Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9224

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
7111064 CV EXPL 18-3346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dexia – overeenkomsten van effectenlease

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats Leiden

MvN

Rolnr.: 7111064 \ CV EXPL 18-3346

Vonnis van de kantonrechter d.d. 31 juli 2019 in de zaak:

X,

wonende te Y,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel (USG Legal Professionals).

Partijen zullen hierna “X” en “Dexia” worden genoemd.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 13 juli 2018 met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties;

- de conclusie van repliek tevens conclusie van antwoord in reconventie met één productie;

- de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie.

Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter - zowel in conventie als in reconventie - van het volgende uit.

a

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster als rechtspersoon opgehouden te bestaan. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechts-

voorgangsters daaronder mede begrepen.

b

X heeft de navolgende overeenkomsten van effectenlease met Dexia gesloten (hierna: de leaseovereenkomsten):

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

1

74223880

24-9-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 4.619,74

2

59110379

3-3-2000

Korting Kado

120 mnd

€ 5.012,24

3

74421329

21-8-2000

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 23.882,79

4

76000264

21-9-2000

WinstVer10dubbelaar

120 mnd

€ 6.068,30

5

29402045

14-11-2000

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 23.580,72

38081453

c

Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

1

74223880

niet vermeld

€ 22,28 -

2

59110379

niet vermeld

€ 23,12 +

3

74421329

19 april 2004

€ 10.658,45 -

4

76000264

9 augustus 2006

€ 845,24 -

5

29402045

niet vermeld

€ 0,00

d

Volgens de financiële gegevens, die partijen in deze procedure hebben verstrekt, heeft X op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia betaald € 12.678,62 aan inleg en € 38.340,42 aan restschuld. Verder is er in januari 2012 een schadevergoeding van € 25.775,61 wegens schending van haar zorgplicht door Dexia aan X betaald. Aan dividendvergoeding en claims heeft Dexia € 621,61 uitbetaald € 35,10 verrekend.

e

Aan het einde van de looptijd van de leaseovereenkomsten 1, 2 en 5 heeft X de onderliggende aandelen overgenomen, onder betaling van de op dat moment nog verschuldigde restant hoofdsom.

f

Bij brief van 5 december 2005 heeft de gemachtigde van X aan Dexia verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, om binnen twee weken na 5 december 2005 alle door X betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen.

g

X heeft door middel van een zogenaamde “opt-out-verklaring” in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aan Dexia laten weten niet aan de WCAM-regeling gebonden te willen zijn.

h

X is geboren op [geboortedatum] en op 30 juni 1997 heeft hij zijn studie beëindigd.

Vorderingen

in conventie

X vordert bij vonnis, voor zover rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten, althans haar zorgplicht heeft geschonden jegens X op de gronden zoals in deze dagvaarding vermeld;

2. voor recht te verklaren dat er ten aanzien van de litigieuze overeenkomsten sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het zgn. Hofmodel;

3. Dexia te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan X te voldoen al hetgeen X aan Dexia ingevolge de litigieuze overeenkomsten heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de betaling door X aan Dexia, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag ingangsdatum, tot aan de dag der algehele voldoening;

4. Dexia te veroordelen om aan X te vergoeden de volledige door X verschuldigde buitengerechtelijke kosten, althans subsidiair de buitengerechtelijke kosten vast te stellen conform het Rapport Voorwerk II, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

5. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, salaris gemachtigde daaronder begrepen, alsmede in de nakosten, welke nakosten worden begroot op een half punt van het liquidatietarief met een maximum van € 100,00.

in reconventie

Dexia heeft de navolgende reconventionele vorderingen tegen X ingesteld:

(I)

voor recht te verklaren dat de overeenkomsten met nummers 74223880, 59110379, 74421329, 76000264 en 29402045 rechtsgeldig tot stand gekomen zijn, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van X een beroep kan worden gedaan; alsmede

(II)

primair: voor recht te verklaren dat X met betrekking tot de overeenkom- ten met nummers 74223880, 59110379, 74421329, 76000264 en 29402045 niet blootgesteld werd aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last;

subsidiair: voor recht te verklaren dat X met betrekking tot de overeen- komsten met nummers 74223880, 59110379, 74421329 en 76000264 niet blootgesteld werd aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last;

(III)

voor recht te verklaren dat Dexia niets meer is verschuldigd aan X,

alles met veroordeling van X in de kosten van het geding.

