Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8581

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
19/2013
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de vreemdeling (geen gemeenschapsonderdaan) is het bevel gegeven tot onmiddellijke vertrek naar Italië omdat hij verdacht wordt van een misdrijf en daardoor een gevaar oplevert voor de openbare orde. Voor de vraag of als gevolg van deze verdenking inderdaad sprake is van een gevaar voor de openbare orde waardoor het rechtmatige verblijf van de vreemdeling in Nederland in de vrije termijn is beëindigd, hoeft niet de ‘zware’ Unierechtelijke uitleg van het criterium ‘gevaar voor de openbare orde’ te worden gevolgd. De verdenking van het plegen van een misdrijf is daarom in beginsel voldoende. Die verdenking moet echter wel voldoende worden gemotiveerd. Het enkele feit dat de vreemdeling als verdachte is aangehouden, is daarvoor onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/2013

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nr.]

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser opgedragen zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Italië.

Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer AWB 19/1137).

Bij besluit van 14 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening dat is gedaan hangende het bezwaar wordt, gelet op artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, plaatsgevonden op 9 juli 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende niet betwiste feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Albanese nationaliteit. Eiser is in het bezit van een door Italië afgegeven verblijfsvergunning en verbleef in Nederland gedurende de vrije termijn als bedoeld in artikel 12 van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000). Eiser is geen gemeenschapsonderdaan.

1.2.

Op 5 februari 2019 is eiser door de politie aangehouden op verdenking van een misdrijf, te weten overtreding van artikel 3 sub B van de Opiumwet. Diezelfde dag is eiser door de politie gehoord over het voorgenomen bevel om onmiddellijk naar Italië terug te keren. Tijdens dat gehoor is eiser geïnformeerd over het niet (meer) rechtmatige verblijf in Nederland als gevolg van de verdenking. Vervolgens heeft de hoofdagent van de politie namens verweerder het primaire besluit genomen en dit uitgereikt aan eiser. Het primaire besluit is een bevel, als bedoeld in artikel 62a, derde lid, eerste volzin, van de Vw 2000, aan eiser om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van in dit geval Italië.

2. Verweerder heeft het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd en daarbij (onder meer) het volgende overwogen. Het rechtmatige verblijf van eiser in de vrije termijn is van rechtswege vervallen omdat eiser zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van artikel 12 van de Vw 2000, meer in het bijzonder de voorwaarde dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde. Ten aanzien van niet-gemeenschapsonderdanen is van een dergelijk gevaar al sprake als de vreemdeling in de vrije termijn een strafbaar feit heeft begaan of als er concrete aanwijzingen zijn om hem hiervan te verdenken, aldus verweerder. Nu eiser is aangehouden als verdachte van een misdrijf op grond van de Opiumwet is volgens verweerder het bestreden besluit op juiste gronden genomen.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert hiertoe de volgende gronden aan: (1) verweerder heeft de hoorplicht geschonden omdat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar; (2) verweerder heeft bij het ‘gehoor bij bevel onmiddellijk vertrek’ ten onrechte geen gebruik gemaakt van een registertolk en heeft niet gemotiveerd waarom een niet-registertolk is ingezet; (3) eiser is niet op een deugdelijke wijze in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken en (4) het bevel is onvoldoende gemotiveerd, nu een enkele verdenking van een strafbaar feit niet maakt dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

De beroepsgrond tegen het inreisverbod van zes maanden is ter zitting ingetrokken nu in het verweerschrift van verweerder is aangegeven dat aan eiser weliswaar mondeling is medegedeeld dat hij voor de duur van zes maanden zal worden gesignaleerd, maar dat dit geen onderdeel uitmaakt van het primaire of het bestreden besluit.

Procesbelang

4. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser een procesbelang heeft bij zijn beroep. Er is sprake van voldoende procesbelang als de indiener van het beroep daarbij een actueel en reëel belang heeft, dat wil zeggen dat het resultaat dat die indiener met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het procesbelang ontbreekt voor zover eiser niet meer in Nederland verblijft. Reeds omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat eiser niet meer in Nederland verblijft, kan echter niet worden geconcludeerd dat er om die reden geen sprake is van een procesbelang. Bovendien kan eiser met zijn beroep bereiken dat de rechtsgevolgen van het bevel om zich onmiddellijk naar Italië te begeven, ongedaan worden gemaakt, zodat hij het recht om tijdens de vrije termijn in Nederland te verblijven weer zou kunnen uitoefenen. Dat eiser ten aanzien van zijn belang om in Nederland te kunnen verblijven niet meer heeft aangevoerd dan dat hij hier alle belang bij heeft, doet aan het voorgaande niet af. Daarnaast ontleent eiser een procesbelang aan zijn verzoek tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
18 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH3240).

