Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8548

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
09/807305-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak; drugsbezit en dealen. Wijziging bijzondere voorwaarden en wijziging opdracht toezicht en begeleiding na vordering tenuitvoerlegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/807305-19; 09/035917-19 (t.b.g.)

Tul 09/174275-18

Datum uitspraak: 15 augustus 2019

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

[adres 1] .

thans gedetineerd in Juvaid Justitiële Jeugdinrichting te Veenhuizen.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 1 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Fikenscher en van hetgeen door de verdachte, zijn raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk, advocaat te Den Haag, en de ter terechtzitting gehoorde deskundigen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 maart 2019 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 37,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 07 januari 2019 tot en met 27 maart 2019 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen,

opzettelijk (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. ter berechting gevoegd 09/035917-19:

hij op of omstreeks 12 februari 2019 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen twee ambtenaren, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , beide hoofdagent van de politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte en/of het overbrengen van verdachte naar een politiebureau, door

- met zijn armen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te duwen,

- zich tegen het bed af te zetten om te voorkomen dat hij gefixeerd werd, en/of

- zich (met kracht) in tegengestelde richting te bewegen dan de richting waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem trachten te bewegen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking in de zaak met parketnummer 09/807305-19 bestaat er uit dat de verdachte op 27 maart 2019 in het bezit is geweest van ongeveer 37,2 gram cocaïne en dat hij voorts in de periode van 7 januari 2019 tot 27 maart 2019 in deze drug heeft gehandeld.

In de andere zaak (09/035017-19) is er sprake van een verdenking van wederspannigheid. De verdachte trachtte te ontkomen aan aanhouding en medeneming naar het politiebureau.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte in het bezit is geweest van cocaïne, met de beperking dat de officier van justitie slechts bezit van 11,5 gram bewezen acht. De andere twee feiten acht de officier van justitie integraal bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 is vrijspraak gevraagd.

Betoogd is dat er geen gedegen onderzoek is gedaan naar de vraag of er echt onomstotelijk sprake is geweest van bezit van cocaïne bij de verdachte. Op de NFI-rapporten is alleen het PL-nummer van de politie genoteerd op basis waarvan wordt afgeleid dat het bolletjes betreft die onder de verdachte in beslag zijn genomen. De verdediging acht dit te mager.

Als er al door de verdachte is gedeald is onvoldoende vast te stellen over welke periode het dan gaat. Er zijn personen ondervraagd waarbij het volslagen onduidelijk is hoe de politie bij deze personen is terechtgekomen. Daarnaast is aan getuigen slechts een foto getoond van de verdachte en met dergelijk bewijs moet zeer behoedzaam worden omgegaan. Ook kan niet worden bewezen dat de diverse gesprekken zijn gevoerd en berichten zijn verzonden door de verdachte. De verklaringen van de mogelijke afnemers vormen geen bewijs.

Voor zover de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van feit 2 komt heeft de raadsvrouw bepleit de verdachte vrij te spreken van het medeplegen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

T.a.v. feit 1 en feit 2:

De verdachte, die toen op een scooter reed, is op 22 maart 2019 door de politie aangehouden in verband met verkeersovertredingen en het negeren van een stopteken. Bij de verdachte werd € 500 in kleine coupures aangetroffen. Voorts werden in de buddyseat van de scooter inbrekerswerktuigen, autosleutels, een paspoort dat niet op naam van de verdachte stond en een tablet aangetroffen. De verdachte was in het bezit van twee telefoons, een Nokia wegwerptelefoon en een IPhone.2 De Nokia is onderzocht waarna de verdenking ontstond dat de verdachte zich veelvuldig bezighield met het handelen in drugs.

Op de Nokia telefoon ( [IMEI-nummer] en [IMEI-nummer] ) en op de IPhone ( [IMEI-nummer] ) werden spoedtaps geplaatst. In de Nokia zat een simkaart met het [nummer] . Regelmatig werd door de gebruiker van [nummer] gevraagd: “wat is de stand” waarna door de andere beller werd gezegd “1-0, 2-0 of 3-0”. De gebruiker van [nummer] gaf dan een tijdsindicatie. Er werd soms meerder keren per dag of achter elkaar gevraagd waar de gebruiker van [nummer] bleef. De bellers noemden soms een naam, waaraan de gebruiker van [nummer] hen herkende.3

