Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:895

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4496
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verweerder was niet bevoegd om handhavend op te treden tegen de op eisers perceel aanwezige bomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/4496

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast de op zijn perceel aan de [adres] te [plaats] geconstateerde strijdigheden met het geldende bestemmingsplan te verwijderen onder oplegging van een last onder dwangsom.

Bij besluit van 14 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer SGR 18/4881).

Bij uitspraak van 23 augustus 2018 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na de uitspraak in deze procedure.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2018. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft de percelen [0], sectie [sectie], nummers [1] en [2] in eigendom, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats].

1.2

Op 27 september 2012 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat het perceel met nummer [2] in gebruik is genomen als siertuin, omdat sprake is van een met bomen en sierplanten omzoomd grasveld en een aangelegde verharding ten behoeve van tuinmeubilair. De verharding is zonder de benodigde vergunning gerealiseerd en het gebruik is volgens verweerder in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan.

1.3

Op 2 oktober 2013 is geconstateerd dat het strijdige gebruik is gecontinueerd, het verharde oppervlak is vergroot en er een berging is geplaatst, die op beide percelen aanwezig is en zonder de benodigde vergunning is geplaatst.

1.4

Op 5 oktober 2016 is geconstateerd dat het aantal strijdigheden verder is toegenomen door de aanwezigheid van een vlaggenmast, een erfafscheiding en zonnepanelen, die alle zonder vergunning zijn geplaatst.

1.5

Vervolgens is het handhavingstraject opgeschort in afwachting van besprekingen tussen eiser en de eigenaar van het achterliggende bedrijf over de mogelijke verkoop van eisers percelen aan dat bedrijf. Tijdens een op 2 november 2017 tussen de gemeente en eiser gehouden gesprek is gebleken dat de besprekingen over de verkoop van de percelen tot niets hebben geleid.

1.6

Op 10 november 2017 is eiser een voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt. Eiser heeft hiertegen een zienswijze ingediend.

1.7

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser gelast binnen 6 weken na verzending van dat besluit:

  1. het privégebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming “Agrarisch- Glastuinbouw” op de kavel met nummer [2] te beëindigen en beëindigd te houden;

  2. een bijgebouw, een vlaggenmast, zonnepanelen, een erfafscheiding te verwijderen en verwijderd te houden;

  3. de zonder vergunning aangelegde verhardingen te verwijderen en verwijderd te houden;

  4. alle verfraaiingen en objecten die geen glastuinbouwfunctie hebben te verwijderen en verwijderd te houden, waaronder in ieder geval de bomen, hagen, sierbeplantingen en het worteldoek.

Bij gebreke hiervan verbeurt eiser een dwangsom van € 30.000,- ineens.

1.8

Vervolgens heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot 6 weken na verzending van de beslissing op bezwaar, zijnde 26 juli 2018. Bij brief van 5 juli 2018 heeft verweerder besloten de begunstigingstermijn niet verder te verlengen. Hierbij heeft verweerder tevens meegedeeld dat, indien een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, de begunstigingstermijn is verlengd tot 6 weken na de uitspraak in die zaak.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, conform het advies van de Commissie bezwaarschriften Westland van 7 juni 2018, gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de betreffende gronden bestemd zijn voor een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf. Daarnaast is overwogen dat het project “Ruimte voor de glastuinbouw” er op is gericht om gronden vrij te maken om de glastuinbouw-reconstructie mogelijk te maken en niet-glastuinbouw gerelateerde functies te weren. Voorts is overwogen dat de bomen op eisers perceel zijn geplant ter vergroting van het woongenot en niet ter realisering van de glastuinbouwbestemming. Gelet op de geldende bestemming acht verweerder de opgelegde last ten aanzien van de bomen, de hagen, sierbeplanting en worteldoek juist. Verder staat de vastgestelde dwangsom, gelet op de overtreding, in redelijke verhouding tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde werking van de dwangsom, aldus verweerder.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiser de bomenrijen maximaal 6 jaar geleden heeft geplant en als functie hebben het zicht op de omliggende agrarische gronden met daarop kassen en bedrijfsgebouwen te ontnemen. Voorts wijst verweerder er op dat de bomenrijen niet dienen ter afscheiding van een agrarisch bedrijf van omliggende gronden, maar om het perceel, dat een agrarische bestemming heeft, af te scheiden ten dienste van de bestemming “Wonen”. Daarnaast heeft verweerder onder de aandacht gebracht dat groenvoorzieningen op grond van de planregels slechts zijn toegestaan voor zover deze een ruimtelijk structurerend effect hebben. De bomenrijen creëren een andere ruimtelijke structuur dan op grond van het bestemmingsplan aanwezig hoort te zijn, aldus verweerder.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser het handhavingsbesluit slechts gedeeltelijk betwist. Het gaat hem uitsluitend om de op perceel [2] aanwezige bomen. De overige opgelegde lasten worden door eiser niet bestreden. Eiser voert in dat verband aan dat de bomen al tientallen jaren aan de zijkanten van het perceel staan en niet hoeven te worden weggehaald, aangezien die niet in strijd zijn met de geldende bestemming. Het perceel wordt immers niet voor de glastuinbouw gebruikt. Voorts wijst eiser er op dat in de gemeente op bijna alle percelen met de bestemming glastuinbouw bomen aanwezig zijn, waartegen niet handhavend wordt opgetreden.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren bestaande uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Westland”. Aan het in geding zijnde perceel is de enkelbestemming “Agrarisch-Glastuinbouw” (A-GT) toegekend en de dubbelbestemming “Waarde –Archeologie”.

Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor (A-GT) aangewezen gronden bestemd voor:

a. een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf, zoals beschreven in Bijlage 1;

b. bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen en verkeerskunstwerken ten behoeve van de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen, laad- en losvoorzieningen, groen en voorzieningen van algemeen nut (transformatorhuisjes);

c. voorzieningen voor het opwekken en leveren van energie en/of warmte ten behoeve van en bij een glastuinbouwbedrijf, waarbij de energie- en/of warmtelevering aan derden (niet-glastuinbouwbedrijven) bedrijfseconomisch ondergeschikt is;

d. voorzieningen voor het bergen, leveren en zuiveren van (giet-)water ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf;

e. (hoofd-)watergangen, waterpartijen en (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen;

f. het wonen in een bij een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf behorende bestaande bedrijfswoning.

Ingevolge artikel 1.41 van de planregels wordt onder een glastuinbouwbedrijf verstaan: een volwaardig en doelmatig bedrijf gericht op het voortbrengen van producten en het leveren van diensten door middel van het duurzaam en intensief telen en verzorgen van gewassen, geheel of hoofdzakelijk met behulp van kassen en de daarbij behorende bouwwerken en

installaties.

Ingevolge artikel 1.43 van de planregels wordt onder groenvoorzieningen verstaan: groenscherm(en) van opgaande beplanting, berm-beplantingen en andere beplantingen voor openbaar of particulier gebruik welke beplanting in planologisch opzicht een ruimtelijk structurerend effect hebben.

5.1

Verweerder is van mening dat de bomenrijen een andere ruimtelijke structuur creëren dan op grond van het bestemmingsplan aanwezig hoort te zijn, omdat de bomenrijen niet dienen ter afscheiding van een agrarisch bedrijf van omliggende gronden, maar om het perceel af te scheiden ten dienste van de bestemming “Wonen”.

5.2

De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde luchtfoto uit 2018 blijkt dat zich in de nabijheid van de woning van eiser enkele (kleine) bomen bevinden en dat rondom het perceel met nummer [2] aan de randen bomenrijen aanwezig zijn, bestaande uit grotere bomen. Verder bevindt zich één grotere boom aan de kant van de sloot in het midden van het perceel.

5.3

De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 23 augustus 2018 overwogen dat

de vraag in hoeverre de op het in geding zijnde perceel staande bomen zich niet verdragen met de planregels die betrekking hebben op de ter plaatse geldende enkelbestemming “Agrarisch-Glastuinbouw” nader onderzoek vergt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat de voor glastuinbouw (A-GT) aangewezen gronden naar hun aard bestemd zijn voor een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf, maar dat op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels ook groen is toegestaan.

5.4

De rechtbank stelt in dit verband vast dat in de planregels en de toelichting bij het bestemmingsplan uitsluitend de bestemming “Groen” en het begrip “groenvoorzieningen” voorkomen. Aangezien de bestemming “Groen” niet op het in geding zijnde perceel rust, is de doeleindenomschrijving van die bestemming naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet relevant. Nu in artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels als een van de doeleinden waarvoor de gronden met de bestemming “A-GT” mogen worden gebruikt “groen” is genoemd, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval het begrip “groen” van belang.

5.5

De rechtbank stelt tevens vast dat het begrip “groen” in de planregels niet is gedefinieerd en in de bij het bestemmingsplan behorende toelichting evenmin is omschreven wat daaronder precies moet worden verstaan. Daarom moet naar het oordeel van de rechtbank worden uitgegaan van wat hieronder in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan, te weten vegetatie. Dat die vegetatie enige relatie moet hebben met glastuinbouw blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit artikel 3.1 van de planregels. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit dit artikel niet kan worden afgeleid dat dit groen ten dienste moet staan van een glastuinbouwbedrijf, omdat in lid b van artikel 3.1 ten aanzien van het begrip “groen” geen verwijzing naar lid a van dat artikel is opgenomen.

5.6

Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank noch uit de planregels noch uit de toelichting bij het bestemmingsplan dat de planwetgever ten aanzien van het begrip “groen” bedoeld heeft te verwijzen naar het begrip “groenvoorzieningen”, zoals dat in artikel 1 van de planregels is gedefinieerd. Daarom kan er, anders dan verweerder stelt, niet van worden uitgegaan dat de planwetgever de intentie had om ten aanzien van het begrip “groen” te verwijzen naar de definitie van het begrip “groenvoorzieningen”.

5.7

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat de bomen die zich op het in geding zijnde perceel bevinden in strijd met artikel 3.1 van de planregels aanwezig zijn.

5.8

Strijd met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo doet zich gezien het vorenstaande ten aanzien van deze bomen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de op het perceel [2] aanwezige bomen.

6. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij de last om de op dit perceel aanwezige bomen te verwijderen is gehandhaafd. Nu de grondslag tot handhaving ten aanzien van die bomen ontbreekt, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij is gelast de op dit perceel aanwezige bomen te verwijderen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de last ten aanzien van de bomen op perceel [2] is gehandhaafd;

- herroept het primaire besluit voor zover daarbij is gelast de bomen op dat perceel te verwijderen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.