5. De rechtbank oordeelt gelet op het voorgaande dat eiser een procesbelang heeft en zal daarom hierna de door eiser aangevoerde beroepsgronden behandelen. Daarbij zal de rechtbank eerst ingaan op de beroepsgrond die betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit (namelijk de motivering van het besluit in relatie tot het criterium ‘gevaar voor de openbare orde’) en daarna op de beroepsgronden die zien op procedurele aspecten rondom het bestreden besluit.

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; de Terugkeerrichtlijn) is deze richtlijn van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.

Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven.

Artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met het derde lid van dit artikel.

Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000 dient de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten.

Op grond van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, stelt Onze Minister de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen aan die verplichting moet worden voldaan, tenzij de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat een vreemdeling die in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijk vertrek van de vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

In artikel 8 van de Vw 2000 is limitatief opgesomd in welke gevallen een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft. In dit geval is sub i van dit artikel van toepassing. Op grond van dit sub i heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan.

De vrije termijn is de termijn waarbinnen een vreemdeling in Nederland mag verblijven zonder dat een daarvoor een verblijfsvergunning benodigd is. De duur van de vrije termijn is geregeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (het Vb 2000)

Op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is het aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen (zoals geregeld in Verordening (EU) nr. 2016/399, PB 2016 L 77, de Schengengrenscode), gedurende de vrije termijn toegestaan in Nederland te verblijven zolang hij geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

Op grond van artikel 3.2 van het Vb 2000 is voor de toepassing van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, artikel 2.9 van het Vb 2000 van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 2.9 van het Vb 2000 wordt toegang tot Nederland in ieder geval geweigerd op grond van het feit dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid, indien:

a. er ten aanzien van de vreemdeling concrete aanwijzingen zijn dat deze een inbreuk op de openbare orde of nationale veiligheid heeft gepleegd of zal plegen, of

b. de vreemdeling in het opsporingsregister of het Schengen Informatiesysteem ter fine van weigering staat gesignaleerd.

7. Paragraaf A3/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (de Vc 2000) bevat de beleidsregels van verweerder over de toepassing van 62, tweede lid, van de Vw 2000. In dat artikel dat, voor zover hier van belang, ziet op de vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt gevaar voor de openbare orde genoemd als criterium voor verkorting van de termijn om Nederland uit eigen beweging te verlaten of voor het bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten. In deze beleidsregels is aangegeven dat, naast de in paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000 genoemde redenen, de vreemdeling ook kan worden aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde als sprake is van de verdenking van het plegen van een misdrijf. In dat geval wordt informatie ingewonnen over de gegrondheid van de verdenking waarbij in ieder geval wordt betrokken de vraag of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.

Gevaar voor openbare orde

8. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een gevaar voor de openbare orde oplevert als bedoeld in artikel 12, eerste lid onder d, van de Vw 2000. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe dit criterium moet worden uitgelegd.

Volgens eiser berust het bestreden besluit op de grondslagen van de Terugkeerrichtlijn en niet van de Schengengrenscode. Voor het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ moet volgens eiser dan ook aansluiting worden gezocht bij de uitleg die in de jurisprudentie over de uitleg van de Terugkeerrichtlijn aan dat begrip is gegeven. Dat betekent naar de mening van eiser dat verweerder moet toelichten dat van eiser een daadwerkelijke en actuele bedreiging uitgaat. Een enkele verdenking is daarvoor volgens eiser onvoldoende. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 augustus 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:8047).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijke openbare orde-criterium niet aan de orde is en dat de aanhouding van eiser als verdachte een concrete aanwijzing is dat eiser een inbreuk op de openbare orde of nationale veiligheid heeft gepleegd of zal plegen en dus voldoende is om de vrije termijn te doen eindigen. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AS4589).