Aan het begin van een gesprek op 25 maart 2019 om 17.23 uur noemde de gebruiker van [nummer] zijn naam [verdachte] . Dit is de voornaam van de verdachte. Dit gesprek lijkt over rijlessen te gaan.4 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een dag na zijn aanhouding rijexamen had.5

Op 27 maart 2019 te 10.40 uur kwam er een spraakbericht binnen met [telefoonnummer 1] . Een vrouw vroeg: “Hoe lang?” De getapte (nummer [nummer] ) antwoordde: “Wat is de stand?” De [verbalisant] heeft gerelateerd dat het haar ambtshalve bekend is dat dealers dit soort vragen stellen om van te voren te weten hoeveel bolletjes er gekocht gaan worden. De vrouw antwoordde met 1 - 0 en wilde weten hoe lang het ging duren omdat ‘ [naam 1] ’ zou langs komen. De verdachte is vervolgens door de politie gevolgd en gezien werd dat de verdachte een portiek op [adres 2] te Den Haag binnenging om 11.17 uur6. Onderzoek wees vervolgens uit dat op [adres 2] een kind stond ingeschreven met de [naam 1] .7 De politie ging op zoek naar mogelijke afnemers van hard drugs in dit portiek en kwam uit bij ene [naam 2] , woonachtig op [adres 2] . Om 11.48 uur bevond de politie zich in de woning en verklaarde [naam 2] dat hij zojuist een bolletje wit had gekocht. De politie toonde hem een foto van de verdachte en [naam 2] verklaarde vervolgens: “ja dat is hem, als een druppel water.” [naam 2] verklaarde vervolgens dat hij ongeveer vijf maal een bolletje cocaïne heeft gekocht van deze jongen en dat deze in zijn telefoon is opgeslagen onder de naam ‘ [alias] ’ met het nummer [nummer] . Deze dealer kwam altijd op zijn scooter, meestal kwam hij maar soms ook wel eens een zwarte jongen.8 In een ander getapt gesprek van 25 maart 2019 zei de gebruiker van [nummer] tegen een afnemer: “ik stuur effe die neger naar je toe”9

Op 27 maart 2019 om 12.13 uur kwam een gesprek binnen met het [telefoonnummer 2] waarin een man vroeg: “hoe lang?”. De getapte antwoordde met: “wat is de stand?” Antwoord: “2”. De getapte antwoordde “ehhuu kleine ehu kwartiertje”. Het telefoonnummer was van [naam 3] , woonachtig [adres 3] te Den Haag en daar ingeschreven met [naam 4] .10

Om 12.17 uur werd gezien door de politie dat de verdachte zijn woning verliet en op zijn scooter stapte en wegreed. Om 12.23 parkeerde de verdachte zijn scooter bij een portiek bij [adres 3] te Den Haag en ging het portiek in. Om 12.30 uur verliet hij de woning weer.11

De politie betrad de woning en aldaar verklaarde de bewoner [naam 4] dat hij zojuist een bolletje cocaïne had gekocht voor 10 euro. [naam 4] verklaarde ongeveer drie keer eerder een bolletje van deze jongen te hebben gekocht die als M2 in zijn telefoon stond met het nummer [nummer] . M2 kwam altijd op zijn scooter en soms kwam een donkere jongen, aldus [naam 4] . De politie toonde hem een foto van de verdachte en [naam 4] verklaarde “ja dat is hem zeker.”12 Een loterijblad diende als verpakking van het bolletje. Bij een uitgevoerde kleurreactietest bleek het bolletje positief op cocaïne te testen.13

Op 12 februari 2019 is de verdachte in de zaak betreffende feit 3 (zie hieronder) aangehouden. Bij zijn insluitingsfouillering werd onder andere aangetroffen een wegwerptelefoon, merk Nokia, voorzien van [IMEI-nummer] .

In deze telefoon heeft de politie 250 contacten waargenomen en weergegeven. Uit het overzicht, dat niet eens geheel is uitgewerkt, blijkt dat tientallen van deze contacten bij de politie als druggebruiker bekend staan en ook enkele contacten zijn bekend als dealer.14 Op 7 januari 2019 heeft de gebruiker van deze telefoon 60 keer het bericht verstuurd: ”Hallo met [alias] , dit is me nieuwe num voor de beste koffie en meld bel me gr [alias] ”.

