Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8625

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
NL19.14832
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige Hazara, Afghanistan, vier-ogenprincipe, ongeloofwaardig relaas, gestelde homoseksualiteit, veiligheidssituatie voor Hazara in Jaghori, artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, nieuwe feiten en omstandigheden in beroepsfase, ex nunc toets, gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14832


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Vita).


Procesverloop


Bij besluit van 26 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een asielvergunning voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en een alleenstaande minderjarige Hazara te zijn uit het district Jaghori, in Ghazni, Afghanistan. Op 21 december 2018 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend, nadat hij eerder in Zweden heeft getracht om een asielvergunning te verkrijgen. Aan zijn aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in 2015 Afghanistan is ontvlucht omdat hij met de dood werd bedreigd door personen die zijn vader hebben vermoord. Daarnaast heeft eiser gesteld dat hij vreest om terug te keren naar zijn land van herkomst vanwege zijn homoseksuele geaardheid.

2. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit van eiser geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de asielaanvraag echter ongegrond verklaard op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat de doodsbedreigingen en de homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig worden geacht.

3. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd wat hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Horen en besluitvorming

4. Eiser heeft gesteld dat het bestreden besluit om procedurele redenen op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Als eerste argument voor deze stelling heeft eiser aangedragen dat het bestreden besluit is opgemaakt in strijd met het ‘vier-ogenprincipe’, omdat de ambtenaar die het voornemen heeft uitgebracht ook het besluit op de aanvraag heeft genomen.

Uit artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Een voornemen is echter niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar vormt een onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op de aanvraag. Het bestreden besluit kan daarom ook niet gelijk worden gesteld met een beslissing op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb.1 Bovendien stelt de rechtbank vast dat uit het dossier blijkt dat er verschillende ambtenaren bij de beoordeling van eisers asielaanvraag betrokken zijn geweest: de gehoren zijn door verschillende personen afgenomen en hoewel het voornemen en het bestreden besluit inderdaad door dezelfde persoon zijn ondertekend, heeft verweerder ter zitting laten weten dat bij het opstellen van het voornemen nog een andere ambtenaar betrokken is geweest.

5. Als tweede argument heeft eiser gesteld dat verweerder bij de gehoren en bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn relaas, onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn kwetsbaarheid, minderjarigheid en medische situatie. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat bij de gehoren van eiser voldoende procedurele maatregelen zijn getroffen. Verweerder heeft voor het nader gehoor immers twee dagen uitgetrokken en eiser voldoende ruimte gegeven om te verklaren en te pauzeren. Daarbij is ook van belang dat eiser tijdens het gehoor vooraf heeft aangegeven dat hij in staat was om te worden gehoord, en naderhand dat hij de tolk goed heeft kunnen verstaan. Uit het verslag van het gehoor kan de rechtbank niet afleiden dat eiser en de gehoorambtenaar elkaar niet hebben begrepen. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd op welke specifieke momenten hij zich beperkt heeft gevoeld in zijn mogelijkheid om verklaringen af te leggen. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar het rapport van het FMMU2. Verweerder leidt uit dit rapport terecht af dat niet is gebleken van medische klachten die eiser beperken in zijn capaciteiten om coherente en duidelijke verklaringen af te leggen. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het patiëntendossier dat eiser in beroep heeft overgelegd. De beroepsgrond faalt.

Geloofwaardigheid doodsbedreigingen

6. Als eerste element uit zijn asielrelaas heeft eiser ten grondslag gelegd dat zijn vader is vermoord vanwege een conflict over landbouwgrond. Eiser heeft hiervan samen met zijn tante en dorpsgenoten aangifte gedaan. Dit heeft geleid tot de arrestaties van de moordenaars. Door steekpenningen zijn deze moordenaars weer vrijgelaten en hebben ze eiser met de dood bedreigd. Voor eiser is het niet mogelijk geweest om dit element met documenten te staven omdat zijn familieleden in Afghanistan het contact met hem hebben verbroken en omdat in Afghanistan niet veel documenten voorhanden zijn. Eiser stelt in Zweden wel kopieën van documenten aan zijn asielaanvraag ten grondslag te hebben gelegd. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht door niet zijn asieldossier bij de Zweeds autoriteiten op te vragen. Daarbij is van belang dat het voor verweerder eenvoudiger is om een asieldossier te verkrijgen, nu eiser niet meer weet wie in Zweden zijn advocaat is geweest, aldus eiser.

7. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stellingen omtrent verweerders onderzoeksplicht. Verweerder heeft in het bestreden besluit onderbouwd dat er geen aanleiding is het Zweedse asieldossier op te vragen omdat verweerder op basis van de gehoren voldoende informatie heeft voor een zorgvuldige beoordeling van eisers asielaanvraag. Indien eiser meent dat dit dossier wel van belang had kunnen zijn, dan had het op de weg gelegen van eiser om deze stukken zelf op te vragen. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij dit heeft gedaan. Bovendien heeft eiser in eerste instantie geweigerd om verweerder toestemming te geven het dossier bij de Zweedse autoriteiten op te vragen. Pas in de zienswijze heeft eiser hiervoor toestemming gegeven.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde doodsbedreigingen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser ongerijmde, vage en bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd. Daarbij is ten eerste van belang dat eiser zijn relaas niet heeft gestaafd met documenten, terwijl eiser sinds 2015 in Europa verblijft. Van eiser mag worden verlangd dat hij tracht belangrijke documenten te verkrijgen, zoals bijvoorbeeld de brief van aangifte die hij heeft gedaan tegen de moordenaars en het eigendomsbewijs van de landbouwgrond. Gesteld noch gebleken is dat hij sinds 2015 heeft gepoogd om deze documenten alsnog te verkrijgen.

Verweerder heeft het verder bevreemdend mogen achten dat de tante en de dorpelingen geen problemen hebben ondervonden met de moordenaars, terwijl mede door hun toedoen de moordenaars zijn gearresteerd.

Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat veel kernelementen van eisers relaas uitsluitend zijn gebaseerd op mondelinge verklaringen van zijn tante. Dit geldt temeer nu het in de verwachting ligt dat eiser, als het oudste mannelijke gezinslid, rechtstreeks informatie van de Afghaanse autoriteiten zou krijgen over de veroordeling van de moordenaars.

Verweerder acht het ten slotte niet ten onrechte bevreemdingwekkend dat eiser niet weet op welke datum zijn vader zou zijn vermoord. Eisers stelling dat data in Afghanistan geen grote rol spelen kan daar niet aan af doen, omdat eiser wel zijn geboortedatum weet. De beroepsgrond slaagt niet.

Gestelde homoseksualiteit

9. Over zijn gestelde homoseksualiteit heeft eiser naar voren gebracht dat verweerder onredelijke eisen aan zijn bewijslast heeft gelegd en dat verweerder heeft verzuimd om concreet aan te geven wat er precies ontbrak in zijn verklaringen. Bovendien heeft verweerder de gestelde homoseksualiteit ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

10. Omtrent dit eerste argument heeft eiser verwezen naar het rapport van het COC3 waaruit blijkt dat verweerder niet altijd handelt volgens de nieuwe Werkinstructie (Werkinstructie 2018/9). In de beschreven gevallen wordt ten onrechte nog altijd van de vreemdeling verwacht dat hij worstelt of heeft geworsteld met zijn seksuele identiteit.

Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling. Verweerder heeft eisers gestelde homoseksualiteit beoordeeld aan de hand van de nieuwe Werkinstructie. In de Werkinstructie staat dat verwacht mag worden dat de vreemdeling, die afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd, aantoont dat sprake is van een (denk)proces waarin de vreemdeling zich afvraagt wat het voor hem betekent dat hij anders is dan hetgeen de maatschappij van hem verlangt, en op welke wijze hij daaraan invulling wil en kan geven4. Verweerder heeft niet van eiser verlangd dat hij ‘een worsteling’ aannemelijk maakt. Verweerder heeft de werking van de Werkinstructie en zijn overwegingen ten opzichte van eisers relaas reeds in het voornemen uiteengezet.

11. Over zijn geaardheid heeft eiser samengevat verklaard dat hij een relatie had met schoolgenoot [naam2] en dat zij in de bergen afspraken om schapen te hoeden en dat zij veel kletsten. Ook heeft eiser verklaard dat hij geen interesse had in meisjes.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser summier heeft verklaard over zijn relatie met [naam2] en over hoe hij met zijn homoseksuele geaardheid in emotionele zin is omgegaan. Van eiser mag immers worden verwacht dat hij gedetailleerde eigen ervaringen en persoonlijke belevingen omschrijft, en dat hij verklaart hoe hij omging met deze seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst. Ook van een zeventienjarige mag dit verwacht worden.

Daarbij is voorts van belang dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij niet wist dat homoseksualiteit in Afghanistan strafbaar is voordat hij zijn gestelde relatie kreeg met [naam2]. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij, voordat hij een relatie kreeg, op televisie heeft gezien dat iemand ter dood werd veroordeeld vanwege het hebben van een homoseksuele relatie5. In de correcties en aanvullingen heeft eiser betoogd dat de volgorde van deze twee gebeurtenissen dient te worden omgedraaid, maar eiser heeft geen plausibele verklaring voor de andersluidende verklaring gegeven.

Tot slot heeft verweerder mogen stellen dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde geaardheid omdat hij in Zweden niet aan de autoriteiten heeft gemeld dat hij homoseksueel is. Daarbij is van belang dat door de eerdere afwijzing, een verwijdering naar Afghanistan aanstaande was. Niet is gebleken dat eiser niet in staat was om deze asielgrond in Zweden naar voren te brengen. Deze beroepsgrond faalt.