9. De rechtbank overweegt dat het criterium ‘gevaar voor de openbare orde’ (of ‘inbreuk op de openbare orde’) volgens het Unierecht in beginsel moet worden uitgelegd als een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit blijkt onder meer uit het arrest Z.Zh en I.O. van het Hof van Justitie van 11 juni 2015 (ECLI:EU:C:2015:377). Volgens de Unierechtelijke uitleg kan het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, op zich geen rechtvaardiging vormen voor het beschouwen van deze derdelander als een gevaar voor de openbare orde. Deze uitleg van het ‘openbare orde-criterium’ stelt zwaardere eisen aan de motivering dan de uitleg die in het nationale recht aan dit criterium wordt gegeven. De uitleg in het nationale recht blijkt bijvoorbeeld uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 1 december 2004. Volgens de uitleg in het nationale recht kan een verdenking van het plegen van een misdrijf wel al voldoende zijn voor het oordeel dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

10. De rechtbank overweegt vervolgens dat met onder andere artikel 62a van de Vw 2000 weliswaar de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd, maar dat dit niet per definitie betekent dat in dit geval de ‘zware’ Unierechtelijke uitleg van het openbare orde-criterium van toepassing is. Het gaat in deze zaak immers om de vraag of sprake is van rechtmatig verblijf in de vrije termijn en die vraag moet worden beantwoord op basis van het bepaalde in de artikel 12, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 2.9 van het Vb 2000.

De rechtbank constateert dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van het begrip ‘bedreiging van de openbare orde’ in artikel 6, eerste lid onder e, van de Schengengrenscode, dat gaat over de toegangsvoorwaarden voor een voorgenomen verblijf in de vrije termijn (verwijzingsuitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1737). De gevraagde prejudiciële beslissing ziet kort gezegd op de vraag of dat begrip in het kader van de Schengengrenscode moet worden uitgelegd volgens de hiervoor genoemde Unierechtelijke uitleg en op de vraag of genoemd artikel van de Schengengrenscode zich verzet tegen een nationale praktijk waarin een bedreiging van de openbare orde wordt aangenomen op grond van het enkele feit dat de vreemdeling wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit.

De Afdeling heeft in deze uitspraak een voorlopig oordeel geformuleerd dat, samengevat weergegeven, ervan uitgaat dat het eindigen van het verblijf in de vrije termijn een minder ingrijpende maatregel is dan bepaalde andere maatregelen die gebaseerd zijn op Unierechtelijke bepalingen die verband houden met het begrip ‘openbare orde’. De staatssecretaris heeft volgens dit voorlopige oordeel een ruime beoordelingsmarge bij de vaststelling dat het verblijf in de vrije termijn is geëindigd, wat ertoe leidt dat met een beperkte motivering van ‘gevaar voor de openbare orde’ kan worden volstaan. Als vaststaat dat een vreemdeling wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, is aan die motiveringsplicht voldaan, aldus het voorlopige oordeel van de Afdeling.

De rechtbank stelt vast dat de prejudiciële vragen van de Afdeling nog niet zijn beantwoord, maar dat advocaat-generaal Pitruzzella op 11 juli 2019 wel al een conclusie heeft uitgebracht (ECLI:EU:C:2019:609). Daarin geeft hij het Hof in overweging de door de Afdeling gestelde vragen in die zin beantwoorden dat artikel 6, eerste lid onder e van de Schengengrenscode zo moet worden uitgelegd dat, om het illegale karakter van het verblijf van een onderdaan van een derde land vast te stellen, de nationale autoriteiten, die over een ruime beoordelingsmarge beschikken, niet verplicht zijn hun besluit te baseren op de persoonlijke gedragingen van die onderdaan die een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moeten vormen. Een bedreiging voor de openbare orde kan in beginsel voortvloeien uit het loutere bestaan van een ernstige verdenking dat de betrokken onderdaan van een derde land een strafbaar feit heeft gepleegd. Bij de uitoefening van hun ruime beoordelingsmarge dienen de nationale autoriteiten hun besluit evenwel op specifieke feiten te baseren en het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen, aldus de conclusie van de advocaat-generaal.

11. Gelet op het voorlopige oordeel van de Afdeling en op de conclusie van de advocaat-generaal, ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten om een uitspraak te doen in de onderhavige zaak. De rechtbank zal deze zaak dan ook niet ambtshalve aanhouden in afwachting van de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen.

12. Op grond van hetgeen hiervoor onder 10 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de ‘zware’ Unierechtelijke uitleg van het openbare orde-criterium niet van toepassing is op de beëindiging van rechtswege van het rechtmatige verblijf in de vrije termijn en dus ook niet op het bevel tot onmiddellijk vertrek in deze zaak. Dat betekent dat voor de uitleg van het begrip ‘gevaar voor openbare orde’ naar het oordeel van de rechtbank aansluiting kan worden gezocht bij de uitleg die is gegeven in de hiervoor al genoemde uitspraak van de Afdeling van 1 december 2004. Daarvoor is voldoende dat er concrete aanwijzingen zijn dat eiser een inbreuk op de openbare orde heeft gemaakt.

13. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verweerder het bestreden besluit in het licht van het voorgaande voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Weliswaar kan een verdenking van het plegen van een misdrijf hiervoor voldoende zijn, maar dat neemt niet weg dat voor de motivering niet kan worden volstaan met de, overigens pas in het bestreden besluit opgenomen, opmerking dat eiser als verdachte van overtreding van de Opiumwet is aangehouden in een woning waar een hennepkwekerij is aangetroffen. Het redelijke vermoeden van schuld, zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, moet naar het oordeel van de rechtbank op basis van de concrete omstandigheden van het geval en aanwijzingen voor de betrokkenheid van de verdachte nader worden gemotiveerd om te kunnen spreken van een concrete aanwijzing dat eiser een gevaar voor de openbare orde oplevert of een inbreuk op de openbare orde pleegt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de omstandigheden waaronder eiser ter plaatse aanwezig was en (het ontbreken van) zijn verklaring voor zijn aanwezigheid aldaar. Met dit motiveringsvereiste wordt voorkomen dat aan een vreemdeling die door zijn enkele aanwezigheid op een bepaalde plaats als verdachte wordt aangehouden, zonder meer een bevel tot onmiddellijk vertrek kan worden uitgevaardigd.

De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de beleidsregels van verweerder zoals opgenomen in paragraaf A3/3 van de Vc 2000. Weliswaar zien deze beleidsregels op een terugkeerbesluit, dat hier niet aan de orde is, maar de rechtbank acht een verwijzing wel op zijn plaats omdat deze beleidsregels ook betrekking hebben op de vraag wanneer een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten. In deze beleidsregels wordt aangegeven dat als sprake is van de verdenking van het plegen van een misdrijf, informatie wordt ingewonnen over de gegrondheid van die verdenking. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder ook volgens zijn eigen beleidsregels gehouden is in de motivering van een besluit inhoudende een verplichting tot onmiddellijk vertrek, meer te stellen dan een enkele verdenking en dat verweerder er blijk van moet geven dat de gegrondheid van de verdenking nader is onderzocht.

14. Nu het primaire besluit in het geheel geen motivering bevat en in het bestreden besluit slechts is volstaan met de mededeling dat eiser als verdachte is aangehouden, zoals hiervoor omschreven, is het bestreden besluit niet voorbereid met de daarvoor vereiste zorgvuldigheid en berust dit niet op een deugdelijke motivering.

Tussenconclusie

15. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd wat betreft de beëindiging van het rechtmatige verblijf in de vrije termijn omdat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het gebrek is naar het oordeel van de rechtbank te zwaarwegend om dit te passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb.

16. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ondanks het gebrek in de motivering, in stand kunnen worden gelaten op basis van artikel 8:72, derde lid onder a, van de Awb. Verweerder heeft immers in zijn verweerschrift van 5 juli 2019 de betrokkenheid van eiser bij de aangetroffen hennepkwekerij nader onderbouwd. Dit heeft verweerder gedaan door onder andere te verwijzen naar de veroordeling van eiser bij de uitspraak van de politierechter van 24 april 2019 (parketnummer 03-029071-19). Deze veroordeling vormt naar het oordeel van de rechtbank, oordelend op basis van de huidige feiten en omstandigheden, een voldoende concrete aanwijzing dat eiser op het moment van zijn aanhouding op 5 februari 2019 een inbreuk op de openbare orde heeft gemaakt.

17. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op basis waarvan had moeten worden afgezien van het bevel tot onmiddellijk vertrek. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van dergelijke omstandigheden.

Verder ziet de rechtbank niet in dat eiser meer gebaat is bij een vernietiging van het bestreden besluit waarna eiser een nieuw besluit moet nemen, dan bij het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. In dit verband overweegt de rechtbank dat de stelling van eiser, met een beroep op het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320), dat het verweerder niet vrij staat om de gronden waarop het (primaire) besluit berust, op een later moment aan te vullen, naar het oordeel van de rechtbank niet kan slagen. Het Mahdi-arrest ziet immers op een andere situatie dan hier aan de orde, namelijk op vreemdelingenbewaring, waar zwaardere waarborgen gelden dan bij een bevel tot onmiddellijk vertrek vanwege de beëindiging van rechtswege van het rechtmatige verblijf in de vrije termijn. Deze stelling leidt er dan ook niet toe dat de rechtbank geen gebruik kan maken van de hem toekomende bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

18. Nu hangende beroep de vereiste motivering alsnog is gegeven, oordeelt de rechtbank dat op basis daarvan de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, tenzij op basis van de overige beroepsgronden anders moet worden geoordeeld. Deze beroepsgronden zal de rechtbank hierna behandelen.

Gebruik niet-registertolk bij gehoor bij bevel onmiddellijk vertrek

19. Eiser stelt dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 28 van Wet beëdigde tolken en vertalers (de Wbtv) heeft gehandeld door geen gebruik te maken van een registertolk in de Italiaanse taal. Verweerder heeft volgens eiser in het primaire besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken ten onrechte niet aangegeven waarom een niet-registertolk is ingezet. Weliswaar heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat de politie in spoedzaken bevoegd is om gebruik te maken van niet-registertolken, maar een dergelijke spoedsituatie doet zich volgens eiser hier niet voor, nu in het bestreden besluit is aangegeven dat het bevel eerst op 8 februari 2019 (drie dagen na het gehoor) is uitgevaardigd.

20. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv maken onder andere de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de politie uitsluitend gebruik van beëdigde tolken.

Op grond van het derde lid van dit artikel kan, voor hier van belang, in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een niet-beëdigde tolk indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is.

Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt een afwijking van het eerste lid met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.

21. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395) stelt artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering van het tijdens het gehoor gebruik maken van een niet-beëdigde tolk in plaats van een beëdigde registertolk, geen andere eis dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking is op zichzelf geen deugdelijke motivering. Verweerder moet dan toelichten waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was, zodat de rechtbank kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde van vereiste spoed.

22. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat als er geen registertolk beschikbaar is, de politie bevoegd is om in spoedzaken gebruik te maken van een politietolk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee niet heeft voldaan aan de motiveringseis die de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak heeft gesteld. De beroepsgrond slaagt dus in zoverre dat de inzet van een niet-registertolk onvoldoende is gemotiveerd.

23. In zijn verweerschrift heeft verweerder nader aangegeven dat eiser in verzekering was gesteld en dat de duur van die inverzekeringstelling in het belang van eiser zo kort mogelijk is gehouden. Daarom zijn zodra redelijkerwijs mogelijk alle onderzoeken verricht, waaronder ook het onderzoek met betrekking tot de verblijfsrechtelijke aspecten. Naar het oordeel van de rechtbank is de vereiste spoed daarmee alsnog voldoende aangetoond. De rechtbank overweegt verder dat niet gebleken is dat eiser door de inzet van een niet-beëdigde tolk in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft gelet op het voorgaande dan ook kunnen volstaan met de inzet van een niet-registertolk. De beroepsgrond dat ten onrechte een niet-registertolk is ingezet, slaagt dus niet.

24. Nu in beroep de vereiste motivering alsnog is gegeven en niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, staat het gebrek in de motivering van het bestreden besluit niet in de weg aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van dat besluit.

