Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8616

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
NL19.16647
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Nigeria. LHBT – relaas ongeloofwaardig. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.16647


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Jalouqa).


Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.16648, plaatsgevonden op 1 augustus 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als telefonische tolk heeft gefungeerd I. Huigens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 15 juni 2019 heeft eiseres onderhavige asielaanvraag ingediend. Zij heeft – samengevat weergegeven – aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij op vrouwen valt, een relatie met een vrouw heeft gehad en tijdens het verrichten van seksuele handelingen in het bos is betrapt door dorpsgenoten. Eiseres is door haar dorpsgenoten geslagen en haar familie is op de hoogte gesteld. Na dit voorval is eiseres naar haar oom in Benin City gegaan, waar zij tussen 2016 en september 2018 in opdracht van haar oom gedwongen in de prostitutie heeft gewerkt. Eiseres is voorts door haar oom verkracht en van hem zwanger geraakt. Vervolgens is eiseres naar Lagos gevlucht, heeft aangifte gedaan tegen haar oom en abortus laten plegen.

2. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de seksuele geaardheid van eiseres;

- problemen vanwege de seksuele geaardheid;

- gedwongen prostitutiewerk, de verkrachting door de oom en de daar uit volgende zwangerschap.

3. Verweerder heeft eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De overige elementen zijn door verweerder ongeloofwaardig geacht, nu eiseres tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over onder andere het gebruik van social media, haar werkzaamheden in Nigeria en de gedwongen prostitutie. Bovendien meent verweerder dat eiseres algemene en oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van haar seksuele geaardheid en niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij haar seksuele geaardheid heeft ontdekt en beleefd en wat dit voor haar persoonlijk heeft betekend nu homoseksualiteit in Nigeria niet wordt geaccepteerd en strafbaar is gesteld.

Verweerder heeft de aanvraag daarom op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiseres kan zich met deze beslissing niet verenigen en verzoekt hetgeen reeds is aangevoerd bij de correcties en aanvullingen van 25 juni 2019 en 7 juli 2019 alsmede de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Voorts heeft eiseres – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Ten onrechte is niet van belang geacht dat eiseres een juju-eed (voodoo) heeft afgelegd, nu het afleggen van deze eed de geloofwaardigheid van het relaas ondersteunt. Bovendien is verweerder bij zijn beoordeling ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat eiseres niets mocht doorvertellen, betekent dat eiseres wel degelijk in de prostitutie moest werken.

Ten onrechte zijn eiseres haar antwoorden op de vragen over Facebook en het contact met haar broer tegengeworpen en de redenering van verweerder dat het antwoord enkel volledig was geweest indien eiseres specifiek had geantwoord dat zij geen gebruik maakt van Facebook voor communicatie met haar broer maar wel in het bezit is van een Facebookpagina is niet te volgen. Voorgaande getuigt van een werkwijze waarbij verweerder koste wat kost tot een afwijzing heeft willen komen, hetgeen onzorgvuldig, onredelijk en onbehoorlijk is.

Eiseres wijst er voorts op dat de redenering van verweerder met betrekking tot de informatie op de Facebookpagina van eiseres, haar werkzaamheden en haar verklaringen daaromtrent niet relevant is voor het asielrelaas, wat ertoe heeft geleid dat verweerder niet op goede gronden tot de conclusie heeft kunnen komen dat het relaas van eiseres ongeloofwaardig is voor wat betreft het gedwongen prostitutiewerk.

Dat eiseres moeilijk kan uitleggen wat het voor haar betekend heeft om tot de conclusie te komen dat zij homoseksueel is, is begrijpelijk omdat van een dergelijke conclusie geen sprake kan zijn. Er is niet zoiets als ‘tot de conclusie komen’ om homoseksueel of heteroseksueel te zijn en verweerder dient dat in te zien. De vraagstelling van verweerder is erop gericht inzicht te krijgen in het proces van bewustwording en zelfacceptatie, hetgeen niet bestaat en daarom ook niet van eiseres verwacht mag worden.

Verweerder heeft bovendien ten onrechte in deze zaak de werkwijze en beslisboom gehanteerd zoals gold voor de ingangsdatum van de Werkinstructie 2018/9 (hierna: WI 2018/9), hetgeen blijkt uit de vraagstelling in het nader gehoor. Verweerder heeft daarmee ten onrechte teveel belang geacht aan het bewustwordings- en zelfacceptatieproces om tot ongeloofwaardigheid van het relaas te komen.

Eiseres is het niet eens met het standpunt van verweerder dat zij verweerder heeft willen misleiden aangaande haar identiteit. Dat eiseres onwetend was over de in Nederland geldende wet- en regelgeving omtrent het meteen bij aankomst aangeven dat haar paspoort vals was, kan haar niet tegengeworpen worden. Het is enkel eiseres haar bedoeling geweest Nederland binnen te reizen zodat zij asiel kon aanvragen. Bovendien ziet het misleiden niet op het inreizen maar op de gegevens die worden verstrekt op het moment van de aanvraag. Er is niet gebleken dat de identiteitsgegevens niet correct waren en verweerder heeft bovendien de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht.

