Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9117

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
09/852074-19 & 09/116909-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

.Vrijspraak stalking TV-medium.

In de te last gelegde periode vanaf de stopbrief, minder dan drie maanden, 19 reacties op het email-formulier van de door het medium geëxploiteerde website. Formulier aangemerkt als uitnodiging tot contact door het medium zelf. Daarnaast gelet op inhoud en frequentie geen stelselmatige stalking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/852074-19 en 09/116909-18 (tul)

Datum uitspraak: 3 september 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] 1989 te [Geboorteplaats] ,

BRP-adres: [Adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 4 juni 2019 (pro forma) en 27 augustus 2019 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Laanen en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.G. de Graaf naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 en/of 14 maart 2019 te 's-Gravenzande, gemeente

Westland,

zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [Slachtoffer 1] ,

heeft mishandeld door te slaan en/of (met geschoeide voet) op de rug en/of de

schouder te trappen en/of door die [Slachtoffer 1] een (karate)trap in de maagstreek

te geven;

2.

hij op of omstreeks 14 maart 2019 te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

opzettelijk en wederrechtelijk twee porseleinen beelden (een beeld van een

oude man en vrouw en/of een beeld van Charlie Chaplin), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer 1] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die

beelden kapot te gooien;

3.

hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2018 tot en met 26 oktober 2018 te

's-Gravenzande, gemeente Westland en/of Enschede,

althans in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [Slachtoffer 2] ,

- door in die periode meer dan 157 emailberichten te sturen naar het

persoonlijke en/of zakelijke emailadres van die [Slachtoffer 2] en/of

- door die [Slachtoffer 2] veelvuldig sms berichten te sturen en/of

- door contact op te nemen met de werkgever van die [Slachtoffer 2] teneinde vast te

stellen of die [Slachtoffer 2] op haar werk aanwezig was en/of

- door het klaslokaal te betreden waar die [Slachtoffer 2] op dat moment les aan het

geven was en/of

- door contact te zoeken met die [Slachtoffer 2] via Facebook

met het oogmerk die [Slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn vader, vernieling en/of belaging.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – op gronden zoals vervat in haar pleitnota – vrijspraak verzocht van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechter.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feit 1 en 2

[Slachtoffer 1] (geboren op [Geboortedatum] ), de vader van de verdachte, heeft op 14 maart 2019 aangifte gedaan tegen zijn zoon [Verdachte] (hierna: de verdachte). Hij heeft verklaard dat hij samen met de verdachte in zijn woning te ’s-Gravenzande woont. Aangever heeft verklaard dat de verdachte hem in het verleden al meerdere malen heeft mishandeld en dat hij daar ook aangifte van heeft gedaan. Hij wil dat de verdachte niet meer in zijn woning komt, omdat hij bang voor hem is en omdat hij elke keer zijn spulletjes vernielt. De verdachte en zijn vader hadden de hele week al ruzie over een vrouw, genaamd [Slachtoffer 2] , die op televisie komt bij [TV zender] en op wie de verdachte verliefd is.

Aangever heeft verklaard dat hij op 13 maart 2019 omstreeks 16:30 uur op bed lag in zijn slaapkamer. Hij hoorde dat de verdachte de slaapkamer in kwam lopen en zag en voelde dat de verdachte hem kennelijk opzettelijk en met brute kracht sloeg. Aangever wilde afweren en draaide zich iets op zijn zijde. Hij zag dat de verdachte op zijn bed sprong en voelde dat hij hem kennelijk opzettelijk en met veel kracht op zijn rug trapte. Aangever voelde een hevige pijn hierdoor. Hij voelde en zag dat de verdachte hem op zijn rechterschouder trapte. Aangever voelde zijn hele lichaam pijn doen. De verdachte trapte hem met zijn geschoeide voeten.

Op 14 maart 2019, omstreeks 12:30 uur, lag aangever even op bed, omdat de verdachte in de woonkamer was en aangever hem wilde vermijden. Hij hoorde de verdachte gillen en hoorde aan zijn stem dat hij behoorlijk over de rooie was. Aangever hoorde een hoop kabaal en dat de verdachte iets kapot gooide. In de woonkamer zag aangever dat de verdachte zijn porseleinen beelden kapot had gegooid. Hij hoorde dat de verdachte gilde: “Ik hou niet van poppen. Die horen hier niet”. De aangever liep naar buiten en hoorde dat de verdachte achter hem aanrende. Buiten hield de verdachte een foto van [Slachtoffer 2] vlak voor aangever zijn gezicht en vroeg of hij haar kende. Aangever voelde dat de verdachte hem direct hierna kennelijk opzettelijk en met kracht een soort karatetrap in zijn maag gaf, waardoor hij een behoorlijke pijn in zijn maag voelde.2

In het dossier bevinden zich foto’s van het letsel van aangever.3

[Slachtoffer 1] heeft op 14 maart 2019 klacht gedaan tegen zijn zoon ter zake van vernieling.4

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn vader heeft geduwd bij zijn schouder.5 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat dit duwen plaatsvond in de slaapkamer van zijn vader.6

De verdachte heeft bij de politie7 en ter terechtzitting bekend dat hij de porseleinen beelden van zijn vader heeft vernield.8

Conclusie van de rechtbank

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte schuldig is aan de onder 2 ten laste gelegde vernieling.

Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de mishandeling van zijn vader. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat bij de aangifte weliswaar foto’s zijn gevoegd van het letsel, maar dat niet wordt omschreven door wie en wanneer deze foto’s zijn gemaakt.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er desondanks wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte dit feit heeft gepleegd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe is van belang dat de verklaring van aangever over de omstandigheden waaronder – en de context waarin – de mishandelingen op 13 en 14 maart 2019 hebben plaatsgevonden, worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. De verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij al de hele week ruzie had met zijn vader en dat de politie hem daar al een waarschuwing voor had gegeven.9 Dat de oorzaak van deze ruzies deels lag bij zijn verliefdheid voor [Slachtoffer 2] , heeft de verdachte ter terechtzitting desgevraagd bevestigd.10 Ook heeft de verdachte verklaard dat fysiek contact tussen hem en zijn vader heeft plaatsgevonden in de slaapkamer. Voorts staat vast dat de verdachte op 14 maart 2019 in de woning van zijn vader beelden heeft vernield. Deze vernieling hangt naar de overtuiging van de rechtbank samen met de mishandeling en past volledig in de door aangever omschreven context waarin hij werd geterroriseerd door zijn zoon in zijn eigen huis. Tenslotte dragen de foto’s van het letsel bij aan het bewijs. De enkele omstandigheid dat niet uitdrukkelijk is gerelateerd wanneer en door wie de foto’s zijn gemaakt, doet hier niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte schuldig is aan de onder 1 ten laste gelegde mishandeling van zijn vader.

Ten aanzien van feit 3

Verklaringen van aangeefster

[Slachtoffer 2] heeft op 26 oktober 2018 aangifte van belaging gedaan tegen de verdachte. Aangeefster was TV-presentatrice van een spiritueel programma ( [TV zender] ).

Aangeefster heeft op 29 juli 2018 een e-mailbericht gestuurd aan de verdachte met het verzoek te stoppen met e-mailen en gebruik te maken van het contactformulier op haar bedrijfspagina.

Verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij verliefd was op [Slachtoffer 2] en haar commerciële 0900 telefoonnummer heeft gebeld om tegen betaling door haar ingesproken bandjes te beluisteren. Hij dacht dat zij het tijdens die gesprekken alleen tegen hem had. Hij heeft haar ook gemaild. Hij heeft haar in totaal meer dan 150 mails gestuurd. Ook heeft hij haar een keer opgezocht op haar werk op en reed daarvoor vanuit zijn woonplaats ’s Gravenzande naar (omgeving) Enschede.

Stopbrief

Op 9 augustus 2018 heeft verbalisant [Naam] aan de verdachte een stopbrief voorgelezen en uitgereikt, waarvoor hij heeft getekend. In deze stopbrief wordt aan de verdachte te kennen gegeven dat hij op geen enkele wijze meer in contact mag treden met aangeefster. De verdachte beloofde verbalisant aangeefster met rust te laten.

Daarmee was het vanaf 9 augustus 2018 voor de verdachte onmiskenbaar duidelijk dat aangeefster niet van zijn berichten gediend was.