Verweer in conventie en in reconventie

Partijen hebben de tegen hen ingestelde vorderingen over en weer betwist en daarop zal

- voor zover daaraan wordt toegekomen - hierna worden ingegaan.

Beoordeling in conventie

Het conventionele geschil van partijen spits zich toe op de zorgplicht van Dexia als bancaire instelling. Met betrekking tot deze zorgplicht wordt het volgende voorop gesteld.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de zorgplicht die een bancaire financiële instelling in acht dient te nemen bij het afsluiten van effectenlease- overeenkomsten zoals de onderhavige leaseovereenkomsten. Daarbij heeft de Hoge Raad regels en beoordelingsmaatstaven gegeven die hierop van toepassing zijn. In de arresten van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009: BK4978, ECLI:NL: GHAMS: 2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982 en ECLI:NL:GHAMS: 2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

Deze in de jurisprudentie ontwikkelde bancaire zorgplicht en de verplichting tot schadevergoeding indien daaraan niet is voldaan, bestaat uit:

1) enerzijds: de verplichting tot het waarschuwen voor het risico op het ontstaan van een restschuld (de “waarschuwingsplicht”); indien de bank hierin toerekenbaar tekort is geschoten dan dient de door de bank te vergoeden schadevergoeding te worden vastgesteld op basis van 2/3 deel van de restschuld;

2) anderzijds: de verplichting tot onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van de belegger ten tijde van het aangaan van een overeenkomst van effectenlease, waarbij geldt dat, indien de financiële situatie niet toereikend is voor het aangaan van deze overeen- komst, de bank het aangaan van die overeenkomst behoort te ontraden (de “onderzoeks- plicht”); indien de bank dit nalaat en komt vast te staan dat ten tijde van het afsluiten van de leaseovereenkomst(en) sprake is geweest van “een onaanvaardbaar zware financiële last” aan de zijde van de belegger dan is de bank tevens gehouden om de belegger op basis van 2/3 deel van de inleg schadeloos te stellen.

Door Dexia is erkend dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de onder 1) vermelde waarschuwingsplicht. Ook staat vast dat Dexia overeenkomstig de Hof-formule is opgekomen voor haar 2/3 aandeel in de restschuld, waarin de met X gesloten leaseovereenkomsten hebben geresulteerd. Daartoe heeft Dexia in 2012, inclusief rente,

€ 25.775,61 aan X betaald.

Onaanvaardbaar zware financiële last

Het conventionele geschil van partijen spitst zich toe op de onder 2) vermelde onderzoeks- plicht van Dexia, respectievelijk of er ten tijde van het afsluiten van de vijf leaseover- eenkomsten sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware financiële last.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last heeft het hof Amsterdam in zijn arresten van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009: BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) een vuistregel geformuleerd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de uit de overeenkomst(en) voortvloeiende financiële verplichtingen naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op een belegger zouden leggen. Deze vuistregel (hierna: de Hof-formule) is ook gehanteerd in de arresten van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4012 en BP4003) en luidt: X - W - A - B - C < Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X-Y). De Hoge Raad heeft in voornoemde arresten voorts bepaald dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij mag, aldus de Hoge Raad, worden uitgegaan van een algemene formule, mits die voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden rekening te houden.

De kantonrechter gaat er derhalve als regel van uit dat, als het netto maandinkomen (X), minus de woonlasten boven het daarvoor door het Nibud gehanteerde bedrag (W), minus financiële verplichtingen uit de leaseovereenkomst (A), minus eventuele financiële verplichtingen uit eerdere leaseovereenkomsten (B) en minus eventuele rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten (C), lager is dan 110% van de voor de afnemer geldende Nibud basisnorm (Y), vermeerderd met 15% van het verschil tussen het netto maandinkomen (X) en deze basisnorm (Y), er sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware financiële last.

Volgens X blijkt uit de door hem opgestelde Hof-formule-berekening dat in zijn situatie ten tijde van het afsluiten van ieder van de vijf leaseovereenkomsten er sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware financiële last.

Dexia stelt zich daarentegen op het standpunt dat er alleen ten tijde van het afsluiten van leaseovereenkomst 5 sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware financiële last aan de zijde van X. Ten tijde van het aangaan de leaseovereenkomsten 1 tot en met 4 was er echter geen sprake van een onaanvaardbaar maar van een aanvaardbaar zware financiële last, aldus Dexia.

