Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
NL19.13188
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.13188


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.13189, plaatsgevonden op 2 juli 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1985 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 4 maart 2019 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Om die reden is de overdracht van eiser aan Italië in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). In Italië zal eiser geen opvang of overheidsondersteuning krijgen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de door hem afgelegde verklaringen in het Aanmeldgehoor Dublin; een schrijven van VluchtelingenWerk van 1 april 2019, in het bijzonder naar bijlage 12 van dit schrijven, waarin een e-mailconversatie met [x]-contactpersoon [A] is opgenomen; de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 mei 2019, met zaaknummer NL19.7834, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 juni 2019, met zaaknummer NL19.10502. Volgens eiser heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) het meest recente AIDA-rapport verkeerd beoordeeld. In dat rapport wordt immers melding gemaakt van de stijging van het aantal Dublinterugkeerders onder de dak- en thuislozen, waaruit volgens eiser blijkt dat Dublinclaimanten wel degelijk de toegang tot de opvang wordt geweigerd na een eerder vertrek.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De Afdeling heeft in de bovengenoemde uitspraak van 12 juni 2019 geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de beoordeling heeft de Afdeling de AIDA update van 2018 betrokken en overwogen dat dit rapport aandacht vraagt voor de mogelijkheid dat opvang wordt geweigerd na eerder vertrek maar niet aangeeft dat daadwerkelijk opvang van Dublinclaimanten na eerder vertrek met enige regelmaat wordt geweigerd. De rechtbank volgt de Afdeling hierin. Het enkele feit dat in dit rapport ook zou staan dat sprake is van een stijging van het aantal Dublinterugkeerders onder de dak- en thuislozen, geeft nog geen aanleiding anders te oordelen.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst naar een schrijven van VluchtelingenWerk van 1 april 2019 met bijbehorende bijlagen en heeft dit in het dossier met zaaknummer NL19.13189 ingebracht. Dit schrijven is echter van een eerdere datum dan de Afdelingsuitspraak van 12 juni 2019 en bevat informatie aangaande Dublin Italië over de periode van augustus 2017 tot aan de datum van 1 april 2019. Het enkele overleggen van dit schrijven zonder nadere specificering doet daarom aan het oordeel van de Afdeling van 12 juni 2019 niet af. Overigens leidt de rechtbank uit de door eiser geciteerde passage van dit schrijven in de gronden van beroep ook niet af dat eiser in Italië geen opvang zal krijgen. De uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, zijn tevens van eerdere datum dan de voornoemde Afdelingsuitspraak, en maken daarom ook niet dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

5.3.

Voor zover eiser van mening is dat Italië zich niet houdt aan Richtlijn 2013/33/EU, in die zin dat hij in Italië geen opvang zal verkrijgen, dient hij zich hierover te beklagen bij de Italiaanse autoriteiten dan wel de geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten in Italië hem bij voorbaat niet zouden kunnen of willen helpen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

griffier

rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.