Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8591

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
NL19.17291
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koerdische liederen, geen politieke activiteiten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.17291


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. F. Fonville),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).


Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is M. Ermek verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1978.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij sinds 2016 problemen heeft, omdat hij op bruiloften Koerdische liederen, onder andere van [X], zong. De liedjes waren niet verboden verklaard, maar bepaalde mensen werden vastgezet omdat zij deze liederen zongen. Eiser heeft verklaard dat door de politie spionnen werden ingezet die op bruiloften video’s en foto’s maakten. Aan de hand daarvan is eiser, samen met anderen, door de politie lastig gevallen. Eiser zelf is niet opgepakt, maar zijn vrienden en zijn zwager zijn wel gearresteerd en vastgezet omdat ze Koerdische liederen zongen.

Eiser is door de angst om opgepakt te worden in 2017 naar Griekenland gevlucht. Tijdens zijn verblijf in Griekenland hoorde hij van zijn partner dat de politie eenmalig aan zijn deur was geweest. Na zeven of acht maanden heeft eiser te horen gekregen dat de situatie veilig was en is hij teruggekeerd naar Turkije.

Sinds kort is de politie weer begonnen met het aanhouden van mensen, waaronder twee vrienden van eiser. Eiser weet niet of hij wordt gezocht door de autoriteiten, dan wel de politie, maar omdat eiser vreest voor problemen heeft hij besloten om te vluchten uit Turkije.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

 identiteit, nationaliteit en herkomst;

 nevenactiviteiten van eiser als zanger;

 problemen als gevolg van de nevenactiviteiten.

De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn geloofwaardig geacht. Net als zijn nevenactiviteiten als zanger op bruiloften. Echter, de problemen als gevolg van de nevenactiviteiten zijn niet geloofwaardig geacht.

3. Eiser voert primair in beroep aan dat, nu verweerder het geloofwaardig heeft geacht dat hij Koerd is en in het openbaar Koerdische chansons ten gehore bracht, het op de weg van verweerder had gelegen om mee te werken bij het verzamelen van elementen om het asielverzoek te onderbouwen door enig onderzoek te doen naar de positie van Koerden in Turkije die in het openbaar of online gezongen Koerdische teksten ten gehore brengen.

Subsidiair stelt eiser dat de door verweerder genoemde voorwaarde voor het doen van onderzoek, namelijk dat eisers verklaringen over de repercussies die collega zangers hebben ondervonden geloofwaardig zijn, is vervuld. Verweerder heeft dus nagelaten het in deze zaak geëigende onderzoek te verrichten.

Eiser stelt dat verweerder ten onrechte zijn verklaringen als vaag, summier, bevreemding wekkend en niet nader onderbouwd heeft aangemerkt. Eiser voert in beroep aan dat hij helder en consistent heeft verklaard over het zingen op bruiloften en tijdens Newroz (Koerdisch nieuwjaar), de arrestatie van vrienden en zijn zwager, dat de politie spionnen naar bruiloften stuurt en de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Tevens heeft hij eerder in de procedure stukken overgelegd om zijn verklaringen te onderbouwen, zoals de brief van [J] van 9 juli 2019 en de beëindigde vertaling van een uittreksel van een justitieel rapport van zijn zwager.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank overweegt ten eerste dat het niet wordt betwist dat eiser zelf geen problemen heeft ondervonden vanwege het zingen van Koerdische liederen op bruiloften. De gestelde vrees van eiser is gebaseerd op de arrestaties van vrienden en zijn zwager die ook Koerdische liederen hebben gezongen. Eiser stelt dat een tweetal nog steeds vastzit. Gezien deze omstandigheden voert eiser aan dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten en vreest hij bij terugkeer gearresteerd te worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit element niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

4.2

Eiser heeft documenten overgelegd om de vrees dat hij in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat door het zingen van Koerdische liederen te onderbouwen. Uit de brief van [J] van 9 juli 2019 blijkt dat er Koerdische zangers zijn opgepakt door de Turkse autoriteiten. In de meeste gevallen is er echte sprake van het uiten van kritiek op de Turkse overheid of van deelname aan of propaganda voor een terroristische organisatie. De brief spreekt onder andere over de Koerdische zanger [Y], die is beschuldigd van het steunen van de Syrisch-Koerdische partij YPG. Ook spreekt zij over de Duits-Koerdische zangeres Saide Inac die in Turkije is veroordeeld voor deelenema aan een demonstratie van een bijeenkomst van de HDP kort voor de verkiezingen, waar zij is gefotografeerd met YPG leden. Ook spreekt de brief over zangeres Jyan die is gearresteerd omdat zij een lied zong op een bijeenkomst van de HDP. Gesteld noch gebleken is dat eiser zich naast het zingen van Koerdische liederen op bruiloften ook bezig hield met politiek verzet. Tevens is niet gebleken dat eiser zich online uitte met opruiende teksten. Nu de situatie van eiser niet te vergelijken is met die van de genoemde voorbeelden kan aan de brief niet het belang worden gehecht die eiser eraan wenst te hechten. Dit geldt ook voor de overgelegde beëindigde vertaling van een uittreksel van een justitieel rapport van zijn zwager. Verweerder heeft terecht gesteld dat dit opruiende teksten zijn die met verzet kunnen worden geassocieerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gelijksoortige liederen zong op bruiloften. Als eiser met zijn vergelijking met de zanger [X] probeerde te stellen dat hij wel degelijk politieke nummers zong op bruiloften heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat dit verband te indirect is en dat de teksten in de overgelegde vertaling veel geprononceerder zijn dan de teksten van [X].

