Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8634

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
NL19.14596
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Nigeria. LHBT terecht ongeloofwaardig geacht. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14596


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2019 in de zaak tussen

[EISER], eiser

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).


Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.14597, plaatsgevonden op 25 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.R. Nohar, vertegenwoordiger namens mr. T. Bruinsma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [GEBOORTEDATUM] 1987 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.

Een eerdere asielaanvraag van eiser is in 2001 afgewezen. In 2007 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Laatstgenoemde vergunning is met ingang van 11 juni 2014 met terugwerkende kracht ingetrokken. Op 8 maart 2019 heeft eiser vanuit strafrechtelijke detentie zijn huidige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2016 naar Nigeria is afgereisd en daar een erfenis had. Eenmaal daar kwam hij zijn familie tegen. Eisers familie heeft hem willen initiëren in het occultisme, maar eiser heeft geweigerd mee te werken. Zijn familie heeft hem toen het recht op de erfenis ontzegd. Als laatste deel van het ritueel had eiser moeten trouwen. Eiser wilde niet trouwen vanwege zijn homoseksuele geaardheid maar heeft dit niet kenbaar durven maken. Vervolgens heeft eiser Nigeria weer verlaten.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

- eisers homoseksuele geaardheid;

- de initiatie in het occultisme.

4. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De overige elementen van het relaas zijn door verweerder ongeloofwaardig geacht, nu eiser zijn gestelde homoseksuele geaardheid en de gestelde initiatie in het occultisme niet aannemelijk heeft weten te maken. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en g van de Vw 2000 afgewezen kennelijk ongegrond.

5. Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en voert – samengevat weergegeven – het volgende aan. Ondanks de poging tot een uitvoerige motivering in het bestreden besluit omtrent de rol die eisers eerste relatie in zijn seksuele ontwikkeling gespeeld heeft, is nog altijd niet duidelijk wat verweerder eiser nu eigenlijk tegenwerpt. De stelling dat romantische gevoelens voor het ene of het andere geslacht een onderscheidend kenmerk van homo- dan wel heteroseksualiteit is, is te kort door de bocht. Verliefdheid is niet synoniem aan liefde of genegenheid, het onderscheidend criterium van het zijn van homo- of heteroseksueel is seksuele aantrekkingskracht.

Het is niet duidelijk wat verweerder bedoelt met de stelling dat van eiser mag worden verwacht dat hij eenduidig kan verklaren over de welke rol de relatie met [A] speelde bij het besef dat eiser homoseksueel is. Daarmee wordt juist gedoeld op een gemis aan seksualiteit, het is immers onbestaanbaar dat een uitsluitend heteroseksuele man een seksuele relatie met een andere man als een gemis zou voelen.

Ten onrechte is tegengeworpen dat eiser de namen van LHBT-gelegenheden en de straten waar deze gevestigd zijn niet weet te benoemen. Eiser heeft moeite met de Nederlandse taal en schrijfwijze van straatnamen en bovendien was er voor hem geen noodzaak zich de (straat)namen te herinneren nu hij wist waar de gelegenheid zich bevond en hoe hij er moest komen.

Dat verweerder geen aandacht heeft geschonken aan de relatie die eiser in bewaring heeft gehad is onterecht, omdat verweerder er dan wederom ten onrechte vanuit gaat dat een homoseksuele relatie enkel geloofwaardig is als het een romantische relatie betreft.

6. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef onder c en g, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

c. de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden;

g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard;

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1

Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de door eiser naar voren gebrachte zienswijze. In beroep heeft eiser weliswaar verwezen naar zijn zienswijze, maar niet nader gemotiveerd dat en in welke zin verweerder in zijn reactie hierop tekort is geschoten. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.

8.2

Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert verweerder Werkinstructie 2018/9. Bij de toetsing van het relaas is sprake van een individuele beoordeling, waarbij de persoonlijke beleving van de vreemdeling en de betekenis die die gebeurtenissen voor de vreemdeling hebben gehad, centraal staan. Het is aan de vreemdeling om zijn gestelde seksuele gerichtheid nader te onderbouwen, maar verweerder biedt aan de vreemdeling uitgebreid de gelegenheid om te verklaren. Het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde gerichtheid bestaat uit het stellen van vragen, waarbij onder andere vragen worden gesteld over het privéleven van de vreemdeling (daaronder begrepen de eigen ervaringen van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid), huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBT organisaties in het land van herkomst, contact met anderen met een LHBT geaardheid in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en de mate van discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemene beeld passen.