Op diezelfde dag kwamen vier reacties van verschillende personen op het bericht binnen op de telefoon, te weten:

“Ok. Als ik nodig heb zal ik je sms-en”

“Geen interesse…gebruik al alanderhalf jaar niet meer”

“Breng een testertje langs! Als je serieus bent . of wis myn nr.”

“Duurt lang wis je nr. Binnen 20 min!!!!!!!!! Bel maar als je serieus ben !!! geboeg suppliers die op tyd komen.!!!!15

Een van de contacten op de lijst van 250 personen is [naam 5] , geboren op [geboortedatum] .16 Op 29 maart 2019 is [naam 5] door de politie als getuige gehoord en heeft hij verklaard dat hij sinds een paar weken cocaïne heeft gekocht bij ene “ [alias] ”. De foto van de verdachte werd getoond aan de getuige en deze verklaarde de verdachte voor 100% op de foto te herkennen. Hij kwam in contact met [alias] door het nummer [nummer] te bellen. Als getuige had gebeld kwam de verdachte naar hem toe op de fiets of op de scooter. Hij betaalde 10 euro voor een bolletje wit.17

Een van de contacten op de lijst van 250 personen is [naam 6] , geboren op 22 juli 1959.18

Op 29 maart 2019 is [naam 6] door de politie als getuige gehoord. De getuige heeft verklaard dat hij bij [alias] bolletjes heeft gekocht. De foto van de verdachte is getoond en de getuige herkende de verdachte voor 100%. Hij kwam met hem in contact door te bellen en de verdachte kwam dan zo’n 20 minuten later. De getuige kocht 1 maal per maand, soms vaker, sinds vier maanden en betaalde 10 euro voor een bolletje.19

De politie heeft gerelateerd dat uit onderzoek in de telefoonlijst van de verdachte ook is gebleken dat het telefoonnummer van [naam 7] , geboren op 7 april 1984, 44 maal contact heeft gehad met het nummer [nummer] . Op 26 april 2019 verklaarde [naam 7] telefonisch dat hij “ [verdachte] ” kent en dat deze wel eens wat kwam brengen aan drugs.20

Op 27 maart 2019 is de verdachte opnieuw aangehouden. Bij de verdachte werden in zijn rechterbroekzak twee witte bolletjes, in plastic gewikkeld, aangetroffen. In de rechtersok van de verdachte werd een bruin bolletje aangetroffen, gewikkeld in plastic. In de boxershort van de verdachte werd een blauw plastic zakje aangetroffen met daarin allerlei kleine witte bolletjes. De verdachte verklaarde na deze vondst: “dat moet ik verkopen van iemand onder dwang”.21 Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte bekend dat hij de drugs bij zich had22 en heeft hij ontkend dat hij gezegd zou hebben dat hij deze onder dwang moest verkopen. Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat deze bolletjes cocaïne betrof en dat hij dat ook wist. Ter terechtzitting heeft de verdachte voorts verklaard dat hij de bolletjes cocaïne op verzoek van de eigenaar die dag in bewaring had genomen.

De bolletjes zijn gewogen op een geijkte weegschaal en het pakketje woog 37,2 gram. Bij een uitgevoerde kleurreactietest was de uitslag positief voor cocaïne.23

De politie heeft ten slotte de historische verkeersgegevens van het [nummer] opgevraagd. Het nummer bleek in een Nokia telefoon te hebben gezeten met het [IMEI-nummer] . Het betrof volgens de politie een zogenaamde dealertelefoon die speciaal voor afnemers van drugs wordt gebruikt. In de periode tussen 15 februari 2019 te 14.57 uur en 27 maart 2019 te 11.55 uur waren er 5674 contactmomenten. De gevoerde gesprekken bleken veelal kort te zijn en er bleken veel sms-berichten te zijn gestuurd.

De meest aangestraalde zendmast was er een waarbij de woning van de verdachte binnen het zendbereik van die mast ligt.24

Gezien al het voorgaande komt de rechtbank tot het eindoordeel dat het de verdachte is geweest die op 27 maart 2019 in het bezit is geweest van ongeveer 37,2 gram cocaïne.

