Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8850

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
C/09/575900 / FA RK 19-4749
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezagsuitoefening. Bij eerdere beschikking is het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen afgewezen. Desondanks is de moeder toch met de kinderen verhuisd. De vader verzoekt te bepalen dat de moeder met de kinderen dient terug te verhuizen, dan wel de hoofdverbllijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de eerdere beschikking moet worden nageleefd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat nalevning van die beschikking niet langer in het belang van de kinderen is. De rechtbank komt tot het oordeel dat na de eerdere beschikking een wijziging van omstandigheden is opgetreden die maakt dat terug verhuizing van de kinderen op dit moment niet in hun belang is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 19-4749

Zaaknummer: C/09/575900

Datum beschikking: 6 augustus 2019

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 24 juni 2019 ingekomen verzoek van:

[Y 1]

de vader,

wonende te [woonplaats Y] ,

advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats X] ,

advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 9 juli 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede mevrouw J. [medewerker JBwest] namens de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna: JBwest).

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

- te bepalen dat de moeder met de kinderen dient te verhuizen naar [woonplaats Y] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de kinderen nog langer verblijven in [nieuwe woonpl. X] , waarbij onder verblijven tevens logeren en slapen wordt verstaan;

- subsidiair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen wijzigt naar de vader;

- te bepalen dat de zorgregeling tussen de vader en de kinderen per direct wordt hervat, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de moeder hieraan geen gevolg geeft;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • -

    De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , hierna ook: [minderjarige 1] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna ook: [minderjarige 2] .

  • -

    De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

  • -

    De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

  • -

    Bij beschikking van 25 juni 2014 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is – voor zover hier van belang – bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal per twee weken van zaterdag 12.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de vader verblijven.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van 11 april 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van JBwest gesteld van 11 april 2019 tot 11 april 2020.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2019 is het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verhuizen naar [nieuwe woonpl. X] afgewezen. Ook de verzoeken van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling te wijzigen zijn bij deze beschikking afgewezen.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen, ingeval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders, of een van hen, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Alvorens op een dergelijk verzoek te beslissen beproeft de rechtbank een vergelijk tussen de ouders. Ter zitting is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders niet mogelijk is.

Ter zitting is Mevrouw [medewerker JBwest] van JBwest als informant gehoord. Zij heeft – voor zover relevant – het volgende naar voren gebracht.

Zij heeft geprobeerd met de ouders een traject in te gaan, gezamenlijk een doel op te stellen, maar dit is niet gelukt. De vader kan zich niet verplaatsen in de kinderen en ziet niet in dat zijn gedrag onderdeel is van de problematiek. De moeder is zodanig overbelast dat zij niet kan overzien wat in het belang van de kinderen is. De ouders kunnen totaal niet communiceren met elkaar. Vanwege dit heeft zij in het kader van de ondertoezichtstelling besloten alleen te kijken naar de veiligheid van de kinderen. Het gaat in dit geval om de veiligheid van de kinderen bij de moeder, nu voldoende duidelijk is dat de kinderen niet hun leven bij de vader kunnen hebben, gezien de grote weerstand die dit bij de kinderen opwekt. Inmiddels zijn er veiligheidsafspraken gemaakt met de moeder en de kinderen en is er contact met school. Er hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan met de nieuwe partner van de moeder. De veiligheidssituatie is goed in kaart gebracht en daar gaat de aandacht van JBwest nu naar uit. De grote zorg van JBwest is dat de kinderen al zo lang in een zeer conflictueuze situatie van de ouders zitten. Het zou helpen voor de kinderen als de ouders stoppen met het alsmaar voeren van procedures en hulpverlening voor de kinderen kan worden opgezet. De kinderen zijn inmiddels aangemeld bij [naam] Psychologen.

De rechtbank heeft ook gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben verteld dat tussen [minderjarige 1] en vader en zijn vrouw veel ruzie is. Zij gaan met veel tegenzin naar hun vader toe. Zij zijn ook moe van de ruzie tussen hun ouders. Zij weten nooit waar ze aan toe zijn en hebben er genoeg van. Zij hebben ook verteld niet bij hun vader en zijn vrouw te gaan wonen ook niet als het moet.