Tot slot meent eiseres dat het opgelegde inreisverbod niet in stand kan blijven bij gegrondverklaring van het beroep.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

c. de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden;

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert verweerder Werkinstructie 2018/9. Bij de toetsing van het relaas is sprake van een individuele beoordeling, waarbij de persoonlijke beleving van de vreemdeling en de betekenis die die gebeurtenissen voor de vreemdeling hebben gehad, centraal staan. Het is aan de vreemdeling om zijn gestelde seksuele gerichtheid nader te onderbouwen, maar verweerder biedt aan de vreemdeling uitgebreid de gelegenheid om te verklaren. Het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde gerichtheid bestaat uit het stellen van vragen, waarbij onder andere vragen worden gesteld over het privéleven van de vreemdeling (daaronder begrepen de eigen ervaringen van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid), huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBT organisaties in het land van herkomst, contact met anderen met een LHBT geaardheid in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en de mate van discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemene beeld passen.

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte de gestelde seksuele geaardheid van eiseres ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat eiseres er niet in is geslaagd inzichtelijk te maken wat voor gevoelens zij heeft gehad bij (de ontdekking van) haar seksuele geaardheid, nu zij enkel heeft verklaard dat ze warrige, meer seksueel getinte gevoelens had naar vrouwen toe dan naar mannen. Bovendien heeft verweerder bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiseres bij de beantwoording van vragen als hoe eiseres besefte op vrouwen te vallen en op welke wijze zij zich anders ging gedragen nadat zij tot dit inzicht was gekomen, herhaaldelijk dezelfde antwoorden geeft. Verweerder heeft bovendien van belang kunnen achten dat eiseres niet eenduidig heeft verklaard over het ontstaan van de relatie met [A], gelet op het feit dat uit eiseres haar verklaringen blijkt dat zij meerdere jaren een relatie zouden hebben gehad en eiseres afgezien van één andere vrouw geen andere relaties met vrouwen heeft gehad. Voorts heeft verweerder kunnen meewegen dat eiseres heeft gesteld op dit moment een relatie met een vrouw te hebben, maar van deze vrouw de naam niet weet.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres met haar verklaringen geen inzicht heeft geboden in de (ontwikkeling van) haar gevoelens inzake haar seksuele geaardheid en hoe zij haar seksuele geaardheid heeft ontdekt en beleefd. Het enkel hebben van meer interesse in een vrouw dan in een man en het verrichten van seksuele handelingen met vrouwen heeft verweerder in dit kader onvoldoende kunnen achten.

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat er niet zoiets bestaat als een bewustwordings- en zelfacceptatieproces en van eiseres daarom niet verwacht mag worden dat zij daarover weet te verklaren, leidt deze stelling niet tot een ander oordeel nu deze in het geheel niet nader is onderbouwd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat weliswaar vragen zijn gesteld die zien op een bewustwordings- en zelfacceptatieproces, maar de aanvraag wordt volgens WI 2018/9 integraal beoordeeld waarbij de persoonlijke beleving van de vreemdeling centraal staat. De stelling van eiseres dat verweerder zich niet aan het toetsingskader van WI 2018/9 heeft gehouden door teveel waarde te hechten aan de antwoorden op de vragen over het bewustwordings- en acceptatieproces, volgt de rechtbank niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in de besluitvorming niet de nadruk is komen te liggen op het proces van bewustwording of zelfacceptatie.

7.3

De rechtbank is voorts ten aanzien van de gestelde gedwongen prostitutie, de verkrachting door de oom van eiseres en de daaruit volgende zwangerschap van oordeel dat verweerder dit element ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Daartoe heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres ten aanzien van haar werkzaamheden in Nigeria ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, nu eiseres heeft verklaard dat zij in de periode van 2016 tot september 2018 gedwongen in de prostitutie in Benin City heeft moeten werken, terwijl uit onderzoek naar het Facebookprofiel van eiseres is gebleken dat zij in de genoemde periode bij het bedrijf [Ltd.] Ltd te Lagos heeft gewerkt. Bovendien is eiseres op diverse foto’s in en voor het bedrijf te zien en is haar naam door het bedrijf getagged in verschillende berichten op Facebook. Deze feiten zijn bovendien tegenstrijdig met de eerder afgelegde verklaring dat eisers in Nigeria niet werkzaam is geweest. Verder is van belang dat eiseres ten aanzien van de gestelde zwangerschap en abortus geen documenten of aangifte jegens haar oom heeft overgelegd.

Hetgeen eiseres heeft betoogd ten aanzien van het gebruik van Facebook en de relevantie daarvan voor de beoordeling van het asielrelaas, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft de bevindingen uit het digitale onderzoek mogen tegenwerpen, nu deze haaks staan op de verklaringen van eiseres.

Ook hetgeen is aangevoerd omtrent de juju-eed, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft immers in het bestreden besluit reeds gemotiveerd waarom de juju-eed niet als zelfstandig element wordt beschouwd en het al dan niet geloofwaardig achten van de juju-eed het relevante element ‘gedwongen werken in de prostitutie’ – waarvan de juju-eed onderdeel uitmaakt – niets verandert aan de (on)geloofwaardigheid van dit relevante element. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting nog toegelicht dat verweerder het afleggen van de juju-eed niet expliciet ongeloofwaardig heeft geacht, maar dat betekent niet dat daaruit volgt dat het wel geloofwaardig is dat eiseres daadwerkelijk in de prostitutie heeft gewerkt.

7.4

Voor zover eiseres heeft betoogd dat haar aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, aanhef en onder c van de Vw omdat geen sprake is van misleiding door omtrent de identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder de verklaringen van eiseres niet ten onrechte tegenstrijdig en inconsequent geacht zodat verweerder de aanvraag reeds als kennelijk ongegrond heeft mogen afwijzen op grond van artikel 30, aanhef en onder e, van de Vw.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Kroon - Overdijk, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.