Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9174

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
NL19.15505
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Afghanistan, ongeloofwaardig relaas, motiveringsgebrek, beroep ongegrond gelet op subsidiair

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.15505


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. R. Bom),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 juli 2019 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019. Partijen zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 19 december 2015 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vanwege de oorlog in Afghanistan een periode in Pakistan heeft gewoond. Eind 2009 besloot eiser samen met zijn moeder en zus terug te keren naar Afghanistan. Tijdens hun reis zijn zij door de Taliban ontvoerd en verkracht. Eisers moeder en zus zijn vermoord en eiser werd bewusteloos achtergelaten. Toen hij bij kennis kwam heeft eiser zijn moeder en zus begraven en is hij te voet teruggekeerd naar Pakistan. In 2015 is eiser via Iran en Turkije naar Griekenland gereisd. Daar stelt hij te zijn bekeerd tot het christendom.

  2. Bij besluit van 19 april 2017 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder achtte zowel eisers verklaringen met betrekking tot zijn verblijf in Pakistan en de ontvoering en verkrachting door de Taliban als de gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig. Op 7 maart 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, eisers beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 april 2017 vernietigd.1 Vervolgens heeft er op 8 mei 2018 een aanvullend gehoor plaatsgevonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Verblijf in en vertrek uit Pakistan

4. In de uitspraak van 7 maart 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte aan eiser had tegengeworpen dat hij over zijn verblijf in en vertrek uit Pakistan vaag, summier en tegenstrijdig verklaard heeft. Tijdens het nader gehoor zijn eiser namelijk geen vragen gesteld over zijn verblijf in Pakistan en was hij ook niet geconfronteerd met eventuele inconsistenties in zijn verklaringen. Ook was hij niet geconfronteerd met zijn verklaringen uit het aanmeldgehoor over het verblijf bij zijn tante. De rechtbank was van oordeel dat er sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser op 8 mei 2018 aanvullend gehoord is over zijn verblijf in en vertrek uit Pakistan. Ook is hij tijdens dit gehoor geconfronteerd met de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het hiervoor genoemde zorgvuldigheidsgebrek is hersteld.

6. Vervolgens heeft verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn verblijf in en vertrek uit Pakistan ongeloofwaardig zijn. Tijdens het aanmeldgehoor, eerste gehoor en nader gehoor heeft eiser wisselend verklaard over wanneer en hoelang hij in Pakistan heeft gewoond. Tijdens het aanvullend gehoor is hij hiermee geconfronteerd, maar heeft hij hiervoor geen goede verklaring kunnen geven. Verder heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat hij het adres van de huurwoning in Pakistan waar hij met zijn moeder en zus heeft gewoond niet weet. Ook heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser zeer summier heeft verklaard over zijn leven in Pakistan, ondanks dat hem daar tijdens het aanvullend gehoor meerdere vragen over zijn gesteld. Tot slot heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zijn hele familie is vermoord en dat hij daarom sinds zijn jonge jaren altijd bij zijn tante heeft gewoond, de zus van zijn moeder. Deze verklaringen heeft hij pas in het aanvullend gehoor ontkend, door te stellen dat hij helemaal geen tante van moederskant heeft en ook nooit zoiets verklaard heeft. Dit terwijl eiser tijdens het eerste en nader gehoor, met de correcties en aanvullingen, met de zienswijze en in de beroepsfase ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om zijn verklaringen te corrigeren en juiste informatie te verschaffen. Dat eiser vergeetachtig en getraumatiseerd is en daarom niet goed kan verklaren, zoals in beroep is betoogd, is niet onderbouwd met (medische) documenten. Dit kan daarom niet tot een ander oordeel leiden.
Incident met de Taliban

7. In de uitspraak van 7 maart 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat eisers verklaringen over het incident met de Taliban ongeloofwaardig zijn. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, in rechtsoverweging 2.3 het volgende overwogen:
Verweerder heeft in dit geval aan eiser tegengeworpen dat hij een bevreemdingwekkend groot risico heeft genomen door in de avond en in het donker met zijn moeder en zus te reizen, terwijl hij al eens over overvallen had gehoord. Zonder nadere motivering waarom dit in de door eiser geschetste omstandigheden als een onverantwoord risico moet worden aangemerkt, heeft verweerder dit niet aan eiser kunnen tegenwerpen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de overvallen waar eiser tijdens zijn gehoor aan heeft gerefereerd hadden plaatsgevonden in Kabul en niet, zoals verweerder lijkt te suggereren, in het gebied waar de ontvoering zou hebben plaatsgevonden. Voorts heeft verweerder niet zonder nadere motivering aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet kan verklaren met welk motief de Taliban juist hem, zijn moeder en zus hebben ontvoerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de verklaring van eiser dat hij geen Pashtu spreekt en hij de Taliban om die reden niet heeft kunnen verstaan. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat eiser en zijn familieleden willekeurig slachtoffer zijn geworden van de Taliban. Ook heeft verweerder niet zonder nadere motivering aan eiser kunnen tegenwerpen dat het feit dat eiser in de open lucht en op een leeg terrein werd vastgehouden bevreemding wekt. Evenmin heeft verweerder zonder nadere motivering aan eiser tegen kunnen werpen dat niet geloofwaardig is dat hij te voet naar Pakistan is teruggekeerd, omdat hij daartoe niet in staat zou zijn nadat hij zijn moeder en zus had begraven. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij zelf ook is verkracht en is flauwgevallen, maar uit zijn verklaringen kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij hierdoor fysiek niet meer in staat was zijn moeder en zus te begraven en vervolgens te voet naar Pakistan terug te keren. Eiser betoogt dan ook terecht dat verweerder hem hierover op zijn minst nader had moeten bevragen. Nu eiser heeft verklaard direct voor het incident enige tijd in Pakistan te hebben verbleven, valt daarnaast niet in te zien waarom het bevreemdt dat eiser daarheen terugkeert in plaats van Kabul. Het bestreden besluit is ook in zoverre onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