8.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig geacht. Daartoe heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser gedurende acht jaar een seksuele relatie met [A] heeft onderhouden en deze relatie voor eiser het beginpunt van de ontdekking van zijn homoseksualiteit is geweest. In dat licht heeft verweerder van eiser mogen verwachten dat hij duidelijk en consistent kan verklaren wat hem heeft doen beseffen dat hij homoseksueel is. Verweerder heeft kunnen stellen dat eiser er niet in is geslaagd zijn gevoelens voor [A] concreet te maken. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard dat [A] financiële hulp regelde en hij daarom in (seksueel) contact met hem bleef, hij de seksuele handelingen qua moraal niet leuk vond maar het wel lekker voelde, hij geen gevoelens voor [A] had en hem enkel op seksueel vlak miste als zij elkaar een periode niet zagen. Ook anderszins is eiser er niet in geslaagd geloofwaardige verklaringen af te leggen over zijn persoonlijke beleving ten aanzien van zijn seksuele gerichtheid. Verweerder heeft in dat kader terecht overwogen dat eiser ook ten aanzien van zijn gevoelens voor andere mannen blijft steken in oppervlakkige verklaringen en algemeenheden, zoals het feit dat hij het geweldig vond te merken dat hij op mannen viel omdat er met vrouwen om kleine dingen al drama gemaakt wordt, er met vrouwen veel gepraat moet worden en soms dingen tien keer uitgelegd moeten worden. Ook heeft eiser verklaard dat hij zich meer aangetrokken voelde tot mannen omdat het makkelijker was contact te krijgen met mannen dan met vrouwen, hij makkelijker en sneller seks kon krijgen met mannen en het versieren van vrouwen te veel werk was en het met mannen makkelijker is. Verweerder merkt niet ten onrechte op dat sprake lijkt te zijn van een rationele keuze. Bovendien is van belang dat eiser ook over (zijn relatie met) [X] weinig en niet consistent heeft kunnen verklaren, hetgeen verweerder wel van hem heeft mogen verwachten gelet op het feit dat [X] de enige persoon was die eiser wel echt leuk vond en zij twee jaar een relatie hebben gehad.

In hetgeen hieromtrent door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft in dat kader terecht overwogen dat is erkend dat er geen liefde in het spel was tussen eiser en [A] en niet van hem wordt verwacht dat hij romantische gevoelens voor [A] kon beschrijven. Met verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat van eiser wel mag worden verwacht dat hij eenduidig kan verklaren over de rol die de relatie met [A] speelde bij de totstandkoming van het besef dat eiser homoseksueel is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is eiser daar niet in geslaagd.

Verweerder heeft voorts van belang kunnen achten dat eiser geen namen van uitgaansgelegenheden kan noemen, ondanks het feit dat hij volgens zijn eigen verklaringen homoseksuelen in het uitgaansleven heeft ontmoet. Ook kan eiser geen andere mogelijkheden om met homoseksuelen in contact te komen noemen, kent hij geen enkele LHBTI belangenorganisatie en heeft hij over de rechten van LHBTI’ers in Nederland slechts zeer summier verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij meer kan verklaren over onderwerpen zoals contact met homoseksuelen in Nederland, de positie van LHBTI’ers en over belangenorganisaties in Nederland. Voor zover eiser heeft betoogd moeite te hebben met de Nederlandse taal en schrijfwijze van straatnamen en er voor hem geen noodzaak was zich de (straat)namen te herinneren, leidt dit niet tot een ander oordeel. Dat eiser moeite heeft met de Nederlandse taal is niet gebleken nu eiser al sinds 2000 in Nederland verblijft en bovendien in de Nederlandse taal is gehoord.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder van belang heeft kunnen achten dat eiser slechts over summiere kennis over discriminatie, repressie en vervolging van homoseksuelen in Nigeria beschikt. Van hem mag verwacht worden dat hij over enige kennis van zaken in zijn land van herkomst beschikt, ook nu hij al sinds 2000 in Nederland verblijft. Verweerder heeft in dat kader niet ten onrechte tegengeworpen dat de strafbaarstelling van homoseksualiteit wereldwijd voor veel commotie heeft gezorgd en er bovendien tien belangenorganisaties voor LHBTI’ers in Nigeria zijn, waarvan eiser er geen enkele heeft weten te noemen.

9. Concluderend heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde homoseksualiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Tegen de vaststelling van verweerder dat problemen vanwege het occultisme ongeloofwaardig zijn, heeft eiser geen beroepsgronden gericht. De aanvraag is dan ook niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Kroon - Overdijk, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.