Het e-mailbericht van aangeefster aan de verdachte d.d. 29 juli 2018 acht de rechtbank daartoe onvoldoende, omdat het sturen van e-mails – zonder beledigende en/of dreigende inhoud – aan aangeefster op zichzelf geoorloofde handelingen zijn, die niet zonder meer als wederrechtelijk kunnen worden aangemerkt, en dat ook niet worden door de enkele afwijzing van die contacten door aangeefster.

Beoordeling contacten

De rechtbank beoordeelt de contacten tussen de verdachte en aangeefster in de periode van

9 augustus 2018 – de datum waarop de stopbrief is uitgereikt – tot en met 26 oktober 2018, de einddatum van de ten laste gelegde periode.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de contacten die in deze periode gelegd zijn, gezien de stelselmatigheid of de inhoud daarvan, belaging opleveren in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van belang is dat wederrechtelijk en stelselmatig opzettelijk inbreuk is gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer. Daarbij kan worden gelet op de aard, de duur en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en vrijheid van de aangeefster.

De rechtbank heeft hiertoe acht geslagen op de e-mailberichten die staan vermeld op bladzijde 82 van het dossier. Dit zijn de e-mailberichten die zijn verstuurd na het stopgesprek van 9 augustus 2019 tot en met 26 oktober 2019, het einde van de ten laste gelegde periode. Dit zijn in totaal 19 e-mailberichten die de verdachte heeft verzonden via een antwoordformulier op de website van het bedrijf van aangeefster, ‘ [Bedrijf] ’. Het zijn respons-mails en betreffen reacties van de verdachte, weergegeven in het antwoordformulier op die door aangeefster bedrijfsmatig geëxploiteerde website.

De rechtbank stelt vast dat de inhoud van deze e-mailberichten niet beledigend of bedreigend van aard zijn. Het zijn e-mailberichten die naar hun inhoud passen bij de doelgroep van een medium, dat immers oplossingen wil geven voor kwetsbare personen met problemen. Het verdienmodel van het bedrijf van aangeefster, [Bedrijf] , is ook gericht op de doelgroep waartoe de verdachte behoort. Uit de over de verdachte opgemaakte rapportage (zie hierna onder 6.3) is immers gebleken dat de verdachte een kwetsbare persoon is met een lichte verstandelijke beperking.

De rechtbank is gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat geen sprake is van belaging in de zin van artikel 285b Sr. De contacten tussen aangeefster en de verdachte zijn in de periode van 9 augustus 2018 tot en met 26 oktober 2018 niet zodanig van aard dat een wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster is gemaakt. De 19 contacten zijn mogelijk wel ‘verboden contacten’ in het licht van de stopbrief van 9 augustus, maar bij de strafrechtelijke beoordeling acht de rechtbank van belang dat aangeefster ook na 9 augustus op haar website het publiek – dus ook verdachte – uitnodigt om te reageren. Voorts weegt mee dat de berichten niet zijn binnengekomen in de persoonlijke levenssfeer van aangeefster maar op haar zakelijke website. De berichten zijn ook niet door aangeefster als eerste gezien maar door iemand die kennelijk als webbeheerder optreedt en de berichten heeft verzameld ten behoeve van het dossier.

Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de hem onder 3 ten laste gelegde belaging.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 13 en 14 maart 2019 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [Slachtoffer 1] , heeft mishandeld door te slaan en (met geschoeide voet) op de rug en de schouder te trappen en door die [Slachtoffer 1] een trap in de maagstreek te geven;

2.

hij op 14 maart 2019 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, opzettelijk en wederrechtelijk twee porseleinen beelden, toebehorende aan [Slachtoffer 1] , heeft vernield door toen en daar die beelden kapot te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 84 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard door de rechtbank.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de nadruk moet liggen op beëindiging van de situatie die tot aanhouding heeft geleid, wat al gebeurd is nu de verdachte niet meer bij zijn vader woont. De raadsvrouw heeft verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke taakstraf. Tevens heeft de raadsvrouw verzocht voortduring van het elektronisch toezicht en, gezien de dubbelrapportage, een behandelverplichting bij de Waag niet als bijzondere voorwaarden op te nemen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zijn vader mishandeld terwijl deze in zijn eigen woning, waar hij zich veilig zou moeten voelen, op bed lag. Hij heeft hem daardoor pijn, letsel en angst bezorgd. Een dag later heeft de verdachte zijn vader nog eens mishandeld door hem een trap te geven. De rechtbank neemt de verdachte dit huiselijk geweld bijzonder kwalijk.

