Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9166

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
NL19.15774
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak buiten zitting, Dublin, Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.15774


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer NL19.15775.

De rechtbank sluit het onderzoek met toestemming van partijen zonder zitting1.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Op 4 september 2018 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Eurodac verordening2 op illegale wijze heeft overschreden op 26 juni 2018 via Italië. Verweerder heeft Italië daarom verzocht om eiser over te nemen. In het kader van de Dublinverordening3 is eiser op 18 januari 2019 aan de Italiaanse autoriteiten overgedragen. Op 6 februari 2019 heeft eiser in Nederland een opvolgende asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft deze opvolgende aanvraag in het bestreden besluit opnieuw niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft Italië wederom verzocht om eiser over te nemen. De autoriteiten van Italië hebben dat verzoek op 28 maart 2019 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening.

3. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Hij verzet zich tegen zijn herhaalde overdracht aan Italië. Hij voert aan dat hij na zijn eerdere overdracht aan Italië daar niet in de gelegenheid is gesteld om een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Verder betoogt eiser dat er in Italië sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in het algemeen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Met het claimakkoord van 28 maart 2019 hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd om het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen.

5. Als uitgangpunt geldt dat ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan – wat ook blijkt uit bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling4 van 19 december 20185 en 12 juni 20196. Het is aan eiser om concrete feiten en omstandigheden aan te dragen die aanknopingspunten kunnen bieden voor het oordeel dat dit anders is. Omdat eiser niet wijst op bijzondere ontwikkelingen sinds de uitspraken van de Afdeling en het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van

8 mei 2019 - waarnaar eiser in de zienswijze heeft verwezen - geen wezenlijk ander beeld schetst dan de documenten die door de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraken zijn beoordeeld, bestaat geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

6. Eiser heeft verder met de enkele stelling dat de CAS-locaties - indien hij daar wordt toegelaten - ondermaats zijn en dat hij vreest op straat te moeten leven, niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan dan wel dat in Italië aan het systeem gerelateerde tekortkomingen bestaan in de opvangvoorzieningen. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser bij eventuele problemen in Italië dient te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk is. Uit eisers verklaringen tijdens het aanmeldgehoor blijkt dat hij nog nooit heeft geprobeerd zijn beklag te doen.

7. Er zijn, anders dan eiser stelt, geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij tot een kwetsbare groep behoort als bedoeld in het arrest Tarakhel7 van 4 november 2014 van het EHRM8.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

2 Verordening (EU) nr. 603/2013

3 Verordening (EU) nr. 604/2013

4 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

5 ECLI:NL:RVS:2018:4131

6 ECLI:NL:RVS:2019:1861

7 Het arrest Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712

8 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens