Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:859

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
18/3569
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring – Unierechtelijk openbare ordecriterium – 1F

67, eerste lid aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000

MK - Ongewenstverklaring - 1F’er - Werkzaamheden verricht voor de Sepah - Unierechtelijk openbare ordebeginsel - toepassing Arrest EHvJ 2 mei 2018 - Vw heeft in nadere motivering voldoende gemotiveerd dat eisers persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt – Verweerder heeft terecht gewicht toegekend aan de ernst van de misdrijven, het relatief geringe tijdsverloop, het gedrag van eiser nadien en het in strijd met het inreisverbod inreizen van Nederland - beroep gegrond en rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/3569

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G. van Reemst),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek).

Procesverloop

In het besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het inreisverbod dat bij besluit van 28 januari 2013 aan eiser was uitgevaardigd opgeheven en eiser ongewenst verklaard.

In het besluit van 18 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In de brief van 27 september 2018 heeft verweerder het bestreden besluit nader gemotiveerd. Op 4 oktober 2018 heeft eiser gereageerd op de brief van verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Eiser en zijn gemachtigde waren aanwezig op de zitting. De gemachtigde van verweerder is ook op de zitting verschenen.

Overwegingen

1.1

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiser heeft op 24 februari 2011 een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 28 januari 2013 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen en tegen hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd. Vanwege de vroegere werkzaamheden van eiser voor de Sepah-a-Pasdaran (Sepah) in Iran is hij op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Daarom is zijn asielaanvraag afgewezen en is tegen hem het inreisverbod uitgevaardigd. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank ongegrond verklaard. In het kader van het tegen deze uitspraak ingesteld hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.1 Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

1.2

Het besluit waar het in deze procedure om gaat is de ongewenstverklaring van eiser. Het inreisverbod is ingetrokken. Waar het eiser in deze procedure om gaat is dat hij niet ongewenst verklaard had mogen worden. Hij stelt dat verweerder om dat te mogen doen een nieuwe beoordeling had moeten maken van zijn persoonlijk gedrag. Verweerder had volgens eiser, in de motivering dat hij een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de eerdere uitspraak van de rechtbank. Eiser wijst op het arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 2 mei 2018 (C-331/16 en C-366/16) waarin staat hoe ten aanzien van een vreemdeling op wie 1F van het vluchtelingenverdrag van toepassing is verklaard gemotiveerd moet worden dat hij een ernstige en actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Eiser stelt dat hij geen bedreiging voor de openbare orde vormt.

Aanleiding en onderbouwing besluit tot ongewenstverklaring

2. Op12 november 2017 is eiser op Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Verweerder heeft daarbij gesignaleerd dat eiser in het bezit is van een door de Belgische autoriteiten afgegeven F-kaart (verblijfskaart familielid van een burger van de Unie) geldig van 18 september 2017 tot en met 18 september 2022.Volgens verweerder is eiser door zijn huwelijk met zijn Nederlandse vrouw gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw mag er daarom geen inreisverbod tegen hem worden uitgevaardigd.

Verweerder heeft eiser vervolgens in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard omdat eiser buiten de Nederlandse rechtsmacht een ernstig misdrijf heeft begaan (artikel 67, eerste lid aanhef en onder e, van de Vw). Op grond van paragraaf A4/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is dat het geval bij een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is afgewezen.

In de brief van 27 september 2018 en ter zitting heeft verweerder het bestreden besluit nader gemotiveerd. Verweerder heeft gesteld dat in het bestreden besluit toepassing is gegeven aan het Unierecht. Volgens verweerder wordt eiser door de ongewenstverklaring beperkt in zijn recht op vrij verkeer zoals neergelegd in Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Richtlijn 2004/38/EG). Verweerder erkent dat, gelet op het arrest van het Hof van 2 mei 2018 (C-331/16 en C-366/16), een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. Verweerder erkent aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium te moeten toetsen. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat eiser terecht ongewenst is verklaard, een aanvullende motivering gegeven en de rechtbank verzocht om deze motivering bij de beoordeling te betrekken en zo mogelijk de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Gebrek in het bestreden besluit

3. Verweerder kan een gemeenschapsonderdaan ongewenst verklaren, maar dient daartoe ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) te beoordelen of zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.2 Uit verweerders beleid volgt echter dat verweerder zich op het standpunt stelt dat bij een 1F tegenwerping hiervan per definitie sprake is. Door het toetsingskader dat het Hof in het arrest van 2 mei 2018 geeft, is dit beleid niet langer adequaat. Ook in het geval van een 1F tegenwerping moet een individuele beoordeling plaatsvinden van het persoonlijk gedrag en de bedreiging die dat vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft ten onrechte het beoordelingskader als neergelegd in het arrest van het Hof van 2 mei 2018 niet in het bestreden besluit betrokken. Verweerder heeft dat beoordelingskader alsnog in de aanvullende motivering toegepast.
De rechtbank constateert dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft en in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. De beroepsgrond van eiser hierover slaagt. De rechtbank passeert dit gebrek niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld.3 De rechtbank heeft verweerder voorafgaand aan de zitting gevraagd om opheldering over verweerders motivering en over de vraag of verweerder nu het Unierechtelijk of het nationaal rechtelijk openbare orde-criterium had bedoeld te hanteren. Daarop heeft verweerder in een aanvullende motivering aan de hand van het kader van het arrest van 2 mei 2018 beoordeeld of het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Gelet op deze omstandigheden kan er niet van uit worden gegaan dat eiser door het gebrek niet is benadeeld, ook al zijn de wederzijdse standpunten alsnog ter zitting gewisseld. Omdat de beroepsgrond slaagt en de rechtbank het gebrek niet passeert, is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank onderzoekt of er mogelijkheden zijn tot finalisering.

Het toetsingskader dat volgt uit het arrest van het Hof van 2 mei 2018

4. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest van 2 mei 2018 heeft geoordeeld dat de bevoegde autoriteiten niet automatisch op grond van de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag mogen bepalen dat enkel de aanwezigheid van de vreemdeling in de lidstaat, ongeacht of er gevaar voor recidive bestaat, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, die de vaststelling van maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid kan rechtvaardigen.

Het bestaan van zo’n bedreiging moet volgens het Hof worden vastgesteld op basis van een beoordeling van het persoonlijke gedrag van de vreemdeling. Daarbij moet rekening worden gehouden met de vaststellingen in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus. In het bijzonder de aard en de ernst van de aan de vreemdeling verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen, het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid en het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. Bij die beoordeling moet ook in aanmerking worden genomen hoeveel tijd verstreken is sinds het vermoedelijk plegen van de misdrijven of handelingen en hoe de vreemdeling zich daarna heeft gedragen. Dit is met name van belang om te beoordelen of nog altijd een fundamenteel belang van de samenleving op het spel staat.

Volgens het Hof moetende bevoegde instanties overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel de bescherming van het betrokken fundamentele belang van de samenleving afwegen tegen de belangen van de vreemdeling.

5. De rechtbank overweegt dat in punt 66 van het arrest van het Hof van 2 mei 2018 staat dat de bevoegde instanties van het gastland bij de beoordeling of de vreemdelingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, rekening dient te houden met de vaststellingen in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten. Anders dan eiser heeft betoogd, hoeft verweerder hoeft dus niet de aard en ernst van de misdrijven en gedragingen, de mate van (persoonlijke) betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafrechtelijke uitsluitingsgronden opnieuw te beoordelen. Verweerder moet bij dit onderdeel van de beoordeling uitgaan van het (in rechte vaststaande) besluit waarbij artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is verklaard op eiser.

Vormt eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging?

6.1

De rechtbank beoordeelt hieronder of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank betrekt daarbij wat eiser hierover in de gronden van beroep en tijdens de zitting naar voren heeft gebracht.

Aard en ernst misdrijven en gedragingen

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan misdrijven die vallen onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft daarvoor van belang geacht dat eiser als 1F-er is aangemerkt vanwege zijn werkzaamheden bij de Sepah in de periode van 2008 tot juni 2009. Uit eisers eigen verklaringen blijkt dat hij gevangenen heeft opgelapt na martelingen, dat hij meermalen heeft gezien hoe gevangenen werden behandeld en dat hij gedetineerden van hun cel naar de martelkamers bracht. Dit zijn ernstige faciliterende gedragingen bij ernstige misdrijven. Over eisers betoog in beroep dat in zijn voordeel moet meewegen dat hij één gevangene heeft geholpen te ontsnappen, heeft verweerder gesteld dat dit niet in verhouding staat met de aard en ernst van de werkzaamheden die eiser voor de Sepah heeft verricht. Eiser heeft in de tijd dat hij voor de Sepah werkte niets gedaan om te voorkomen dat anderen slachtoffer werden van het bewind.

Persoonlijke betrokkenheid

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser persoonlijk bij deze gedragingen en misdrijven betrokken is geweest. Anders dan eiser in beroep heeft aangevoerd, ging eisers betrokkenheid volgens verweerder verder dan het faciliteren alleen. Volgens verweerder wist eiser wat er gaande was en dat de hem verweten werkzaamheden hem konden worden opgedragen. Eiser heeft desondanks geen ontslag genomen of anderszins geprobeerd zich aan die werkzaamheden te onttrekken.

Strafrechtelijke uitsluitingsgronden en (ontbreken van) strafrechtelijke veroordeling

Verweerder heeft voorts bij zijn beoordeling betrokken dat er geen sprake is van een strafrechtelijke uitsluitingsgrond en dat een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt.

Eiser heeft aangevoerd dat het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling betekent dat hij geen bedreiging vormt voor de samenleving. Het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling betekent volgens verweerder niet dat eiser geen bedreiging vormt voor de samenleving. Verweerder heeft overwogen dat strafrechtelijke veroordelingen vaak ontbreken wanneer artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Daarbij neemt het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling volgens verweerder niet weg dat de misdrijven die eiser heeft gepleegd zeer ernstig zijn.

Tijdsverloop en gedrag nadien

Eiser heeft aangevoerd dat er al tien jaar is verstreken sinds het faciliteren van de misdrijven en dat hij om die reden niet langer een actuele bedreiging vormt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop sinds het begaan van de gedragingen niet zodanig is dat geen sprake (meer) is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging. Dat geldt volgens verweerder te meer als dat tijdsverloop wordt afgezet tegen de aard en de ernst van de gedragingen. Over het gedrag van eiser na zijn dienstverband bij de Sepah heeft verweerder gezegd dat eiser nog steeds zijn werkzaamheden bij de Sepah en de ernst daarvan bagatelliseert. Eiser stelt wederom en ook op de zitting dat hij slechts 10 dagen in het huis van bewaring heeft gewerkt, terwijl dat ongeloofwaardig is bevonden. Met het besluit waarin artikel 1F van toepassing is verklaard, is in rechte vast komen te staan dat eiser daar van 2008 tot en met juni 2009 als gevangenbewaarder heeft gewerkt. Verweerder heeft in dit verband voorts ook van belang geacht dat eiser – wetende dat hem een inreisverbod was opgelegd en artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen – meermaals terug naar Nederland is gereisd.

6.2

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft terecht gewicht toegekend aan de ernst van de misdrijven, het relatief geringe tijdsverloop, het gedrag van eiser nadien en het in strijd met het inreisverbod inreizen van Nederland.

7. Eiser heeft aangevoerd dat de ongewenstverklaring onevenredig is omdat hij beperkt wordt in de uitoefening van zijn vrij verkeer en verblijf als familielid van een burger van de Unie en zijn recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Eiser heeft aangevoerd dat hij in [woonplaats] (België) woont, maar dat zijn dagelijks leven zich voor het grootste deel afspeelt in Nederland. Zijn vrouw en dochter hebben de Nederlandse nationaliteit, zijn vrouw werkt in [plaatsnaam] en zijn dochter gaat naar zwemles in [plaatsnaam] . Familie en vrienden wonen in Nederland en eiser doet in Nederland boodschappen. Verder willen eiser en zijn vrouw in Nederland een eigen bedrijf beginnen. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het fundamentele belang van de Nederlandse samenleving in dit geval zwaarder weegt dan eisers belang om in Nederland te mogen zijn.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft overwogen dat de fundamentele belangen van Nederland liggen in redenen van openbare orde ter bescherming van de fundamentele waarden van de samenleving en de internationale betrekkingen, het behoud van de sociale samenhang, het publieke vertrouwen in de rechtsbedelings- en immigratiesysteem en de geloofwaardigheid van de inzet van Nederland voor de bescherming van de fundamentele waarden in de artikelen 2 en 3 van het VEU. Verweerder heeft terecht overwogen dat misdrijven en gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag moeten worden beschouwd als een ernstige aantasting van de in deze artikelen genoemde fundamentele waarden. In dit kader heeft verweerder van belang mogen achten dat moet worden voorkomen dat eiser, door zijn verblijf in Nederland, in contact kan komen met eventueel in Nederland verblijvende slachtoffers van de verweten gedragingen.

Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat het gezinsleven van eiser feitelijk niet wordt belemmerd doordat hij op Nederlands grondgebied ongewenst is verklaard, nu hij met zijn gezin in België woont. Voor wat betreft het familie- en privéleven van eiser heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat er belemmeringen zijn om dat in België uit te oefenen. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet gebleken is dat eisers familie in Nederland zich niet naar België kan begeven. Evenmin is gebleken dat het onmogelijk is om in België een bedrijf te starten, boodschappen te doen en zijn kind naar school te laten gaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het fundamentele belang van de Nederlandse samenleving in dit geval zwaarder heeft kunnen laten wegen dan eisers belang om zich naar Nederland te begeven en in Nederland te verblijven.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgrond dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door eiser geen gelegenheid te bieden een zienswijze naar voren te brengen ter zitting heeft ingetrokken. Deze beroepsgrond hoeft om die reden niet meer te worden besproken.

10. Zoals in overweging 3 al geoordeeld, is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek en strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank oordeelt dat verweerder, gezien het verweerschrift en de toelichting ter zitting, de ongewenstverklaring alsnog voldoende dragend heeft gemotiveerd. Gelet hierop laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen en dat de ongewenstverklaring in stand blijft. Eiser krijgt inhoudelijk dus geen gelijk.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- met wegingsfactor 1).

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, voorzitter, en mr. M. Ramsaroep en mr. M. den Heijer, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 september 2013 (AWB 13/2977) en uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 mei 2016 (201309221/1/V3).

2 Zie de uitspraak van de ABRvS van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:797).

3 Zie de uitspraak van de ABRvS van 28 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:694).