Bovendien heeft de verdachte twee porseleinen beelden van zijn vader vernield. Hij heeft zijn vader hierdoor schade en overlast bezorgd.

Strafblad

De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 2 augustus 2019. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde eerder is veroordeeld ter zake van

huiselijk geweld, onder meer tot taakstraffen. Deze eerdere veroordelingen waren ten tijde van het bewezen verklaarde onherroepelijk. De veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden om, terwijl hij in een proeftijd liep, opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennisgenomen van de volgende stukken:

- het Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 25 juni 2019, opgesteld door [Naam] , psycholoog;

- het Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 28 juni 2019, opgesteld door [Naam] , psychiater;

- het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 23 augustus 2019.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat in de vorm van een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis. De gebrekkige ontwikkeling beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het hem ten laste gelegde. De psycholoog adviseert om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog acht de kans op herhaling zeker aanwezig. De verdachte is volgens de psycholoog niet te behandelen. De psycholoog acht het van belang dat de verdachte niet meer bij zijn vader woont.

Uit het rapport van de psychiater blijkt dat er bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat in de vorm van een licht verstandelijke beperking met vooral beperkingen in het verstandelijke en sociaal-emotionele domein, die hem maatschappelijk moeilijk doet functioneren. Dit heeft zijn gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde deels bepaald. De psychiater adviseert het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. De kans dat de verdachte opnieuw gewelddadig naar zijn vader wordt, wordt als hoog ingeschat. De psychiater is van mening dat de verdachte niet behandeld kan worden, maar duidelijke grenzen moet krijgen. Hij adviseert dat de verdachte weg moet uit de woning van zijn vader.

De reclassering heeft aangegeven dat ten aanzien van zijn vader de rust lijkt te zijn teruggekeerd sinds de verdachte niet meer bij zijn vader woont en zijn eigen woning heeft. De vader van de verdachte heeft aangegeven dat zij geen conflicten hebben zolang zij niet meer samen in één woning leven en dat zijn zoon welkom is om langs te komen. Een locatieverbod ten aanzien van vader acht de reclassering dan ook niet nodig.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt deze in zoverre tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte moeten worden toegerekend.

Straf

Gelet op al het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die reeds in voorarrest is uitgezeten, passend en geboden is.

De rechtbank acht oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk, nu de verdachte niet meer bij zijn vader woont en hij van het onder 3 ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken.

De gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid

Nu de rechtbank aan de verdachte geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden zal opleggen, kan de rechtbank niet de door de officier van justitie gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid gelasten.

Het geschorste bevel voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het op 5 juni 2019 geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. Hierdoor vervallen ook de aan die schorsing verbonden voorwaarden en het elektronisch toezicht op de naleving daarvan.

Nu de enkelband verdachte onmiskenbaar hindert bij zijn dagelijkse beroepswerkzaamheden, zal de rechtbank dit vonnis bij vervroeging uitspreken.

7 De vordering van de benadeelde partij

[Slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.000.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, in het geval van toewijzing van de vordering, de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de taakstraf opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 20 september 2018, te weten een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht in beginsel termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 16 mei 2019 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde taakstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 20 september 2018, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

Gelet echter op de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd acht de rechtbank toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging thans niet noodzakelijk. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 20 september 2018, gewezen onder parketnummer 09/116909-18.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. B. Hammer, rechter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer [Nummer] , van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 237).

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 11 – 13.

3 Schriftelijke stukken, gevoegd achter de klacht van aangever van 14 maart 2019, blz. 16 – 17.

4 Proces-verbaal van ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 14 maart 2019, blz. 14 – 15.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 224 – 228.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 27 augustus 2019.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 224 – 228.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 27 augustus 2019.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 224 – 228.

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 27 augustus 2019.