Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9177

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
AWB 18/9076
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV verblijf bij partner. Basisexamen inburgering niet behaald. Bijzondere individuele omstandigheden niet onderbouwd. Middeleneis. Duurzame en exclusieve relatie. Geen strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel door niet te horen in bezwaar. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/9076

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V. Berentsen-van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om aan hem een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, daarna de gronden van het beroep kenbaar gemaakt en deze nog tweemaal aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op [geboortedatum 1]. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam2] (referente). Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek twee e-mails met bijlagen van referente ontvangen. De rechtbank heeft referente schriftelijk meegedeeld dat de inhoud van deze stukken niet bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum 2] en de Indiase nationaliteit te bezitten. Referente heeft voor hem een mvv aangevraagd omdat zij wenst dat hij bij haar in Nederland mag verblijven. Referente heeft verklaard dat zij eiser in oktober 2016 in Den Haag heeft leren kennen en dat zij vervolgens een relatie met elkaar hebben gekregen.

2. Bij besluit van 12 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser het inburgeringsexamen niet behaald, beschikt referente niet over voldoende middelen van bestaan en is niet aangetoond dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. In beroep voert eiser aan dat hij in zijn verdedigingsbelang is geschaad doordat hij in bezwaar niet is gehoord.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Het behalen van het basisexamen inburgering is een voorwaarde voor het verlenen van de door eiser gevraagde mvv1. Het is niet in geschil dat eiser het basisexamen inburgering niet heeft behaald. Ontheffing van deze verplichting is mogelijk op grond van bijzondere individuele omstandigheden2. Pas in beroep heeft eiser gesteld dat het voor hem niet mogelijk is om het basisexamen inburgering te behalen.

5. Eiser heeft deze stelling niet met objectief bewijs onderbouwd. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder dit in bezwaar kunnen vaststellen zonder hem te horen3.

6. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee al vast dat de aanvraag terecht is afgewezen. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil oordeelt de rechtbank verder als volgt.

7. De aanwezigheid van voldoende middelen van bestaan bij de referent is ook een voorwaarde voor het verlenen van de door eiser gevraagde mvv4. Het is niet in geschil dat referente niet voldoet aan deze middeleneis en daartoe ook niet in staat is. Uit de enkele omstandigheid ten tijde van het primaire besluit dat referente een zogenoemde STIP-baan had (beschut werk in de zin van de Participatiewet), heeft verweerder niet hoeven afleiden dat er aanleiding was voor vrijstelling van de middeleneis. Verweerder heeft in bezwaar geen rekening kunnen houden met de stukken over de arbeidsbeperkingen van referente die eerst in beroep zijn overgelegd en heeft eiser daar dus evenmin over kunnen horen.

8. Ten slotte is ook het aantonen van een duurzame en exclusieve relatie een voorwaarde voor het verlenen van de door eiser gevraagde mvv5. Verweerder heeft kunnen overwegen dat hieraan nog niet is voldaan door het overleggen van enkele foto’s en een overzicht van contacten via WhatsApp.

9. Ter zitting is namens eiser nog aangevoerd dat verweerder door hem in bezwaar niet te horen heeft gehandeld in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn6 en met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. De rechtbank stelt echter vast dat de Gezinsherenigingsrichtlijn in deze zaak niet van toepassing is omdat referente geen derdelander is. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is evenmin van toepassing, omdat dit op grond van vaste jurisprudentie ziet op gevallen waarin er een belastend besluit wordt genomen7. In deze zaak is echter sprake van een besluit op een aanvraag van eiser, waarbij het in de eerste plaats op zijn eigen weg ligt om de gegevens en de stukken te verschaffen die nodig zijn voor het beslissen op die aanvraag8. Zoals hiervoor al is gebleken, heeft eiser dat nagelaten.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), gelezen in samenhang met artikel 3 van de Wet inburgering.

2 Artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en B1/4.7 Vc.

3 Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.

4 Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw en B1/4.3 Vc.

5 Artikel 3.14, aanhef en onder b, van het Vb en B7/3.1.1 Vc.

6 Richtlijn 2003/86/EG.

7 Hof van Justitie van de Europese Unie, 18 december 2008 (Sopropé), punt 36, ECLI:EU:C:2008:746, en meer recent: Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 januari 2019 (Commissie/United Parcel Service), punt 28, ECLI:EU:C:2019:23.

8 Artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.