Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8737

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
NL19.14447
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, wens om aangifte mensenhandel te doen, werkwijze verweerder, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Samenvatting:

Geen sprake van een nieuwe werkwijze van verweerder na het bereiken van overeenstemming in een voorlopige voorzieningen procedure bij deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6206 ten aanzien van personen die aangifte van mensenhandel willen doen.

Tijdens de behandeling ter zitting op 9 juli 2019 heeft verweerder toegelicht dat geen sprake is van een nieuwe werkwijze. Er is sprake van twee losstaande procedures: de wens om aangifte van mensenhandel te doen staat los van de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat in het kader van de Dublinverordening. De overdracht op grond van de Dublinverordening kan doorgang vinden ook al heeft eiser de wens om aangifte te doen en is er, vanwege de ontstane wachtlijst, nog geen mogelijkheid geweest om daadwerkelijk aangifte te doen. Verweerder heeft toegezegd dat bij de overdracht aan de Italiaanse autoriteiten wordt medegedeeld dat eiser de wens heeft geuit om aangifte van mensenhandel te doen, mocht hij dit ten tijde van de overdracht nog niet hebben gedaan.

De rechtbank acht het besluit de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is onder de genoemde omstandigheden niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14447


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, (V-nummer: [V-nummer] )

(gemachtigde: mr. G. Palanciyan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.14448, plaatsgevonden op 9 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser voert aan dat hij slachtoffer is van mensenhandel. Hij werd gedwongen tot handel in drugs en prostitutie door de persoon die hem naar Italië heeft gebracht. Eiser staat op de wachtlijst voor het doen van aangifte. Hij moet in de gelegenheid gesteld worden dit in Nederland te kunnen doen. Eiser wijst ter onderbouwing op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 juni 20192, waarin de voorlopige voorziening is toegewezen om eiser in de gelegenheid te stellen aangifte te doen. Eiser voert verder aan dat hij zich niet kan wenden tot de Italiaanse autoriteiten omdat de mensenhandelaar voodoo op hem heeft uitgeoefend. Ook heeft de mensenhandelaar contacten met de Italiaanse maffia en de Italiaanse autoriteiten. Eiser kan dus geen aangifte doen in Italië, ook omdat hij een uitgeprocedeerde asielzoeker is die tegen de maffia en Black Axe aangifte wil doen. Eiser is veiliger in Nederland, omdat hem hier meer bescherming wordt geboden. Voor zover van eiser wordt verlangd in Italië aangifte te doen, dient verweerder aanvullende garanties te verkrijgen zodat eiser in Italië de mogelijkheid krijgt om aangifte te doen en hulp van de autoriteiten krijgt. Nederland stuurt slechts een standaard tekst aan het ontvangende land, dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook zijn de wachttijden in Italië in de strafrechtelijke keten erg lang. Alleen een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel door verweerder is in het geval van eiser daarom onvoldoende.

Ter onderbouwing hiervan wijst eiser op de volgende stukken:

- het rapport van Organized crime and Corruption Reporting Project (OCCRP), ‘Italy: After Cosa Nostra, Nigerian Black Axe New Foe for Police’, van 17 mei 2018;

- het rapport van Austrian Centre for Country of Origin and Asylum Research and Documentation (ACCORD), ‘Nigeria: COI compilation on Human Trafficking’, van december 2017;

- het artikel uit The Guardian, ‘Mafia at a crossroads as Nigerian gangsters hit Sicily’s shores’, van 11 juni 2016;

- het artikel uit The Times, ‘Black Axe gang uses voodoo to snare migrant women in Italy’, van 16 juli 2017;

- het artikel van Vice News, ‘The mafia and a Nigerian gang are targeting refugees in Sicily’, van 21 oktober 2017;

- het artikel van Liberian, ‘14 members of Nigerian Mafia 'Black Axe' condemned in Palermo’, van 9 april 2018.

3. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Italië geen opvang zal krijgen, aangezien er ook een gebrekkige opvang is voor mensen die wel in de asielprocedure zitten. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe/Organisation Suisse d’Aide aux Réfugiés (SFH/OSAR), ‘Italië, Zwitsers rapport over de huidige situatie voor asielzoekers in Italië’ van 8 mei 2019.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder stelt verweerder dat de wens van eiser om aangifte te doen van mensenhandel los staat van de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek. Er is sprake van twee gescheiden procedures, de verantwoordelijkheidsbepaling op grond van de Dublinverordening en de reguliere verblijfsrechtelijke procedure vanwege het doen van aangifte mensenhandel. In de door eiser overgelegde uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch was ter zitting overeenstemming bereikt omtrent de toewijzing van de voorlopige voorziening. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat de overdracht op grond van de Dublinverordening doorgang kan vinden ook al heeft eiser de wens aangifte te doen. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe werkwijze. Op het moment dat eiser voor de daadwerkelijke overdracht aan Italië nog niet in de gelegenheid is gesteld om aangifte te doen zullen de Italiaanse autoriteiten ervan op de hoogte worden gesteld dat eiser wel de wens heeft geuit om aangifte te willen doen van mensenhandel. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is onderbouwd dat eiser geen aangifte van mensenhandel kan doen in Italië en dat de Italiaanse autoriteiten eiser geen bescherming kunnen bieden. De voodoo spreuk is tot slot geen omstandigheid waar verweerder rekening mee kan houden. Verweerder wijst ter onderbouwing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 juli 20193 en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), van 18 juni 20194.

5. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid verweerder ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan.

6. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 december 20185 is, met inachtneming van een aantal recente rapporten en andere bronnen, geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel (rechtsoverweging 8.4). Verder heeft de ABRvS geoordeeld dat het Salvini wetsdecreet niet tot gevolg heeft dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. Daarbij is overwogen dat op dit moment geen sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM, omdat meer vreemdelingen een beroep moeten doen op de algemene opvanglocaties. Recentelijk heeft de ABRvS diverse malen bevestigd dat ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan.6 De ABRvS heeft in de recente uitspraak van 12 juni 20197 waarin dit wederom is bevestigd, een AIDA rapport van 16 april 2019 in de beoordeling betrokken en onder meer geoordeeld dat dit rapport niet aangeeft dat daadwerkelijk opvang van Dublinclaimanten na eerder vertrek met enige regelmaat wordt geweigerd. De ABRvS bevestigt verder dat, ook als het gaat om asielzoekers met medische of psychische problemen, ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan.

7. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen dan de ABRvS heeft gedaan in de hiervoor aangehaalde uitspraken. Daartoe is van belang dat uit de door eiser aangevoerde informatie van SFH/OSAR geen wezenlijk ander beeld naar voren komt dan in voormelde uitspraken van de Afdeling wordt geschetst. Daarbij overweegt de rechtbank dat het rapport van SFH/OSAR van 8 mei 2019 op dezelfde verslagperiode ziet als het AIDA-rapport van 16 april 2019 en dat het AIDA-rapport in het rapport van SFH/OSAR ook als bronvermelding is aangehaald. Met het beroep van eiser op het rapport van SFH/OSAR van 8 mei 2019 heeft eiser gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat verweerder er in zijn algemeenheid niet langer op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van kan uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt.

8. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt ten aanzien van de wens om aangifte mensenhandel te doen in Nederland dat sprake is van twee losstaande procedures. In de Dublinprocedure wordt niet toegekomen aan de vraag of iemand in aanmerking komt voor verblijfsrecht als slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel. Dit volgt ook uit de uitspraak van de ABRvS van 21 december 2018.8 De aangifte mensenhandel heeft in feite dus geen invloed op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Dat de aangifte mogelijk gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van eiser in Nederland, maakt de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat niet anders. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 juni 2019, kan hem niet baten. In deze uitspraak was er overeenstemming bereikt tussen de desbetreffende vreemdeling en verweerder over de aanhouding van de zaak in afwachting van de uitzetting. In deze zaak is dat niet het geval, bovendien heeft verweerder ter zitting aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe werkwijze. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen of de zaak aan te houden in afwachting van de aangifte. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser in feite nog steeds in de gelegenheid is om in Nederland aangifte te doen. Verder is niet gebleken dat eiser op voorhand niet de bescherming van de Italiaanse autoriteiten kan inroepen tegen de mensenhandelaren waarvoor hij vreest, of dat hij in Italië geen aangifte zal kunnen doen van mensenhandel. Dat eiser stelt in Italië te vrezen te hebben vanwege de voodoo die is uitgesproken door de mensenhandelaar, is onvoldoende om anders te oordelen. De rechtbank is daarbij van oordeel dat uit de door eiser overgelegde rapporten en artikelen niet volgt dat het niet mogelijk is om in Italië aangifte te doen van mensenhandel tegen organisaties als de Black Axe en de Italiaanse maffia of dat Italië personen die aangifte willen doen of hebben gedaan geen bescherming kan of wil bieden. Uit de rapporten en artikelen volgt voornamelijk hoe de bendes zelf opereren. De enkele verklaring van eiser dat de mensenhandelaar waarmee hij te maken had banden heeft met de Italiaanse autoriteiten is onvoldoende om aannemelijk te maken dat de Italiaanse autoriteiten banden hebben met het criminele circuit en eiser niet kunnen of willen helpen, of dat het vragen om hulp bij voorbaat zinloos zal zijn. Ook is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Dat in Nederland meer bescherming wordt geboden, is niet onderbouwd. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder heeft toegezegd dat bij de overdracht aan de Italiaanse autoriteiten wordt medegedeeld dat eiser de wens heeft geuit om aangifte van mensenhandel te doen, mocht hij dit ten tijde van de overdracht nog niet hebben gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser voert verder aan dat het claimakkoord onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat ten onrechte niet alle relevante elementen wat betreft het asielrelaas van eiser in het claimverzoek is opgenomen.

10. De rechtbank overweegt dat uit artikel 23, vierde lid, van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening9 volgt dat verweerder slechts gehouden is informatie in het terugnameverzoek te vermelden die de aangezochte lidstaat in staat stelt om te beoordelen of hij krachtens de in de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag van de vreemdeling.10 De rechtbank overweegt dat verweerder niet is gehouden overige informatie te vermelden. Daarbij overweegt de rechtbank nogmaals dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat indien eiser nog geen aangifte in Nederland heeft kunnen doen op het moment dat de feitelijke overdracht gepland wordt, verweerder Italië zal informeren over de wens van eiser aangifte te doen van mensenhandel. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 18 juli 2019.

De rechter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.

2 ECLI:NL:RBDHA:2019:6206.

3 ECLI:NL:RBDHA:2019:6568.

4 201904324/3/V3.

5 ECLI:NL:RVS:2018:4131.

6 De rechtbank wijst op de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1085), van 16 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1190), van 25 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1388), van 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395).

7 (ECLI:NL:RVS:2019:1861).

8 ECLI:NL:RVS:2018:4297.

9 Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend.

10 Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2484.