8. In het bestreden besluit heeft verweerder zich opnieuw op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over het incident met de Taliban ongeloofwaardig zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt nog steeds niet voldoende gemotiveerd heeft. Daarbij is allereerst van belang dat verweerder opnieuw aan eiser heeft tegengeworpen dat het vreemd is dat hij ’s avonds en in het donker is gaan reizen, terwijl er meerdere gewapende groeperingen aanwezig waren op de route. Ondanks de opdracht van de rechtbank, heeft verweerder niet nader gemotiveerd waarom dit als onverantwoord risico zou moeten worden aangemerkt. Verder heeft verweerder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal Talibanstrijders dat betrokken was bij het incident. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat het om 15 tot 20 personen ging. Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser eerst verklaard dat het om 4 auto’s ging met elk zo’n 10 tot 12 personen. Dit heeft hij echter nog tijdens datzelfde gehoor gecorrigeerd en verklaard dat het om 20 tot 25 personen ging. Anders dan verweerder vindt de rechtbank het verschil tussen 15 tot 20 en 20 tot 25 niet dusdanig dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Ook heeft verweerder ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien hoe de chauffeur van eiser heeft kunnen ontsnappen, terwijl een dergelijk aantal Taliban- strijders aanwezig was. Eiser heeft namelijk nooit verklaard dat de chauffeur is ontsnapt, hij heeft alleen verklaard dat hij de chauffeur nadat ze uit de auto werden gehaald niet meer heeft gezien. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder, zoals de rechtbank had opgedragen, eiser nader heeft bevraagd over zijn tocht terug naar Pakistan en zijn fysieke gesteldheid. Verweerder heeft echter ten onrechte overwogen dat eiser geen enkele verklaring heeft gegeven over hoe hij een week in deze omstandigheden heeft kunnen overleven. Hij heeft immers verklaard dat hij vies water heeft gedronken, gras heeft gegeten, dat hij Pakistan ‘met veel pijn en moeite’ heeft kunnen bereiken en dat het ‘misschien dankzij God was’ dat hij het heeft overleefd. Niet valt in te zien hoe eiser dit meer inzichtelijk had kunnen maken. Tot slot is de rechtbank het met eiser eens dat het een aanname van verweerder is dat eiser zijn normale leven weer zou hebben opgepakt in Pakistan. Eiser heeft verklaard dat hij werk heeft gezocht om te kunnen overleven, niet dat hij verder is gegaan met zijn leven alsof er niets gebeurd was.

9. De rechtbank stelt dus vast dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Dit gebrek kan echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Verweerder heeft namelijk ook een subsidiair standpunt ingenomen, dat naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende gemotiveerd is. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban staat en om die reden een reëel risico zou lopen bij terugkeer naar Afghanistan. Daartoe heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor zelf heeft verklaard dat de Taliban hem nooit naar zijn naam heeft gevraagd. De rechtbank heeft in de uitspraak van 7 maart 2018 ook al opgemerkt dat niet valt uit te sluiten dat eiser en zijn familieleden willekeurig slachtoffer zijn geworden de Taliban. Verweerder concludeert niet ten onrechte dat niet valt in te zien dat eiser nog wordt gezocht door de Taliban of in de negatieve belangstelling staat.
Bekering tot het christendom

10. In de uitspraak van 7 maart 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder eisers gestelde bekering tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In het bestreden besluit heeft verweerder daarom niet ten onrechte zijn standpunt uit het besluit van 19 april 2017 herhaald. De in beroep overgelegde aantekeningen van dhr. Hooijman geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat deze aantekeningen geen andere informatie bevatten dan de aantekeningen die dhr. Hooijman al eerder in de procedure heeft ingebracht. Bovendien kan dergelijke informatie wel dienen ter staving van een gestelde bekering, maar blijft het in eerste instantie aan de vreemdeling om zijn bekering met zijn eigen verklaringen aannemelijk te maken en daar is eiser niet in geslaagd.
Vertrektermijn

11. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij zich verzet tegen de opgelegde vertrektermijn en het terugkeerbesluit en gesteld dat deze hem niet kunnen worden opgelegd. Eiser heeft deze stelling echter in het geheel niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Conclusie

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RBROT:2018:2956, niet gepubliceerd.