Gelet op de erkenning ten aanzien van leaseovereenkomst 5 (nummer 29402045) kan dus reeds thans worden geconcludeerd dat Dexia niet alleen haar waarschuwingsplicht heeft geschonden maar ook haar onderzoeksplicht en dat zij daarom gehouden is om 2/3 deel van de door X betaalde inleg, vermeerderd met rente, te vergoeden. Of dit ook geldt voor de leaseovereenkomsten 1 tot en met 4 zal hierna voor ieder van deze overeenkomsten worden onderzocht.

Nibud basisnorm (Factor Y)

Bij de beoordeling of er ten tijde van het afsluiten van de leaseovereenkomsten 1 tot en met 4 sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last is van belang te bepalen of sprake is van een eenpersoonshuishouden (waardoor alleen de financiële gegevens van X van belang zijn) of van een meerpersoonshuishouden (waardoor ook de gegevens van de ouders van belang zijn bij wie X op dat moment inwoonde). X stelt dat hij alleenstaande was en dat hij een zelfstandig huishouden voerde. Dexia betwist dit en stelt dat, omdat X nog bij zijn ouders woonde, tevens het inkomen van de ouders dient te worden betrokken bij de berekening of sprake was van een aanvaardbare of onaanvaardbare financiële last bij het aangaan van de leaseovereenkomsten. Het feit dat X bij zijn ouders inwoonde en kostgeld moest betalen betekent volgens Dexia nog niet dat hij een zelfstandig huishouden voert in de zin van het Nibud of de Hof-formule.

De kantonrechter is in dit geval van oordeel dat het inkomen van de ouders van X niet in de berekening dient te worden betrokken. De enkele omstandigheid dat een jong-meerderjarig kind nog bij zijn ouders woont, brengt niet automatisch mee dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. In beginsel is een dergelijk geval doorgaans sprake van en aflopende relatie. X heeft ook, onbetwist, gesteld dat hij de leaseovereenkomsten juist is aangegaan om te kunnen sparen voor het kopen van een eigen huis. Gelet hier op en het feit dat het gaat het om verplichtingen die jarenlang (tussen de 3 en 10 jaar) maandelijks moeten worden voldaan, kan niet met voldoende zekerheid gesteld worden dat X gedurende de gehele looptijd van de overeenkomsten bij zijn ouders zou zijn blijven wonen. Van een duurzame gemeenschappelijke huishouding is naar de mening van de kantonrechter in dit geval dan ook geen sprake en geldt voor X de Nibud-norm voor alleenstaanden.

Gelet op het bovenstaande en het feit dat Dexia het maandelijkse netto inkomen van X niet heeft betwist, betekent dit voor de leaseovereenkomsten 1 tot en met 4 dat de volgende bestedingsnormen volgens de Hof-formule hebben te gelden:

- leaseovereenkomst 1 (nummer 74223880):
€ 544,00 + 0,1 x € 544,00 + 0,15 x (€ 983,46 - € 544,00) = € 664,32
- leaseovereenkomst 2 (nummer 59110379):
€ 551,00 + 0,1 x € 551,00 + 0,15 x (€ 1.260,64 - € 551,00) = € 712,55
- leaseovereenkomst 3 (nummer 74421329):
€ 551,00 + 0,1 x € 551,00 + 0,15 x (€ 1.260,64 - € 551,00) = € 712,55
- leaseovereenkomst 4 (nummer 76000264):
€ 551,00 + 0,1 x € 551,00 + 0,15 x (€ 1.260,64 - € 551,00) = € 712,55

Blijkens het door Dexia als productie 7 bij de conclusie van antwoord in conventie in het geding gebrachte en door haar opgestelde eindafrekening worden door Dexia in ieder geval de volgende besteedbare inkomens erkend:
- leaseovereenkomst 1 (nummer 74223880): € 807,99
- leaseovereenkomst 2 (nummer 59110379): € 1.043,45
- leaseovereenkomst 3 (nummer 74421329): € 380,03
- leaseovereenkomst 4 (nummer 76000264): € 329,47

Hieruit volgt reeds dat voor de leaseovereenkomsten 3 en 4 sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last omdat het door Dexia erkende besteedbaar inkomen van X ten tijde van het aangaan van deze leaseovereenkomsten lager was dan de vastgestelde bestedingsnorm. De overige factoren uit de Hof-formule behoeven voor de leaseovereenkomsten 3 en 4 dan ook geen verdere behandeling meer. Omdat er tussen partijen over de factoren B, C en D discussie bestaat en deze factoren nog wel van invloed zijn op de bepaling van de hoogte van het besteedbaar inkomen voor de leaseovereenkomsten 1 en 2, zal hierna separaat op deze factoren worden ingegaan.