Gelegenheid tot indienen zienswijze voorafgaand aan primair besluit

25. Eiser stelt dat hij niet op een deugdelijke wijze zijn zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. In tegenstelling tot hetgeen in het bestreden besluit staat vermeld, is eiser tijdens het gehoor van 5 februari 2019 niet bijgestaan door een advocaat. Dat is alleen tijdens het strafrechtelijke verhoor het geval geweest, aldus eiser. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt niet dat eiser is medegedeeld dat hij bijzondere omstandigheden kon aanvoeren, die aanleiding kunnen vormen om af te zien van het uitvaardigen van het bevel tot onmiddellijk vertrek. Eiser is bovendien van mening dat het proces-verbaal geen waarheidsgetrouwe weergave is van de inhoud van het gesprek. Volgens eiser staat in het proces-verbaal vermeld dat het bevel op 5 februari 2019 uitgevaardigd zou zijn, terwijl dit pas op 8 februari 2019 is gebeurd.

26. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en hetgeen in het verweerschrift hierover is aangegeven, blijkt dat het bevel op 5 en niet op 8 februari 2019 is uitgevaardigd. Op diezelfde dag is eiser gehoord door een hoofdagent van de politie, die daarvan het ‘proces-verbaal van gehoor bij bevel zich onmiddellijk te begeven naar lidstaat van verblijf’ (formulier M106-B) heeft opgemaakt op 5 februari 2019. Uit dit proces-verbaal blijkt dat het gehoor heeft plaatsgevonden zonder advocaat omdat eiser bij deze zaak geen advocaat wenste. Tijdens dit gehoor is eiser in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Daarop is hij blijkens het proces-verbaal ook gewezen. Ook is blijkens dit proces-verbaal gevraagd naar persoonlijke, individuele omstandigheden of andere beletselen die zouden kunnen leiden tot uitstel of afzien van de maatregel. Daarop heeft eiser geantwoord dat hij geen gezondheidsproblemen heeft, dat hij getrouwd is en geen kinderen heeft en in Milaan woont.

Het voorgaande betekent dat de beroepsgrond van eiser over de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze voorafgaand aan het primaire besluit feitelijke grondslag mist. Voor zover wordt gesteld dat het proces-verbaal geen waarheidsgetrouwe weergave bevat, wijst de rechtbank op de bewijskracht van het proces-verbaal, ook als dit niet op ambtseed is opgemaakt (zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:390). Nu niet concreet is aangeven waarom niet van de inhoud van dit proces-verbaal kan worden uitgegaan, anders dan de onjuiste stelling dat het bevel pas op 8 februari 2019 is uitgevaardigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet uit te gaan van hetgeen in het proces-verbaal is aangegeven.

Deze beroepsgrond slaagt niet en staat dus ook niet in de weg aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

Schending hoorplicht door kennelijk ongegrond verklaren van bezwaar

27. Over de stelling van eiser dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Awb, overweegt de rechtbank als volgt.

28. Met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van horen worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Het bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4095). Mede gezien het feit dat in het bezwaar terecht wordt aangevoerd dat het primaire besluit in het geheel niet is gemotiveerd, kan in redelijkheid niet worden gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit nog daargelaten het feit dat het primaire besluit, blijkens de daarvoor in het bestreden besluit gegeven motivering, stoelt op een uitleg van het openbare orde-criterium waarover de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank het bezwaar ten onrechte ongegrond geacht en had dus zeker niet tot kennelijke ongegrondheid kunnen concluderen. Dat betekent dat verweerder niet heeft mogen afzien van het horen van eiser. Deze beroepsgrond slaagt.

29. De rechtbank overweegt dat eiser wel voorafgaand aan het primaire besluit is gehoord en dat het gebrek inmiddels is gerepareerd doordat eiser alsnog in beroep is gehoord (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2089). Deze beroepsgrond staat daarom niet in de weg aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

Conclusie

30. Het beroep van eiser is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet zoals hiervoor overwogen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

31. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Ook ziet de rechtbank gelet op de vernietiging van het bestreden besluit aanleiding tot veroordeling van verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

32. Over de gevraagde kostenvergoeding in bezwaar overweegt de rechtbank dat het primaire besluit naar het oordeel van de rechtbank met verbeterde motivering in stand zou kunnen blijven als opnieuw op het bezwaar zou worden beslist. Dat betekent dat geen sprake zou zijn van een herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten die artikel 7:15, tweede lid, van de Awb stelt voor vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaarschrift. Voor een veroordeling in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, is dan ook geen plaats.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2019. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 augustus 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.