Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8621

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
NL19.16423 NL19.16425
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statushouder. Griekenland. Aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Opvang beëindigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.16423 en NL19.16425


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen


[naam] en [naam2], verzoekers

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 juli 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 25 juli 2019 een verweerschrift ingediend. Hierop hebben verzoekers op 30 juli 2019 gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft, omdat onverwijlde spoed dat vereist, met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan op hun verzoeken zonder voorafgaande zitting.

Overwegingen

1. Verzoekers hebben op 27 juni 2019 asiel aangevraagd. Deze asielaanvragen zijn bij de bestreden besluiten op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Griekse autoriteiten al aan verzoekers internationale bescherming hebben verleend. Volgens verweerder moeten verzoekers zich daarom onmiddellijk naar Griekenland begeven.

2. Als gevolg van de bestreden besluiten is het verblijf van verzoekers in het AZC te Budel op 15 juli 2019 beëindigd.

3. In hun verzoeken om voorlopige voorziening hebben verzoekers verzocht hun uitzetting te verbieden en de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten te schorsen waaronder de beëindiging van hun opvang. Verzoekers hebben verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 28 mei 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:4474).

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers met hun verzoeken om een voorlopige voorziening beogen dat zij opvang en verstrekkingen behouden totdat uitspraak is gedaan op hun beroepen tegen de bestreden besluiten.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekers geen recht hebben op opvang, omdat zij verblijfsrecht hebben in Griekenland. Uit de bestreden besluiten blijkt dat de behandeling van de beroepen tegen de bestreden besluiten niet in Nederland mag worden afgewacht, maar de behandeling van de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de bestreden besluiten wel. Hierdoor ontstaat echter geen recht op verstrekkingen zoals bedoeld in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Omdat de asielaanvragen van verzoekers niet-ontvankelijk zijn verklaard, zijn verzoekers geen ‘verzoekers’ meer in de zin van artikel 2, onder b, van de Opvangrichtlijn1, omdat op het verzoek om internationale bescherming al een definitieve inwilligende beslissing, zoals bedoeld in artikel 2, onder e, van de Procedurerichtlijn2 is genomen door de Griekse autoriteiten. Verder vallen verzoekers niet onder de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaken Gnandi en C. e.a. van respectievelijk 19 juni 2018 (C-181/16) en 5 juli 2018 (C-269/18). Aan verzoekers is immers geen terugkeerbesluit uitgereikt in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Hierdoor hebben verzoekers geen recht op opvang.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers, zolang nog geen rechterlijk oordeel is gegeven over hun asielaanvragen in Nederland, recht hebben op opvang. Voor de status van verzoekers als asielzoekers, bedoeld in de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn, acht de voorzieningenrechter slechts de in Nederland ingediende aanvragen van belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is eerst definitief beslist als de rechtbank een beslissing heeft genomen over de beroepen tegen de bestreden besluiten. Verzoekers zijn dan ook nog te beschouwen als ‘verzoekers’ in de zin van Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn. Dat de Griekse autoriteiten al definitief hebben beslist op hun asielverzoeken in Griekenland, brengt geen verandering in het oordeel van de voorzieningenrechter. Relevant zijn de aanvragen die verzoekers in Nederland hebben ingediend op 27 juni 2019.

7. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat verzoekers ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in Nederland mogen blijven in afwachting van de behandeling van hun verzoek om een voorlopige voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun asielaanvraag. In navolging van de door verzoekers genoemde uitspraak van zittingsplaats Rotterdam, wijst de voorzieningenrechter erop dat dit een gevolg is van de invoering van artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn. Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot aanpassing van de Vw aan de Procedurerichtlijn heeft de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bovendien opgemerkt dat de vreemdeling in een situatie als deze ook een recht heeft op opvang. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2014-2015, 34088, nr. 6, blz. 33 en 34).

8. De stelling van verweerder dat jegens verzoekers geen terugkeerbesluit is genomen en daarom het oordeel van het HvJ EU in bovengenoemde zaken Gnandi en C. e.a. niet van toepassing zou zijn, doet niet af aan de bepalingen in de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn. De voorzieningenrechter volgt bovendien niet de stelling van verweerder dat verzoekers niet onder de Terugkeerrichtlijn3 vallen, nu artikel 6, tweede lid, van deze richtlijn op hen van toepassing is.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit in het geval van verzoekers dat zij niet mogen worden uitgezet en dat de opvang van verzoekers – anders dan waar verweerder van uitgaat - niet eindigt met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag.

10. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten worden geschorst voor zover daarbij is bepaald dat verzoekers niet rechtmatig in Nederland verblijven en voor zover daarbij is bepaald dat de verstrekkingen (waaronder opvang) zullen worden beëindigd. Verzoekers mogen niet worden uitgezet en de verstrekkingen door het COA moeten worden voortgezet. De opschorting van de rechtgevolgen geldt totdat is beslist op de beroepen.

11. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op de samenhang van de zaken stelt de voorzieningenrechter de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 512 (1 punt voor de beide verzoekschriften, met een waarde per punt van € 512 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten worden geschorst voor zover daarbij is bepaald dat verzoekers niet langer rechtmatig in Nederland verblijven en voor zover daarbij is bepaald dat de verstrekkingen (waaronder opvang) zullen worden beëindigd totdat is beslist op de beroepen van verzoekers;

- bepaalt dat verzoekers gedurende die termijn niet mogen worden uitgezet;

- bepaalt dat de verstrekkingen door het COA moeten worden voortgezet gedurende die termijn;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers van € 512.

Het dictum is mondeling op 30 juli 2019 om ongeveer 13.30 uur meegedeeld aan verweerder en om 15.15 uur aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Evenhuis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Richtlijn 2013/33/EU

2 Richtlijn 2013/32/EU

3 Richtlijn 2008/115/EG