Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9263

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
C/09/559166 / HA RK 18-449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Nieuw-Zeeland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 18-449

Zaaknummer: C/09/559166

Datum beschikking: 22 augustus 2019

Beschikking op het op 30 augustus 2018 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,

wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,

advocaat: mr. M. Woudwijk te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen: de IND),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief van 11 oktober 2018, met bijlage, van de zijde van de IND;

  • -

    de brief van 28 november 2018, met bijlagen, van de zijde van verzoekster;

  • -

    de brief van 19 maart 2019 van de zijde van de IND;

  • -

    de conclusie van de officier van justitie van 14 mei 2019.

Op 11 juli 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met haar advocaat en mr. Cappon namens de IND. Van de zijde van de IND zijn nadere stukken overgelegd.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt ertoe vast te stellen dat verzoekster sinds haar geboorte – dan wel met ingang van een datum die de rechtbank juist acht – de Nederlandse nationaliteit bezit, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • -

    Verzoekster is geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1] , Nieuw-Zeeland, als kind van de op dat moment ongehuwde moeder [moeder] (hierna: de moeder), geboren op [geboortedatum 2] 1954 te [geboorteplaats 2] , Nieuw-Zeeland.

  • -

    In de geboorteakte is [vader] (hierna: de vader), geboren op [geboortedatum 3] 1946 te [geboorteplaats 3] , Nederland, geregistreerd als vader van verzoekster.

  • -

    De vader was ten tijde van de geboorte en het opmaken van de geboorteakte van verzoekster gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster.

  • -

    De vader en zijn toenmalige echtgenote zijn, volgens verzoekster, op [datum scheiding van tafel en bed] 1992 gescheiden van tafel en bed en het huwelijk zou op [datum echtscheiding] 2000 door echtscheiding zijn ontbonden.

  • -

    De vader heeft de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster en de moeder hebben de Nieuw-Zeelandse nationaliteit.

  • -

    Bij beslissing van 13 januari 2017 is, namens de Minister van Buitenlandse Zaken, het ingestelde bezwaar tegen de beschikking van 2 november 2016, waarbij de aanvraag voor een Nederlands paspoort niet in behandeling is genomen, kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

Beoordeling

In geschil is of verzoekster in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. Verzoekster is geboren uit een affectieve relatie tussen de vader en de moeder die niet met elkaar gehuwd waren. Hoewel de ouders niet met elkaar gehuwd waren en de vader gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster, staat de vader als vader geregistreerd op de geboorteakte van verzoekster. Naar het recht van Nieuw-Zeeland was sprake van een ‘de facto relationship’ tussen de ouders van verzoekster en daaruit volgt naar het recht van Nieuw-Zeeland een vermoeden van vaderschap. De Status of Children Act 1969, section 7, sub 1b, bepaalt voorts dat de familierechtelijke betrekking wordt bewezen door vermelding van de vader in de geboorteakte. Verzoekster stelt dat naar het recht van Nieuw-Zeeland sinds de geboorte van verzoekster een afstammingsrechtelijke relatie bestaat tussen haar en de vader. Nu de geboorteakte is opgemaakt overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een daartoe bevoegde instantie en er geen sprake van is dat de erkenning van de afstammingsrelatie zou moeten afstuiten op de openbare orde, dient de familierechtelijke betrekking op grond van artikel 10:101 jo. 10:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden erkend. Hieruit volgt, aldus verzoekster, dat zij bij geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Ook beroept verzoekster zich op een uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:293) waarin sprake was van een zelfde situatie.

De IND stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet door afstamming of anderszins de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De IND voert ter onderbouwing aan dat de vermelding van de vader op de geboorteakte van verzoekster overeenkomstig het Nieuw-Zeelandse recht gelijk te stellen is aan een erkenning van een kind naar Nederlands recht. Tot 1 april 1998 kende de Nederlandse wet een absoluut verbod tot erkenning door een gehuwde man (artikel 1:224 BW oud). Daarom is het buitenlandse rechtsfeit op grond van artikel 10:101 lid 2 sub a BW, niet vatbaar voor erkenning in de Nederlandse rechtsorde.

Verder stelt de IND dat een eventuele vaststelling dat er ten tijde van de geboorte van verzoekster sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking of family life tussen verzoekster en de vader, geen nationaliteitsgevolgen heeft en daarom niet kan leiden tot het oordeel dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit bezit door afstamming. De IND verwijst hierbij naar een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 januari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:59, r.o. 3.13.1 e.v).

De rechtbank overweegt als volgt.

Of verzoekster bij haar geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen dient te worden beoordeeld aan de hand van de toen geldende Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Artikel 3, lid 1, RWN (oud) bepaalde dat Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Gelet op het bepaalde in artikel 1, onder d, RWN (oud) wordt verstaan onder vader de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.

De vraag of tussen de vader en het kind een familierechtelijke betrekking bestaat dient mede te worden beantwoord aan de hand van de regels van het Nederlandse internationaal privaatrecht. Deze regels bepalen dat onder bepaalde voorwaarden in het buitenland ontstane of vastgestelde familierechtelijke betrekkingen in Nederland worden erkend, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals strijd met de openbare orde. Deze erkenning is nu geregeld in de artikelen 10:100 en 10:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (voorheen, vanaf 2003, in de artikelen 9 en 10 van de Wet conflictenrecht afstamming (Wca)). Hoewel deze regeling als zodanig uitsluitend van toepassing is op rechtsbetrekkingen die na 1 januari 2003 zijn vastgesteld of gewijzigd (art. 10:102 BW, voorheen art. 11 Wca) sluiten de bepalingen ervan, volgens de daarop gegeven toelichting, in belangrijke mate aan bij het daarvoor bestaande ongeschreven recht.