De rechtbank zal de rapporten van het NFI d.d. 19 juli 2019 niet bezigen voor het bewijs, nu niet met zekerheid vast staat dat het door het NFI onderzochte materiaal afkomstig is uit de fouillering van de verdachte. Dat het politie-registratie-nummer overeenstemt met het dossiernummer acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

Een en ander leidt echter naar het oordeel van de rechtbank, gezien de overige inhoud van het dossier, echter niet tot de gevolgtrekking dat het feit niet kan worden bewezen. De rechtbank overweegt dat op grond van de verklaring van verdachte zelf dat hij cocaïne bij zich had, alsmede op grond van de positieve kleurenreactietest van de bij verdachte inbeslaggenomen bolletjes en van het aan afnemer [naam 4] verkochte bolletje, voldoende vast is komen te staan dat sprake was van cocaïne.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode vanaf 7 januari 2019 tot en met 27 maart 2019 heeft gehandeld in verdovende middelen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat aan een enkelvoudige fotoconfrontatie geen of weinig bewijswaarde mag worden toegekend. Aan de getuigen die drugs van de verdachte hebben afgenomen is een foto van de verdachte getoond, waarop deze hem hebben herkend. De raadsvrouw heeft op zich gelijk dat de bewijswaarde van een enkelvoudige fotoconfrontatie dubieus kan zijn, maar in dit geval heeft de politie zelf gezien dat de verdachte naar de woning van twee van die getuigen is gegaan, kort nadat er gebeld was en een afspraak over de deal werd gemaakt. Het is dus niet zo dat de bewijsvoering uitsluitend is gestoeld op een enkelvoudige fotoconfrontatie.

De rechtbank heeft ook geen reden om te er aan te twijfelen dat de verdachte in ieder geval vanaf 7 januari 2019 in de drugshandel heeft gewerkt, gezien het bericht dat hij die dag aan zijn contacten stuurde, waarin hij zichzelf [alias] noemt, welke naam door afnemers wordt bevestigd en het gegeven dat afnemer [naam 6] heeft verklaard dat hij zo’n vier maanden van deze dealer afneemt.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende kan worden aangetoond dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedeald. Weliswaar is sprake van een “zwarte” jongen die ook wel eens drugs komt brengen die bij de verdachte zijn besteld, maar dat is onvoldoende om tot bewijs voor medeplegen te komen.

T.a.v. feit 3:

Nu de verdachte dit feit heeft bekend, hij later niet anders is gaan verklaren en geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met het vermelden van de bewijsmiddelen.

De rechtbank gebruikt als bewijsmiddelen:

- de verklaring van verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, opgenomen in een proces-verbaal van aanhouding van de verdachte (nummer PL1500-2019039256-3), onderdeel van een bundel processen-verbaal met het nummer PL1500-2019039175;

- de bekennende verklaring van de verdachte in een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte (nummer PL1500-2019039175-7), onderdeel van een bundel processenverbaal met het nummer PL1500-2019039175.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 27 maart 2019 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 37,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 7 januari 2019 tot en met 27 maart 2019 te

’s-Gravenhage opzettelijk (telkens) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. ter berechting gevoegd 09/035917-19:

hij op 12 februari 2019 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen twee ambtenaren, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beide hoofdagent van de politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van de verdachte en het overbrengen van de verdachte naar een politiebureau, door

- met zijn armen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te duwen,

- zich tegen het bed af te zetten om te voorkomen dat hij gefixeerd werd, en

- zich met kracht in tegengestelde richting te bewegen dan de richting waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem trachten te bewegen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met naast de wettelijke voorwaarden als bijzondere voorwaarden te stellen een meldplicht bij Reclassering Nederland en een behandelverplichting bij de Waag of een soortgelijke instelling, met de opdracht tot toezicht en begeleiding van genoemde reclassering.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor zover er geen vrijspraak volgt, bepleit een vrijheidsstraf op te leggen waarvan de duur iets hoger is dan die van de voorlopige hechtenis, zodat behandeling bij de Waag kan worden opgelegd alsmede reclasseringsbegeleiding waarbij de verdachte kan worden geholpen met het zoeken naar een geschikte woning.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in bezit hebben van ongeveer 37,2 gram cocaïne alsmede aan het dealen in cocaïne gedurende zo’n kleine vijf maanden. Hard drugs, zoals cocaïne, zijn bijzonder schadelijk voor de gezondheid en het gebruik ervan leidt bij veel mensen tot hele grote problemen op alle levensgebieden. Door te dealen is de verdachte medeverantwoordelijk voor de ellende die drugsgebruik bij mensen teweegbrengt. De rechtbank neemt het de verdachte hoogst kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen en de handel in verdovende middelen ontkent dan wel zich op zijn zwijgrecht beroept. Hij begeeft zich door te handelen in hard drugs bovendien in uiterst gevaarlijke kringen, en lijkt zich niet te realiseren waar hij mee bezig is.

