Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9038

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
NL19.7831 V
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzet niet-ontvankelijk, opposant is mob en heeft geen contact met zijn gemachtigde onderhouden, hij stelt kennelijk geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.7831 V


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 op het verzet van

[opposant], opposant, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Akkaya).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2019 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 11 april 2019 heeft de rechtbank Den Haag dat beroep kennelijk ongegrond verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Opposant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Namens verweerder is mr. W. Vrooman verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant geen authentieke identificerende documenten heeft overgelegd waaruit de door hem gestelde geboortedatum, en aldus zijn minderjarigheid, blijkt en dat verweerder ten opzicht van Italië uit heeft mogen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

2. In verzet voert opposant aan dat het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard, aangezien er niet op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de beroepsgronden niet zouden slagen. Aan hem is dan ook ten onrechte de mogelijkheid ontnomen om tijdens een zitting de gronden van beroep nader aan te vullen dan wel toe te lichten. Nu opposant stelt minderjarig te zijn, had een zitting waarbij hij aanwezig is verduidelijkend kunnen werken. De rechtbank had zijn zaak in volle omvang dienen te behandelen en toetsen. Het enkele feit dat de aanvraag van opposant is afgewezen omdat Italië voor de behandeling van zijn aanvraag verantwoordelijk is geacht, betekent nog niet dat de zaak vereenvoudigd afgedaan kon worden.

3. Op 1 juli 2019 heeft verweerder een brief van 15 mei 2019 ingebracht. Met deze brief heeft verweerder aan de Italiaanse autoriteiten bericht dat de overdracht van opposant niet binnen de in de Dublinverordening neergelegde termijn kan plaatsvinden, omdat opposant met onbekende bestemming is vertrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat op 15 mei 2019 door het COA is gemeld dat opposant met onbekende bestemming is vertrokken.

4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) volgt dat indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

5. Nu opposant op 15 mei 2019 met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft en de gemachtigde van opposant op 2 juli 2019 aan de rechtbank heeft bericht dat hij op dat moment geen contact met opposant heeft kunnen opnemen, gaat de rechtbank er vanuit dat opposant kennelijk geen prijs meer stelt op de inhoudelijke beoordeling van zijn verzet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat opposant noch zijn gemachtigde ter zitting zijn verschenen.

6. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

griffier

rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.