Verplichtingen eerdere leaseovereenkomst(en) (factor B)

Vast staat dat X omstreeks december 1998 een effectenleaseovereenkomst is aangegaan met Fortis en omstreeks februari 2000 tevens een effectenleaseovereenkomst met Aegon. In zijn Hof-formuleberekening voor de leaseovereenkomsten 1 en 2 heeft X € 106,36 voor factor B aangehouden als de maandelijkse last van de Fortis-leaseovereenkomst. Bij de berekening voor leaseovereenkomst 2 heeft X voor de maandelijkse last van het Aegon Sprintplan een bedrag van € 272,27 aangehouden.

Hetgeen Dexia met betrekking tot de Fortis-leaseovereenkomst heeft aangevoerd komt op het volgende neer. De maandelijkse betalingsverplichting van X uit deze overeenkomst bestond per 24 september 1999 uit een rentebetaling van € 47,14 en niet uit het door X aangehouden bedrag van € 106,36. De hierin begrepen aankoopsom van de aandelen had immers reeds plaatsgevonden. Het rentebedrag van € 47,14 heeft Dexia daarom in de door haar opgestelde Hof-formuleberekening bij factor C (verplichtingen uit eerdere overige kredieten) opgenomen. Ten aanzien van het Aegon Sprintplan voert Dexia aan dat niet voldoende is gebleken waar de maandelijkse renteverplichtingen van X uit bestonden. X heeft nog aangevoerd dat de leaseovereenkomsten van andere aanbieders wel degelijk als factor B dienen te worden meegewogen.

Met X is de kantonrechter van oordeel dat geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen leaseovereenkomsten die met Dexia gesloten zijn en leaseovereenkomsten van andere aanbieders. Al deze leaseovereenkomsten vallen onder factor B en dienen aldus hetzelfde behandeld te worden als de Dexia leaseovereenkomsten. Dit betekent dat niet alleen de rente die X betaalde bij de berekening van het besteedbaar inkomen dient te worden meegenomen, maar de gehele maandelijkse last. Nu Dexia niet heeft betwist dat de totale maandelijkse last van de Fortis-leaseovereenkomst € 106,36 bedraagt en dat deze overeenkomst is ingegaan eind 1998, dient dit bedrag onder factor B te worden meegenomen in de Hof-formuleberekening voor zowel leaseovereenkomst 1 als leaseovereenkomst 2. Omdat ook het Aegon Sprintplan een effectenleaseovereenkomst betreft, hetgeen niet door Dexia is betwist, dient ook hiervan de gehele maandelijkse last van € 272,27, welk bedrag op zichzelf niet wordt weersproken door Dexia, te worden meegenomen onder factor B. Nu het Sprintplan pas in februari 2000 is gaan lopen zal de maandelijkse last van het Sprintplan alleen meegenomen worden onder factor B in de berekening voor leaseovereenkomst 2.

Verplichtingen eerdere overige krediet(en) (factor C)

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het afsluiten van de onderhavige leaseovereenkomst op 24 september 1999 voor X nog een studieschuld openstond bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). X heeft bij dagvaarding als productie 5 een opgave van DUO overgelegd, waarin is aangegeven dat die schuld per 1 februari 1999 fl. 2.230,10 bedroeg en dat daarop vanaf 1 januari 2000 per maand € 45,38 diende te worden afbetaald. De discussie van partijen spitst zich toe op de vraag of X vanaf 1 januari 2000 ook daadwerkelijk het bedrag van € 45,38 aan DUO heeft betaald omdat, zo meent Dexia, bij gebreke van betaling dit bedrag niet mag worden meegewogen bij de bepaling van het besteedbaar inkomen.

De kantonrechter volgt in deze de mening van Dexia niet. Nu vast is komen te staan dat X een schuld had waarop hij maandelijks een bedrag van € 45,38 diende af te lossen, is sprake van een terugbetalingsverplichting van X van een eerdere schuld. Dat X geen bewijs kan overleggen of hij daadwerkelijk deze maandelijkse verplichting heeft voldaan, doet daar niet aan af. Het bedrag van € 45,38 zal dan ook worden betrokken in de berekening van het besteedbaar inkomen.