Tussen de ouders van verzoekster was sprake van een zogenoemde de facto relationship. Uit de door verzoekster overgelegde informatie van de ‘New Zealand Law Society’ over

de facto relationships volgt dat de Nieuw-Zeelandse wet er van uitgaat dat de man die op enig moment tussen het moment van de conceptie van een kind en de geboorte van dat kind, samenleeft met een vrouw als haar partner, de vader is van dat kind. Zekerheidshalve wordt geadviseerd de naam van de vader in de geboorteakte van het kind te laten registreren, welke registratie de instemming van beide ouders vereist. Op grond van artikel 2, sub a, van de Status of Children Amendment Act 1987 wordt een vrouw, die met een man samenleeft als zijn echtgenote in een relatie die op één lijn te stellen is met een huwelijk, gelijk gesteld aan een met die man gehuwde vrouw. Uit artikel 5 sub 1 van de Status of Children Act 1969 volgt dat een kind geboren uit een vrouw binnen tien maanden nadat het huwelijk is ontbonden door overlijden of anderszins, wordt gezien als een kind van de moeder en haar echtgenoot of voormalig echtgenoot, tenzij uit bewijs blijkt dat dit niet het geval is.

De rechtbank leidt uit de hiervoor aangehaalde Nieuw-Zeelandse wetsartikelen en informatie van de New Zealand Law Society af dat relaties tussen een man en een vrouw, die samenleven als waren zij gehuwd, gelijk gesteld worden aan een huwelijk. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat tussen de ouders van verzoekster, die niet met elkaar gehuwd waren ten tijde van haar geboorte, sprake was van een relatie die gelijk te stellen was aan een huwelijk, hetgeen ook door verzoekster ter zitting is gesteld. Immers, de ouders van verzoekster woonden samen als man en vrouw zowel ten tijde van de conceptie als op het moment van de geboorte van verzoekster.

De rechtbank volgt de IND dan ook niet in het standpunt dat de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en haar vader tot stand is gekomen door een handeling die gelijk is te stellen aan een erkenning. De rechtbank is van oordeel dat de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en haar vader van rechtswege tot stand is gekomen bij de geboorte van verzoekster vanwege het feit dat tussen haar ouders sprake was van een de facto relationship, welke – naar het recht van Nieuw-Zeeland – gelijk gesteld wordt aan een huwelijk.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de bij de geboorte van verzoekster tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen haar en de vader voor erkenning in aanmerking kan komen in het kader van de in verband met artikel 1 onder d RWN (oud) te beantwoorden vraag of er op dat tijdstip tussen hen een familierechtelijke betrekking bestond.

Op grond van artikel 3, lid 1, RWN (oud) verkrijgt een kind uitsluitend bij geboorte de Nederlandse nationaliteit indien de vader of de moeder ten tijde van de geboorte Nederlander is. De erkenning van de in Nieuw-Zeeland bij de geboorte van rechtswege tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en haar vader kan alleen tot verkrijging van het Nederlanderschap bij geboorte leiden indien deze familierechtelijke betrekking op één lijn te stellen is met die welke naar Nederlands recht bestaat tussen de vader en het wettig kind. Hiervoor is voldoende dat komt vast te staan dat tussen de vader en de moeder een band heeft bestaan die met een huwelijk op één lijn kan worden gesteld.

Zoals hiervoor reeds overwogen worden de man en de vrouw die samenleven als waren zij gehuwd, volgens het recht van Nieuw-Zeeland gelijkgesteld aan gehuwden. Bovendien wordt de man die samenleeft met de moeder van het kind ten tijde van de conceptie en de geboorte aangemerkt als vader van het kind. Als bewijs hiervoor geldt in ieder geval de vermelding van de man als vader in de geboorteakte van het kind. Er is naar Nieuw-Zeelands recht geen onderscheid tussen kinderen die tijdens een samenlevingsrelatie worden verwekt en geboren en kinderen van gehuwde ouders. Nu de ouders van verzoekster ten tijde van de conceptie en de geboorte van verzoekster samenleefden als man en vrouw bestaat naar het recht van Nieuw-Zeeland tussen verzoekster en de vader vanaf de geboorte van verzoekster de familierechtelijke betrekking van vader en dochter.

De rechtbank is van oordeel dat er geen grond bestaat om het rechtsfeit, zijnde de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de vader zoals die is ontstaan naar Nieuw-Zeelands recht, niet te erkennen. Niet in geschil is dat verzoekster is geboren in een feitelijke gezinssituatie met haar ouders en de eerste jaren samen met hen is opgegroeid. Ook nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan hebben de ouders contact met elkaar gehouden. Verzoekster heeft ook een tijdje bij haar vader gewoond. Er is door de jaren heen steeds sprake geweest van family life. Gelet hierop kan evenmin worden geoordeeld dat erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de vader in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde. Uit het feit dat verzoekster is geboren en opgegroeid in een feitelijke gezinssituatie met haar ouders volgt dat de familierechtelijke betrekking waarin zij tot haar vader staat op één lijn is te stellen met die welke naar Nederlands recht bestaat tussen de vader en een wettig kind.

Gelet op al het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek toe.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

*

stelt vast dat [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1] , Nieuw-Zeeland, sinds haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, J.T.W. van Ravenstein en I. Zetstra, rechters, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 augustus 2019.