Ook eisers beroep op het “Thematisch Ambtsbericht Turkije: Dienstplicht” van juli 2019 is onvoldoende en te specifiek om een algemene vrees voor vervolging te rechtvaardigen, aangezien dit ziet op Koerdische uitingen in het Turkse leger en hier in onderhavig geval geen sprake van is.

4.3

Ten aanzien van de arrestaties van vrienden en de zwager van eiser zijn er geen documenten overgelegd waaruit blijkt wat de beschuldigingen precies inhouden en of dat ze zijn veroordeeld. Nu deze stukken niet zijn overgelegd kan niet worden vastgesteld of de vrienden en de zwager van eiser, behalve voor het zingen van Koerdische liederen, nog voor andere zaken zijn beschuldigd en of de omstandigheden van het zingen nog een rol zou hebben gespeeld. Gezien de genoemde brief van 9 juli 2019 is het belangrijk dat eiser meer kan vertellen over de beschuldigingen tegen zijn vrienden en zwager, maar eiser is hierin niet geslaagd. Zo heeft eiser desgevraagd niet kunnen verklaren wat de officiële tenlastelegging is. De door eiser in beroep aangevoerde grond dat dit van hem niet kan worden verlangd aangezien hij alleen de lagere school heeft gevolgd doet hier niet aan af, omdat verweerder niet verwacht dat eiser exacte juridische kwalificaties uit zijn hoofd leert. Verweerder heeft echter niet ten onrechte gesteld dat het niet aannemelijk is dat, aangezien eiser vreest voor eenzelfde vervolging, hij niet precies weet waarvoor zijn vrienden worden vervolgd en daar geen navraag naar heeft gedaan of dat het geen onderwerp van discussie is geweest. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet kan worden ingezien dat eiser in dermate vreest voor zijn veiligheid in Turkije, maar niet het fijne weet over de identieke problemen waar zijn vrienden en zijn zwager mee te maken hebben gehad.

4.4

Verweerder stelt niet ten onrechte dat de gestelde vrees van eiser is gebaseerd op veronderstellingen. Zo zou de Turkse politie volgens eiser zijn visitekaartje hebben, waarmee ze hem kunnen opsporen en arresteren. Waar eiser dit op baseert wordt niet onderbouwd. De enkele stelling dat de politie spionnen heeft gestuurd naar bruiloften en visitekaartjes heeft ingenomen van muziekgroepen om deze muzikanten later aan de hand van de visitekaartjes op te pakken, is hiervoor onvoldoende. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat de verklaring van eiser dat hij dit heeft vernomen van een vriend niet als voldoende kan worden beschouwd. Over deze vriend kan eiser namelijk niets vertellen, zelfs niet zijn achternaam. Ook de reden waarom de politie visitekaartjes gebruikt, en geen gebruik maakt van informatie van het internet, kan eiser niet verklaren. Dat hij in beroep aanvoert dat hij niet heeft gesteld dat de politie niet (ook) informatie van het internet haalt, doet daar niet aan af. Eiser heeft, naar het oordeel van de rechtbank, met zijn verklaringen de gestelde vrees niet aannemelijk gemaakt.

4.5

Eiser is in 2017 naar Griekenland is gereisd, volgens hem omdat hij destijds ook in de negatieve aandacht zou staan van de Turkse autoriteiten. Echter, eiser is in 2017 legaal Turkije uitgereisd. Nadat hij in 2018 te horen kreeg dat het weer veilig was in Turkije is eiser weer ingereisd, waarna hij in juni 2019 uit voorzorg weer is uitgereisd. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat, aangezien eiser meerdere malen probleemloos en legaal Turkije in en uit heeft kunnen reizen, dit de gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Vooral nu ten tijde van zijn uitreis de autoriteiten, volgens eiser, actief mensen oppakte. Eiser heeft tevens verklaard dat hij bij zijn weten niet wordt gezocht, maar dat dit evengoed wel het geval zou kunnen zijn. Daarnaast heeft eiser verklaard dat tijdens zijn verblijf in Griekenland hij van zijn partner hoorde dat de politie eenmalig aan de deur was geweest. Nu dit informatie betreft die verkregen is van een derde kan er niet de waarde aan worden gehecht die eiser eraan wenst te hechten, aangezien het geen objectief verifieerbare bron is. Daarnaast heeft eiser desgevraagd niet kunnen vertellen wanneer de politie langs zou zijn gekomen en zou de politie wel hebben gevraagd naar eiser, maar niet hebben verklaard waarom zij langskwamen. Volgens eiser blijkt hieruit dat de geheime dienst langskwam in verband met staatsveiligheid. Verweerder heeft dit niet ten onrechte niet gevolgd, aangezien eiser dit niet heeft onderbouwd.

4.6

Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat het in beginsel aan eiser zelf is om zijn asielrelaas zo goed mogelijk naar voren te brengen en aannemelijk te maken. Nu verweerder de gestelde problemen van eiser naar aanleiding van het zingen van Koerdische liederen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, had verweerder geen inspanningen hoeven verrichten om elementen te verzamelen die het asielrelaas van eiser zouden kunnen onderbouwen. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000.

5. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier, op 15 augustus 2019.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.