Bijzondere lasten (factor D)

Tot slot dient nog beoordeeld te worden of het door X onder factor D aangehouden bedrag van € 52,19 aan kostgeld in de berekening dient te worden betrokken. Dexia betwist dit en stelt dat in de Hof-formule geen ruimte is voor een post ‘bijzondere lasten’ en dat deze post berust op een onjuiste toepassing van de Hof-formule.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In de Hof-formule is geen factor D begrepen. Dat neemt evenwel niet weg dat, indien X aantoont dat in zijn specifieke situatie sprake is van bijzondere uitgaven die van invloed zijn op zijn financiële ruimte, daarmee rekening gehouden moet worden. X heeft niet, dan wel onvoldoende, aangetoond en onderbouwd, mede gelet op de betwisting hiervan door Dexia, dat ten aanzien van het kostgeld sprake is van een bijzondere uitgave waarmee rekening dient te worden gehouden in de berekening. Het bedrag van € 52,19 zal dan ook buiten de berekening worden gehouden.

Het bovenstaande brengt mee dat voor leaseovereenkomst 1 volgens de Hof-formuleberekening een besteedbaar inkomen van € 703,39 (€ 983,46 (X) - € 128,33 (A) - € 106,36 (B) - € 45,38 (C)) heeft te gelden en voor leaseovereenkomst 2 een besteedbaar inkomen van € 666,53 (€ 1.260,64 (X) - € 41,77 (A) - € 506,96 (B) - € 45,38 (C)). Nu voor leaseovereenkomst 1 de bestedingsnorm € 664,32 is, is derhalve ten aanzien van deze leaseovereenkomst geen sprake van een onaanvaardbaar zware financiële last. Voor leaseovereenkomst 2 geldt een bestedingsnorm van € 712,55. Het besteedbaar inkomen ligt daaronder. Hiermee komt vast te staan dat voor leaseovereenkomst 2 wel is sprake van een onaanvaardbaar zware financiële last.

Dit betekent derhalve dat voor X, met uitzondering van leaseovereenkomst 1, geldt dat sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last en dat X dus op grond hiervan voor 4 van de 5 leaseovereenkomsten aanspraak kan maken op terugbetaling van 2/3e deel van de door hem betaalde inleg. De in dit kader gevorderde verklaring voor recht zal voor de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5 dan ook worden gegeven.

Nu Dexia reeds heeft erkend toerekenbaar te kort te zijn geschoten in de nakoming van haar waarschuwingsplicht jegens X en uit het voorgaande volgt dat de onderzoeksplicht van Dexia had moeten uitwijzen dat zij X het aangaan van de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5 had behoren te ontraden, kan de conclusie worden getrokken dat Dexia haar zorgplicht jegens X heeft geschonden en zij hiermee onrechtmatig jegens X heeft gehandeld. De door X gevraagde verklaring voor recht zal dan ook worden gegeven. Dexia zal worden veroordeeld in vergoeding van de gevorderde schade zoals hierna wordt vermeld en met inachtneming van het volgende.

Verrekening van voordelen

Door Dexia is aangevoerd dat bij de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende schade rekening dient te worden gehouden met de fiscale voordelen die X heeft genoten, bestaande uit het belastingvoordeel op de betaalde rente en de ingehouden dividendbelasting voor een bedrag groot € 628,94. Dit voordeel is onlosmakelijk verbonden aan de leaseovereenkomsten en zou X niet hebben genoten als hij deze overeenkomsten niet zou hebben gesloten. X stelt zich op het standpunt dat fiscaal voordeel niet voor verrekening in aanmerking komt, nu dit niet redelijk is en Dexia, als haar dit voordeel toekomt, hiermee ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Daarnaast kan het voordeel niet worden gebaseerd op 50% te betalen belasting, nu X niet in de derde schijf viel, maar in de tweede (37,05% in 1999 en 37,95% in 2000) schijf. Tot slot voert X nog aan dat het fiscaal voordeel al is verdisconteerd in de standaardverdeling van de effectenlease-praktijk.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij de vaststelling van schadevergoeding moet in lijn met artikel 6:100 BW rekening worden gehouden met een belastingvoordeel voor zover dat redelijk is. Door Dexia is gemotiveerd gesteld dat fiscale aftrekbaarheid een belangrijk onderdeel van de leaseovereenkomsten vormde en dat dit zelfs een van de redenen voor afnemers was om een leaseovereenkomst te sluiten. Voorts is door Dexia onbetwist gesteld dat ook X fiscaal voordeel heeft genoten aangezien hij de betaalde rente alsmede de door X ingehouden dividendbelasting fiscaal heeft afgetrokken, dan wel had kunnen aftrekken en zo aldus een belastingvoordeel heeft genoten. De stelling van X dat dit voordeel is verdisconteerd in de standaardverdeling van de effectenlease-praktijk is niet nader door hem onderbouwd en kan voorts niet worden afgeleid uit de toepasselijke jurisprudentie. De kantonrechter acht het gelet op het voorgaande redelijk dat in het onderhavige geval rekening wordt gehouden met het door X genoten belastingvoordeel.