Verhuizing en hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Bij beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2019 is het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verhuizen naar [nieuwe woonpl. X] afgewezen. De vader heeft gesteld dat de moeder desondanks naar [nieuwe woonpl. X] is verhuisd en hij verzoekt thans primair te bepalen dat de moeder en de kinderen moeten terug verhuizen.

De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek onder meer het volgende gesteld.

De moeder interpreteert de beschikking van de rechtbank van 16 mei 2019 dat zij niet geheel mag verhuizen naar [nieuwe woonpl. X] maar dat zij daar wel mag verblijven. De moeder heeft aangegeven dit in een 51/49% regeling te zullen doen, in die zin dat zij 51% van de tijd in [woonplaats Y] en 49% van de tijd in [nieuwe woonpl. X] doorbrengt. De tijd die de kinderen bij de vader doorbrengen vanwege de omgangsregeling rekent de moeder ook bij de tijd die in [woonplaats Y] wordt doorgebracht. De moeder kijkt wel welke dagen in de week zij in [woonplaats Y] en in [nieuwe woonpl. X] zal verblijven.

De moeder lapt hiermee de beschikking van de rechtbank van 16 mei 2019 feitelijk aan haar laars, nu zij minimaal (en waarschijnlijk veel meer dan) de helft van de tijd in [nieuwe woonpl. X] woont. Dit wordt bevestigd doordat de woning van de moeder in [woonplaats Y] inmiddels dusdanig leeg is gehaald dat van feitelijke bewoning geen sprake meer kan zijn.

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet is verhuisd naar [nieuwe woonpl. X] en dat zij de beschikking naleeft. Zij heeft aangegeven dat zij en de kinderen in de weekenden in [nieuwe woonpl. X] zijn en dat zij ook regelmatig doordeweeks na school naar [nieuwe woonpl. X] gaan om vervolgens in de avond terug te gaan naar [woonplaats Y] om daar te slapen. Al met al verblijven zij iets meer van de tijd in [woonplaats Y] , aldus de moeder. Zij heeft aangegeven dat zij onder geen beding terug zal gaan naar [woonplaats Y] , zoals door de vader verzocht.

Anders dan de moeder betoogt, zijn de kinderen wel degelijk naar [nieuwe woonpl. X] verhuist. Het gaat er niet om of de kinderen zijn uitgeschreven uit de gemeente [woonplaats Y] maar om de vraag waar hun thuis is. De moeder heeft ter zitting erkend dat de woning in [woonplaats Y] beneden nagenoeg leeg is, op de slaapkamers van de kinderen boven na. Na school gaan de kinderen mee naar [nieuwe woonpl. X] en slapen enkele nachten in de maand in [woonplaats Y] om ongeveer 51% van de tijd daar te verblijven. Het thuis van de kinderen is daarmee naar [nieuwe woonpl. X] verplaatst. Dit is in strijd met de beschikking van de rechtbank van 16 mei 2019 waarin het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing van de kinderen naar [nieuwe woonpl. X] is afgewezen.

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2019 moet worden nageleefd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat naleving van die beschikking niet langer in het belang van de kinderen is. Bijzondere omstandigheden die de niet-nakoming van een eerder gegeven beschikking rechtvaardigen, kunnen zich met name voordoen wanneer ofwel op grond van nadien voorgevallen of aan het licht gekomen feiten nakoming van die beschikking klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan, danwel aannemelijk is dat sedert de uitspraak waarvan nakoming wordt verzocht sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat deze opleveren één van de gronden als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW ofwel anderszins onverkorte nakoming kennelijk niet langer in het belang van de kinderen moet worden geoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat er na de beschikking van 16 mei 2019 een wijziging van omstandigheden is opgetreden die maken dat terug verhuizing van de kinderen naar [woonplaats Y] op dit moment niet in hun belang is.