De verdachte heeft zich ook nog schuldig gemaakt aan verzet tegen de politie bij zijn aanhouding. Het ambtelijk gezag dient te worden beschermd en hoewel het regelmatig onderdeel van het werk van de politie is om met geweld om te gaan, is het van het grootste maatschappelijke belang dat zij zoveel mogelijk zonder gedoe hun werk kunnen doen en niet verplicht moeten worden zelf geweld uit te oefenen om een aangehouden persoon te kunnen kalmeren of stabiliseren.

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij al eerder is veroordeeld in verband met het plegen van strafbare feiten. Nog vrij recent, in december 2018, is hij veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie wegens openlijke geweldpleging. De voorwaardelijke jeugddetentie heeft de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast heeft de verdachte diverse strafbeschikkingen en een veroordeling op zijn naam staan wegens verkeersfeiten en daarnaast ook nog een veroordeling wegens diefstal van een bromfiets. Zijn strafblad bestaat inmiddels uit 6 pagina’s, en de rechtbank acht dat zorgelijk bij zo’n jeugdig persoon

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van het psychologisch onderzoek d.d. 7 juni 2019 door [naam 8] . Hoewel het onderzoek niet volledig was aangezien de verdachte enige tijd spoorloos was, heeft de onderzoeker wel kunnen vaststellen dat bij de verdachte sprake is van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis met mogelijke beperkingen ten aanzien van zijn verstandelijke vermogens, emotionele ontwikkeling en impulsregulatie. Zorgelijk is dat de verdachte geen school of andere dagbesteding heeft. Hij isoleert zich van zijn familie, is snel boos, lijkt impulsief en komt afspraken niet na. Daartegenover staan weinig beschermende factoren.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en van hetgeen door de ter zitting verschenen deskundigen van de Raad en van de jeugdreclassering naar voren is gebracht. Ook hier komt een zorgelijk beeld naar voren. De verdachte is impulsief, zelfbepalend, heeft weinig respect voor gezagsdragers, er is geen zicht op zijn vriendenkring en hij neemt geen verantwoordelijkheid voor de eigen acties. Ook het gedrag in de justitiële jeugdinrichting is wisselend en onvoorspelbaar en de verdachte lijkt agressie in te zetten om met emoties om te gaan. Tijdens het onderzoek was de verdachte niet gemotiveerd om mee te werken aan reclasseringstoezicht en/of behandeling. Een eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis werd opgeheven en hij was ook enige tijd spoorloos. In zijn rapport adviseert de Raad dan ook, concluderend, om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.

Omdat de rechtbank dit advies, gezien de zorgen en de jeugdige leeftijd van de verdachte, niet helemaal passend vindt, is het nog eens ter zitting besproken. De Raad en de jeugdreclassering hebben aangegeven dat begeleiding van de reclassering (afdeling jongvolwassenen) wellicht wel geïndiceerd is maar dat dan ook behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling zou moeten worden ingezet en de verdachte zich daar tegen verzet. De verdachte heeft ter zitting aangegeven toch te willen meewerken aan toezicht, behandeling en begeleiding.

De rechtbank overweegt dat zij genoemde begeleiding en behandeling aangewezen acht en dat dit in het kader van voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf zou kunnen worden opgelegd. Echter, de rechtbank is van oordeel dat, gezien de richtlijnen, de leeftijd en overige omstandigheden zoals hierboven geschetst, een op te leggen jeugddetentie voor de duur van het voorarrest (op datum van de uitspraak 110 dagen) de maximaal op te leggen straf kan zijn in deze zaak. Het opleggen van een voorwaardelijk deel met voorwaarden is in het kader van de hoofdzaak daarom niet meer mogelijk omdat daarvoor het voorarrest te lang heeft geduurd. De rechtbank zal dus een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 110 dagen opleggen.

In het kader van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging (zie hierna), zal de rechtbank echter anders beslissen dan geëist.

8 De in beslag genomen goederen

8.1.

Inleiding

Er is een lijst met twee in beslag genomen voorwerpen overgelegd, te weten:

  1. 500 euro geld;

  2. 1 bromfiets, Piaggio C25 2005, [kenteken]

8.2.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

8.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit het geldbedrag van 500 euro aan de rechthebbende te retourneren, te weten de moeder van de verdachte en voorts om de bromfiets terug te geven aan de verdachte.

