Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8723

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
NL19.15899 NL19.15901
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Servië, veilig land van herkomst, ook voor Roma. Eisers hebben iet aannemelijk gemaakt dat Servië voor hen geen veilig land van herkomst is. Beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.15899 en NL19.15901


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] (eiser),

[naam2] (eiseres),

mede namens hun minderjarige kinderen:

[naam3] , geboren op [geboortedatum]

[naam4] , geboren op [geboortedatum2],

(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. E.H.J.M. de Bonth).


Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 9 juli 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder is eisers opgedragen Nederland onmiddellijk dienen te verlaten en is een inreisverbod tegen eisers uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken NL19.15900 en NL19.15902, plaatsgevonden op 1 augustus 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. H.K. Westerhof, namens hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig N. Rasic, tolk.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Servische nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum2] . Zij hebben op 16 juni 2019, mede namens hun minderjarige kinderen, asielaanvragen ingediend.

2. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de moeilijke leefomgeving in Servië waar eisers werden gediscrimineerd vanwege hun Roma afkomst.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eisers op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw1 als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder acht de herkomst, identiteit en de gestelde nationaliteit van eisers geloofwaardig, evenals hun reden voor het vertrek uit Servië. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers afkomstig zijn uit een door verweerder aangewezen veilig land van herkomst en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat Servië voor hen geen veilig land van herkomst is. Verweerder heeft in het kader van de aanmerking van Servië als een veilig land van herkomst gewezen op de herbeoordeling die heeft plaatsgevonden door verweerder. In de brief van de staatssecretaris aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 11 juni 2018 (lees: 26 september 2017) (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 19 637, nr. 2349) is geconcludeerd dat er geen uitgebreide herbeoordeling voor Servië nodig is, nu er geen sprake is van een aanmerkelijke achteruitgang en dus nog steeds veilig is.

4. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd zal hierna worden ingegaan.

5. De stelling van eisers dat de algehele situatie in Servië zodanig is dat dit land voor Roma niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet.

Servië is aangewezen als een veilig land van herkomst, omdat in dit land wet- en regelgeving bestaat die behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM2 verbiedt. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat deze wet- en regelgeving wordt toegepast, en er een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling3 van onder meer 12 januari 20174 en 3 augustus 20175. Uit deze uitspraken valt af te leiden dat Roma het in Servië inderdaad moeilijk hebben, zoals ook is gebleken uit de algemene informatie die eisers in beroep naar voren hebben gebracht6. Uit die informatie valt echter niet af te leiden dat discriminatie en geweld tegen Roma op een dermate grote schaal voorkomt, dat Servië geen veilig land van herkomst voor hen is. Uit die informatie blijkt, anders dan eisers hebben betoogd, evenmin dat de situatie voor Roma wezenlijk is verslechterd. Gelet op het voorgaande over de aanwijzing van Servië als veilig van land herkomst, bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Servië geen bescherming nodig hebben. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat Servië in hun specifieke geval toch niet veilig is. Wegens dit rechtsvermoeden geldt daarbij een hoge drempel. Dit laat onverlet dat verweerder hetgeen eisers aanvoeren over hun specifieke individuele omstandigheden zal moeten onderzoeken en zal moeten motiveren of dit er al dan niet toe leidt dat Servië voor eisers niet veilig is.

6. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in hun geval geen bescherming kan worden geboden tegen de door hen gestelde problemen. Uit de door eisers overgelegde algemene informatie blijkt niet dat het voor alle Roma bij voorbaat zinloos is om bescherming te vragen.

7. Anders dan eisers hebben aangevoerd, volgt uit hun verklaringen niet dat zij als Roma stelselmatig gediscrimineerd zijn. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat uit hun verklaringen blijkt dat de autoriteiten aan hen officiële documenten hebben verstrekt, zij onderdak hadden, verzekerd waren tegen ziektekosten, werk hebben gehad, en een uitkering ontvingen. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat uit hun verklaringen niet volgt dat eisers als Roma in die mate gediscrimineerd zijn dat zij voor asielrechtelijke bescherming in Nederland in aanmerking komen.

9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvragen niet ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K Kurvink, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

4 ECLI:NL:RVS:2017:13

5 ECLI:NL:RVS:2017:2115

6 Mensenrechtenrapport van het US Department of State (USDOS) van 13 maart 2019, jaarverslag Human Rights Watch van 17 januari 2019, voortgangsrapport 2018 van de Europese Commissie van 17 april 2018, jaarrapport van Amnesty International over 2017 van 22 februari 2018, onderzoeksrapport van de internationale ngo Civil Rights Defenders van 17 november 2017, rapport van de UN Human Rights Council van 10 november 2017, een bericht van European Roma Rights Centre (ERRC) van 16 mei 2017 en het algemeen ambtsbericht over Servië van 27 juni 2008.