Nieuw ingebrachte stukken over de veiligheidssituatie en de positie van Hazara in Jaghori

12. Tot slot heeft eiser gesteld dat sprake is van een verslechterde algemene veiligheidssituatie in het district Jaghori, in de provincie Ghazni en specifiek de situatie voor Hazara. Eiser heeft op 17 juli 2019 ter aanvulling van zijn beroepsgronden betoogd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser recente informatie6 over de veiligheidssituatie in Ghazni overgelegd, en informatie over de positie van Hazara in het bijzonder.

13. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat deze recente informatie te kort voor de zitting is ingebracht, en dat eiser niet eerder heeft gesteld dat hij vreest voor terugkeer vanwege zijn Hazara-afkomst of de algemene veiligheidssituatie. Het primaire standpunt van verweerder is dan ook dat deze nieuwe informatie niet meegenomen dient te worden bij de beoordeling van het beroep omdat het belang van de goede procesorde zich daartegen verzet. Verweerder heeft subsidiair betoogd dat, gelet op het recente Algemene Ambtsbericht Afghanistan van maart 2019, de veiligheidssituatie in Afghanistan of de provincie Ghazni niet zo slecht is dat eiser om die reden niet kan terugkeren.

14. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die in de beroepsfase zijn ingebracht. In artikel 83, derde lid, van de Vw staat dat met de nieuwe feiten en omstandigheden geen rekening wordt gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

15. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de goede procesorde zich verzet tegen het rekening houden met de stukken die eiser op 17 juli 2019 heeft ingebracht. De rechtbank heeft verweerder ter zitting aangeboden om de behandeling ter zitting te schorsen zodat verweerder meer tijd zou krijgen om kennis te nemen van de nieuw ingebrachte stukken. Verweerder heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Daarnaast veronderstelt de rechtbank dat verweerder bekend is met de algemene situatie in Afghanistan, en in het bijzonder de positie van Hazara in de provincie Ghazni.

16. Verweerder dient bij zijn standpunt omtrent artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw te beoordelen of er voor eiser een reëel risico bestaat op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 2 en 3 van het EVRM7. Bij zijn beoordeling hiervan dient verweerder rekening te houden met alle relevante persoonlijke kenmerken van eiser, dit dient gewogen te worden met de situatie in het land van herkomst8. Zoals volgt uit de arresten Ahmedbekova9 en Alheto10 en de uitspraak van de Afdeling11 dient deze beoordeling plaats te vinden in een volledig ex nunc-onderzoek. Dit betekent dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de actuele persoonlijke omstandigheden en de actuele situatie in het land van herkomst. Dit gaat ook op voor nieuwe feiten en omstandigheden die aan het licht zijn gekomen nadat verweerder op de aanvraag heeft beslist.

17. De rechtbank stelt vast dat uit het Algemeen Ambtsbericht en de door eiser ingebrachte informatie blijkt dat de Taliban sinds 2018 een offensief is begonnen in Ghazni12. Sinds november 2018 zijn Jaghori en de andere westelijke gebieden van de provincie Ghazni aangevallen door de Taliban en is sprake van een constant veranderende veiligheidssituatie13. Hazara’s in het bijzonder lopen het risico slachtoffer te worden van sektarisch geweld en aanvallen van de Taliban en ISIS-K14.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat de minderjarige eiser afkomstig is uit een gebied waar met name voor zijn etnische groep, de Hazara, sprake is van een diffuse veiligheidssituatie. Verweerder heeft eisers relevante persoonlijke kenmerken dus kennelijk niet meegewogen bij zijn beoordeling. Dat verweerder geen reden heeft gezien om naar aanleiding van het recente Algemeen Ambtsbericht het algemene beleid over Afghanistan of Ghazni te wijzigen, kan daar niet aan af doen.

18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het op de weg ligt van verweerder om nader onderzoek te doen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de door eiser gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512, en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024 (duizendvierentwintig euro).


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 maart 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9817.

2 Forensisch Medische Maatschappij Utrecht

3 COC, IND voert het nieuwe LHBTI-asielbeleid slecht uit, van 29 juni 2019

4 Werkinstructie 2018/9 pagina 5

5 Nader gehoor pagina 26

6 Vluchtelingenwerk Nederland, Veelgestelde vragen – Afghanistan veiligheidssituatie provincie Ghazni, van 28 juni 2019 The New York Times, Taliban Slaughter Elite Afghan Troops, and a Safe District is Falling, van 12 november 2018

7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

8 Zie daarbij de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, van 17 juli 2008, zaaknummer: 25904/07, paragraaf 128 tot en met 130

9 Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:801, punten 92 en 93

10 Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:584 punten 110 en 111

11 Uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073, rechtsoverweging 5.2.2

12 Vluchtelingenwerk Nederland, Veelgestelde vragen bladzijde 2 Rapport van het European Asylum Support Office Afghanistan: Security Situation van juni 2019, bladzijde 129 Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van maart 2019, pagina 31

13 Vluchtelingenwerk Nederland, Veelgestelde vragen bladzijde 4 EASO rapport bladzijde 133 en 134

14 Vluchtelingenwerk Nederland, Veelgestelde vragen bladzijde 7 Rapport van het US State Department, Afghanistan 2018 Human Rights Report, van 13 maart 2019, bladzijde 36