Zoals hierboven al vermeld verschillen partijen verder ook nog van mening over de omvang van het genoten belastingvoordeel, bestaande uit ingehouden dividendbelasting en aftrekbare rente. Het is de kantonrechter uit de stukken echter niet gebleken dat X de hoogte van de door Dexia gestelde ingehouden dividendbelasting betwist, zodat van de juistheid van het door Dexia opgevoerde bedrag aan ingehouden dividendbelasting van € 195,01 zal worden uitgegaan. Wel betwist X dat hij voor de berekening van de aftrekbare rente in de derde schijf van 50% valt gelet op zijn jaarinkomen in 1999 en 2000. Dit heeft X onderbouwd met de door hem overgelegde biljetten van proces. Dexia heeft daarentegen op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat uitgegaan moet worden van 50%. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dan ook dat voor het berekenen van de aftrekbare rente voor het jaar 1999 is uit te gaan van een belastingschijf van 37,05% en in 2000 van een belastingschijf van 37,95%. Partijen zullen aan de hand van deze belastingschijven de berekening van de aftrekbare rente zelf moeten uitvoeren, nu de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt ten aanzien van de toepassing van welke schijf op welk bedrag om deze berekening te kunnen maken.

Berekening

Nu vast staat dat Dexia in januari 2012 aan X al 2/3e deel van de schade bestaande uit restschuld inclusief wettelijke rente heeft voldaan, zal Dexia gelet op hetgeen hierboven is overwogen in deze procedure nog worden veroordeeld tot vergoeding van 2/3e deel van de schade bestaande uit door X betaalde inleg met betrekking tot de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5. Volgens de opgave van Dexia (productie 1 van de conclusie van antwoord in conventie) heeft X voor de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5 aan inleg voldaan een bedrag van € 11.565,23. Dit bedrag wordt door X ook niet betwist. Dexia is gehouden hiervan 2/3e deel hiervan, te weten een bedrag van € 7.710,15, verminderd met het door X fiscaal genoten voordeel, aan X te voldoen.

Wettelijke rente

Tussen partijen is niet in geschil dat de wettelijke rente dient te worden berekend en te worden vergoed conform het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198). Dexia zal dan ook worden veroordeeld in de betaling van de wettelijke rente zoals hierna te melden.

Buitengerechtelijke kosten

X heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten door Dexia conform rapport Voorwerk II, hetgeen Dexia gemotiveerd heeft betwist. X heeft een beschrijving gegeven van de werkzaamheden die haar gemachtigde voorafgaande aan deze procedure heeft verricht.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) in r.o. 4.5.3 en 4.5.4 het volgende overwogen:

4.5.3 “….dat indien de door Leaseproces voor [eiser] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden niet meer behelzen dan het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken, zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven, de daarmee gemoeide kosten op grond van artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv in een procedure niet tot vergoeding in aanmerking komen. Dergelijke werkzaamheden moeten op een lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of andere eenvoudige brief, zoals bedoeld in HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:AF7004, rv. 3.5 en HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6164, rov. 5.3.2.”

4.5.4 “Naast de hiervoor in 4.5.3 bedoelde werkzaamheden bestaande in het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken, heeft [eiser] nog als werkzaamheden van Leaseproces vermeld, kort gezegd, het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van [eiser] en het adviseren daaromtrent, en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van [eiser] te kunnen bepalen. Dat zijn werkzaamheden die ook moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder art. 6:96 lid 3 BW en artikel 241 Rv vallen. Mede gelet op hetgeen hiervoor in 4.5.3 is overwogen, is na verwijzing dan ook geen ander oordeel mogelijk dan dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.”

Nu het de kantonrechter niet is gebleken dat de gemachtigde van X in deze zaak andere werkzaamheden heeft verricht dan die werkzaamheden die gelijkelijk zijn aan de werkzaamheden die door de Hoge Raad in bovenstaand arrest zijn opgesomd, zal de kantonrechter de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten afwijzen.

Beoordeling in reconventie

Dexia heeft aangevoerd dat zij de reconventionele vorderingen heeft ingesteld teneinde de geschillen inzake de tussen partijen gesloten leaseovereenkomsten zoveel als mogelijk in deze procedure te beslechten en om de gemachtigde van X te bewegen om in deze procedure al haar stellingen aan de orde te stellen die betrekking hebben op de rechtsgeldigheid van de leaseovereenkomsten. X stelt dat Dexia geen belang heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht.

De kantonrechter oordeelt dienaangaande als volgt. Dexia heeft voldoende belang (artikel 3:303 BW) om haar (reconventionele) vorderingen zoals hierboven weergegeven in te stellen. In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering (hier: X) om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Echter, het procesrecht dient er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar (hier: Dexia) die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Hij moet de mogelijkheid hebben om aan die situatie een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civiele rechten. Een vordering tot verklaring voor recht, zoals thans door Dexia in reconventie gevorderd, is daarvoor een bruikbaar middel.

Gelet echter op hetgeen in conventie is overwogen en beslist zal de vordering in reconventie om voor recht te verklaren dat de vijf leaseovereenkomsten rechtsgeldig tot stand gekomen zijn, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van X een beroep kan worden gedaan, worden afgewezen. Dit geldt tevens voor de vordering om voor recht te verklaren dat X met betrekking tot de overeenkomsten 2 tot en met 5 niet blootgesteld werd aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last. Omdat in conventie is overwogen en beslist dat ten aanzien van leaseovereenkomst 1 geen sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last, zal de verklaring voor recht dat X met betrekking tot deze overeenkomst niet blootgesteld werd aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last wel worden toegewezen. Tot slot zal ook de vordering voor recht te verklaren dat Dexia niets meer verschuldigd is aan X ook worden afgewezen, gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist.

in conventie en in reconventie

Proceskosten

Dexia zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van X in conventie en in reconventie. De nakosten zijn daarbij inbegrepen voor zover deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt. De nakosten worden begroot op een halve salarispunt met een maximum van € 120,00.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

- verklaart voor recht dat Dexia jegens X onrechtmatig heeft gehandeld door schending van de op haar rustende waarschuwings- en onderzoeksplicht, waardoor X de leaseovereenkomsten is aangegaan met een onjuiste voorstelling van zaken;

- verklaar voor recht dat er ten aanzien van de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5

(nummers 59110379, 74421329, 76000264 en 29402045) sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het zgn. Hofmodel;

- veroordeelt Dexia om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan X te voldoen een bedrag van € 7.710,15, op welk bedrag in mindering dient te worden gebracht het door X genoten belastingvoordeel, bestaande uit een bedrag van € 195,01 aan ingehouden dividendbelasting en een bedrag aan aftrekbare rente berekend overeenkomstig hetgeen hierover is overwogen op pagina 9 van dit vonnis;

- veroordeelt Dexia tot betaling aan X van de wettelijke rente over 2/3e deel van het bedrag van elke aan Dexia verrichte betaling op grond van de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5, vanaf het moment van die betaling tot aan de datum van algehele voldoening van het hierboven genoemde bedrag van € 7.710,15;

bepaalt voorts dat op de door Dexia verschuldigde wettelijke rente in mindering moet worden gebracht, indien van toepassing, een bedrag gelijk aan de wettelijke rente, ingaande de datum van de hierna bedoelde uitkering dan wel verrekening door Dexia, berekend over:

a. elk door X van Dexia ontvangen uitkering voortvloeiende uit de leaseovereenkomsten 2 tot en 5 en

b. elk bedrag dat door Dexia is verrekend met een betalingsverplichting aan X voortvloeiende uit de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5;

in reconventie

- verklaart voor recht dat dat X met betrekking tot de overeenkomst 1 (74223880) niet blootgesteld werd aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last;

in conventie en in reconventie

- veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van X op € 1.240,00, waaronder begrepen € 960,00 voor gemachtigdensalaris en de nakosten van € 120,00, voor zover gemaakt, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.M. Frinking en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2019.