Daarbij acht de rechtbank vooral van belang dat de veiligheid van de kinderen bij de moeder thuis goed in kaart is gebracht, dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt met de moeder en de kinderen, dat er goed contact is met school van de kinderen en dat er zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan in de thuissituatie bij de moeder. In zoverre is de situatie in de thuissituatie van de kinderen gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het wijzen van de beschikking. Voorts blijkt dat de kinderen hun huidige scholen, vrienden en sporten zijn blijven beoefenen en ziet de gezinsvoogd daarop toe.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat volgens de gezinsvoogd heeft geconstateerd dat de moeder overbelast is. De rechtbank ziet dit bevestigt in de keuze van de moeder om de kinderen een aantal nachten in de maand in een nagenoeg leeg huis in [woonplaats Y] te bivakkeren om zo 51% van de tijd in [woonplaats Y] door te brengen, daarmee denkend dat ze aan de beschikking van 16 mei 2019 kan voldoen. De kinderen hebben al lange tijd hun vaste basis bij de moeder thuis. Het is in het belang van de kinderen dat de situatie bij de moeder thuis wordt ontlast. Het constant schipperen tussen [woonplaats Y] en [nieuwe woonpl. X] is een belasting voor de moeder die zij weliswaar zelf heeft gecreëerd, maar waar op de lange termijn de kinderen de dupe van zijn.

Gelet op de standvastigheid van de moeder in haar weigering om terug te keren naar [woonplaats Y] , zal voor een herstel van de situatie zoals door de vader verzocht een dwangsom nodig zijn. De rechtbank verwacht dat dit zal leiden tot nieuwe procedures, hetgeen spanning en stress zal veroorzaken bij de kinderen. Ook verwacht de rechtbank dat de kinderen vanuit hun loyaliteit naar de moeder dan nog meer afstand zullen nemen van de vader, welke relatie al kwetsbaar is. De rechtbank acht dit niet in hun belang, temeer niet omdat de zorgen vanuit JB-West rond de kinderen vooral zijn gelegen in de jarenlange blootstelling van hen aan de heftige conflicten tussen de ouders.

Het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader acht de rechtbank evenmin in het belang van de kinderen, nu de verstandhouding tussen de kinderen en de vader en zijn huidige echtgenote zeer moeizaam is. De veiligheid van de kinderen is naar het oordeel van de rechtbank niet gediend met een dergelijke wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank de verzoeken van de vader zal afwijzen.

Zorgregeling

De vader heeft verzocht een dwangsom te verbinden aan het nakomen van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen. De vader heeft hiertoe aangevoerd dat nakoming van de zorgregeling nu niet vanzelf gaat en dat een dwangsom maakt dat de kinderen weten dat zij geen keuze hebben.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. De moeder heeft naar voren gebracht dat het niet zo kan zijn dat als de kinderen aangeven terug te willen naar de moeder, gesteld kan worden dat de moeder de zorgregeling niet nakomt en dat zij daarvoor een dwangsom krijgt opgelegd.

De rechtbank heeft reeds overwogen dat sprake is van zeer moeizame relatie tussen de vader en de kinderen. De rechtbank is verder niet gebleken dat de moeder de zorgregeling niet nakomt. Hiervan heeft de vader geen enkel voorbeeld kunnen geven. De omstandigheid dat [minderjarige 1] , die inmiddels 13 jaar oud is, om welke reden dan ook tijdens het omgangsweekend naar haar moeder wil, kan de moeder niet worden tegengeworpen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding een dwangsom te verbinden aan het nakomen van de zorgregeling zoals door de vader verzocht. Ook dit verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.

De rechtbank spreekt tot slot haar zorg uit over de zeer heftige conflictsituatie tussen de ouders waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich nu al jarenlang proberen staande te houden. Dit maakt dat zij opgroeien in een zeer onveilige opvoedomgeving. Het bellen van de politie en de pikettelefoon van de Jeugdbescherming door de vader indien [minderjarige 1] tegen zijn wens in naar haar moeder vertrekt, geeft geen blijkt van goed ouderschap, evenmin als de keuze van de moeder om de kinderen half in [nieuwe woonpl. X] en half in [woonplaats Y] te laten verblijven. JB-west dient zich te richten op de veiligheid van de kinderen zowel bij de moeder als bij de vader thuis. JB-west dient er verder voor te zorgen dat de kinderen zo veel mogelijk uit de strijd tussen de ouders worden weggehouden en moet zij toezien op de inzet van de juiste hulpverlening aan de kinderen. Omdat een gezamenlijk traject voor de ouders niet mogelijk blijkt, zal de JB-west moeten bezien of de ouders ieder een individueel traject moeten doorlopen om de opvoedomgeving voor de kinderen in hun eigen domein te verbeteren.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af de verzoeken van de vader;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2019.