8.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de goederen verbeurd verklaren, nu op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat het voorwerpen betreft met betrekking tot welke feit 2 is begaan (geld) en met behulp waarvan feit 2 is begaan (bromfiets).

De rechtbank acht de lezing dat de € 500 aan de moeder toebehoorde en door de verdachte van haar is weggenomen niet geloofwaardig. De moeder zelf is op 22 maart 2019, kort na de voorgeleiding van de verdachte bij de hulpofficier van justitie door de politie gebeld en zij heeft toen verklaard dat het geld niet van haar was.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de scooter van de verdachte (ook) door hem is gebruikt om de drugs naar de afnemers te brengen.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.

Inleiding

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 2018, onherroepelijk geworden op 18 december 2018, de verdachte (onder meer) veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, ingaande op 18 december 2018.

9.2.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 2 weken, nu de verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 09/807305-19 en de verdachte dus een wettelijke voorwaarde heeft overtreden.

9.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de vordering af te wijzen, subsidiair de proeftijd te verlengen.

9.4.

Het oordeel van de rechtbank

Gezien het hierboven onder 6.3 overwogene ziet de rechtbank aanleiding om, ofschoon de verdachte gerecidiveerd heeft binnen de proeftijd en toewijzing van de vordering in beginsel aangewezen is, de proeftijd te verlengen en de voorwaarden uit dit eerdere vonnis te wijzigen opdat krachtens die gewijzigde uitspraak alsnog een meldplicht bij de reclassering, het hebben van een zinvolle dagbesteding en behandeling bij de Waag of soortgelijke instelling kan worden opgelegd.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    33, 33a, 77a, 77g, 77i, 77aa, 77gg en 180 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, gegeven verbod;

t.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, gegeven verbod;

t.a.v. feit 3 (t.b.g. 09/035017-19:

wederspannigheid;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 110 dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten:

  1. Geld, totaal 500 euro;

  2. 1.00 stk Bromfiets, Piaggio C25 2005 [kenteken];

t.a.v. 09/174275-18 (tul):

verlengt de proeftijd met 1 jaar

en

brengt wijziging in de bijzondere voorwaarden uit het vonnis van de kinderrechter

d.d. 3 december 2018, zodat deze als volgt komen te luiden:

  1. dat de veroordeelde zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode, die loopt tot maximaal het einde van de verlengde proeftijd, en op door de reclassering te bepalen tijdstippen, aldaar zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van de Waag of soortgelijke instelling, in verband met (onder meer) zijn agressie regulatie problematiek en impulsbeheersing, een en ander zolang de instelling of de reclassering dit nodig achten;

  3. dat de veroordeelde een zinvolle dagbesteding heeft in het kader van school, stage, werk of vrijetijdsbesteding;

wijzigt de opdracht als bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat deze als volgt komt te luiden:

geeft Reclassering Nederland, zijnde een in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde reclasseringsinstelling, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan de begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, kinderrechter, voorzitter,

mr. P.M.E. Bernini, kinderrechter en

mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter-plaatsvervanger,

in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 augustus 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s inzake dossier I betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2019081510, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 175

2 relaas p. 4, bevindingen, p. 158

3 p. 32, samenvatting van de gesprekken, gevoerd van 22 maart 2019 tot en met 26 maart 2019, uitgewerkte gesprekken: dossier I, p. 34 tot en met 61.

4 p. 62 tot en met 65

5 proces-verbaal terechtzitting d.d. 1 augustus 2019

6 bevindingen, p. 70

7 p. 60, p. 66 en p. 68

8 bevindingen p. 76

9 gesprek, p. 50

10 p. 61 en 67 en 69

11 bevindingen p. 70-71

12 bevindingen p. 81

13 bevindingen p. 84

14 p. 100 tot en met 112

15 p. 111

16 p. 104

17 verhoor getuige p. 125-126

18 p. 101

19 Verhoor getuige, p. 132-133

20 bevinding p. 145

21 bevindingen p. 86

22 proces-verbaal verhoor inbewaringstelling d.d. 28 maart 2019

23 p. 88: kleurenreactietest, merk M.M.C. International B.V., houdbaarheidsdatum tot 04-2021 en BATCH-nummer 222731

24 proces-verbaal analyse historische verkeersgegevens 21682291163