Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
awb 19/2238
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

visum, annulering hotelreserveringen, doel verblijf onvoldoende aangetoond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/2238

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen:

[naam2] , eiser

[naam3] , eiser

[naam4], eiseres,

tezamen: eisers,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 maart 2019 (het bestreden besluit).

Partijen hebben toestemming gegeven om het beroep buiten zitting af te doen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Pakistaanse nationaliteit. Zij heeft op 11 oktober 2018 mede ten behoeve van haar drie minderjarige kinderen, geboren op respectievelijk [geboortedatum2], [geboortedatum3] en [geboortedatum4] en eveneens van Pakistaanse nationaliteit, bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Lahore een aanvraag tot verlening van een visum voor kort verblijf ingediend met als doel ‘toerisme’.

2. Bij vier afzonderlijke besluiten van 25 oktober 2018, door eisers ontvangen op 31 oktober 2018, heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Eisers hebben op 27 november 2018 hiertegen op bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard. Eisers hebben op 25 maart 2019 hiertegen beroep ingesteld.

3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en die beslissingen in het bestreden besluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder aan eisers artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a) ii en onder b, van de Visumcode1 tegengeworpen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt. Onvoldoende aannemelijk is dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Pakistan. Aangenomen wordt dat de hotelreserveringen slechts zijn gemaakt om de visumafgifte te bevorderen. Nu met de hotelreserveringen een onjuiste voorstelling van de verblijfsomstandigheden is gegeven, wordt getwijfeld aan de juistheid en geloofwaardigheid van het opgegeven reisdoel en de motieven voor de visum aanvraag. Dat eisers over voldoende financiële middelen zouden beschikken en dat er volgens eisers sprake is van een sterke sociale en economische binding met Pakistan kan hieraan niet afdoen. Conform de Visumcode wordt in geval van twijfel aan het reisdoel, van afgifte afgezien, aldus verweerder.

4. Wat eisers hiertegen in beroep hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

5. Uit de stukken blijkt dat eisers hebben aangegeven dat zij voor een periode van tien dagen in het Corendon Village Hotel in Amsterdam willen verblijven. Zij hebben ter onderbouwing hiervan een reservering van 3 oktober 2018 overgelegd. Navraag door verweerder heeft echter uitgewezen dat deze hotelreservering op 8 november 2018 is geannuleerd.

In bezwaar hebben eisers een nieuwe hotelreservering van 26 november 2018 overgelegd voor het Hilton Garden Inn Leiden te Oegstgeest, voor de periode van 4 mei 2019 tot 10 mei 2019. Daarbij hebben eisers niet toegelicht waarom zij voor een ander hotel in een andere plaats hebben gekozen. Daarbij acht verweerder het opmerkelijk dat de kosten van de eerste reservering aanzienlijk hoog waren en er voor de drie kinderen een aparte kamer is geboekt terwijl zij minderjarig zijn. De nieuwe reservering betreft echter een eenpersoonskamer ten behoeve van eiseres.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht besloten om de afwijzing van de visumaanvragen in bezwaar onder voornoemde omstandigheden te handhaven. Eisers hebben vóór de indiening van hun bezwaarschrift reeds hun eerste hotelreservering geannuleerd en in bezwaar niet uit eigen beweging aan verweerder uitgelegd waarom hun reisdoel is gewijzigd. Ook bij de tweede hotelboeking van eisers, in een ander hotel en in een andere plaats, heeft verweerder terecht vraagtekens geplaatst. Ook in dit geval is er in bezwaar geen nadere toelichting van de wijziging van de plannen gegeven. Bovendien betreft het de reservering van een éénpersoonskamer. Dat deze laatste boeking volgens eiseres is te wijten aan onkunde of een vergissing neemt de twijfel niet weg.

7. Eisers hebben vervolgens nog betoogd dat de hoorplicht is geschonden. Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat op het bezwaar wordt beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, is bepaald dat van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op wat eisers in bezwaar hebben aangevoerd, was op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder mocht daarom met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen afzien.

8. Tot slot is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd met bepaalde rechtsbeginselen, dan wel andere regels van geschreven en ongeschreven recht is genomen.

9. In beroep hebben eisers nog een aantal stukken overgelegd en meegedeeld dat zij voor de periode 24 december 2019 tot 2 januari 2020 een tweekamerappartement in Amsterdam hebben gereserveerd.

Gelet op de ex-tunc toetsing van het bestreden besluit dienen deze stukken buiten beschouwing te blijven. Eisers kunnen desgewenst een nieuwe visumaanvraag indienen. Wat eisers hierover hebben aangevoerd kan dan ook onbesproken blijven.

10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de visa terecht heeft geweigerd. Het beroep is ongegrond.

11. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, gelet op het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, geen hoger beroep open.

1 Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode