overdracht in het kader van de Dublinverordening. De in dit bericht gevraagde gegevens over de datum van terugkeer van eiser naar Italië duiden niet noodzakelijkerwijs op de toepassing van de Dublinverordening.

9. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat vanwege eisers beschermingsstatus in Italië is voldaan aan de in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) gestelde voorwaarde dat de vreemdeling een zodanige band met het betrokken land heeft dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Op grond van het derde lid van deze bepaling worden bij de beoordeling of sprake is van een band, als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het vorige verblijf. Verweerder heeft in zijn besluitvorming wel kenbaar de door eiser aangevoerde slechte verblijfsomstandigheden in Italië betrokken. Verweerder heeft daarover het standpunt ingenomen dat eiser daarover niets wezenlijk nieuws heeft aangevoerd ten opzichte van zijn vorige asielaanvraag. Wel nieuw is echter de aangevoerde omstandigheid dat inmiddels niet alleen eisers broer, maar ook zijn ouders in Nederland verblijven. Verweerder heeft dat gestelde feit niet bij de afweging betrokken. In zoverre is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

10. Dit gebrek kan echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder heeft ter zitting over de aanwezigheid van eisers ouders het volgende aangevoerd. Eiser is meerderjarig en zelfstandig. Hij heeft ook zelfstandig in Italië verbleven. Mede daardoor is het belang om bij zijn ouders in Nederland te verblijven niet van doorslaggevende betekenis. Vanwege de verleende internationale bescherming is volgens verweerder sprake van sterkere banden met Italië. De rechtbank is van oordeel dat daarmee alsnog een toereikende motivering is gegeven van het standpunt dat sprake is van een sterkere band, als bedoeld in artikel 3.106a van het Vb, met Italië. De rechtbank zal dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het bestreden besluit in stand laten.

11. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder. Het bedrag daarvan wordt gesteld op € 512 (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 512).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ten bedrage van € 512

(vijfhonderdtwaalf euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.

1 Zaaknummers AWB 16/10985 en AWB 16/10984

2 Asylum Information Database

3 Verordening (EU) nr. 604/2013

4 ECLI:EU:C:2015:413, punt 95

5 Onder meer de uitspraken van 9 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1253) en 18 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1971)