Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8546

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
AWB 18/9862
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting: Verblijfsvergunning regulier wedertoelating. Frauduleuze aangifte bij de geboorte, maakt dat eiseres geen verblijfsstatus heeft verkregen op grond van artikel 10, 2e lid, van de Vw 1965 dan wel op grond van artikel 7 van Besluit 1/80. Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/173 met annotatie van Boeles, P.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/9862

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2019 in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J. Luscuere,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in het kader van wedertoelating afgewezen.

Bij besluit van 22 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2019. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] te [geboorteplaats eiseres] , Turkije. Haar biologische ouders zijn [naam moeder] (moeder [naam moeder] ) en [naam vader] (vader [naam vader] ). De geboorteaangifte van eiseres is gedaan door haar opa, [naam opa] (opa [naam opa] ), die daarbij heeft aangegeven dat hij de vader is van eiseres en dat zijn echtgenote, [naam oma] (oma [naam oma] ), de moeder is van eiseres.

Moeder [naam moeder] heeft zich op 21 september 1990 in Nederland laten inschrijven bij haar ouders [naam opa] en [naam oma] in de gemeente Amersfoort. Op 5 november 1992 is zij op het Turkse consulaat in Deventer getrouwd met [naam vader] .


Eiseres stond van 12 augustus 1991 tot 20 februari 2013 ingeschreven in Nederland.

Eiseres heeft, na aankomst in Nederland met haar moeder [naam moeder] , steeds bij haar grootouders (opa [naam opa] en oma [naam oma] ) gewoond in Amersfoort.

Aan opa [naam opa] en oma [naam oma] is bij Koninklijk Besluit van 18 oktober 1995 het Nederlanderschap verleend. Moeder [naam moeder] verkreeg het Nederlanderschap bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1996.

Bij uitspraak van 16 oktober 1995 heeft een rechtbank in Turkije op verzoek van vader [naam vader] – in welke procedure moeder [naam moeder] zich heeft gevoegd – vastgesteld dat niet opa [naam opa] en oma [naam oma] de ouders zijn van eiseres, maar vader [naam vader] en moeder [naam moeder] en heeft die rechtbank met die vaststelling de registratie van eiseres onder de naam van vader [naam vader] en moeder [naam moeder] in het bevolkingsregister aanvaard.

Bij uitspraak van 26 juni 1996 heeft de rechtbank in Karaman, Turkije, de echtscheiding tussen moeder [naam moeder] en vader [naam vader] uitgesproken.

Op 29 december 2010 is eiseres in Turkije getrouwd met [naam echtgenoot] ( [naam echtgenoot] ).

Op 17 januari 2011 heeft eiseres zich gemeld bij de balie van de gemeente Amersfoort om haar in Turkije gesloten huwelijk te laten inschrijven in Nederland. Toen is gebleken dat de oudergegevens van eiseres, zoals die in haar paspoort werden vermeld, afweken van de gegevens in de Turkse basisadministratie.

Bij beschikking van 4 mei 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders (college van B&W) van de gemeente Amersfoort geweigerd het huwelijk van eiseres en [naam echtgenoot] in te schrijven en daarmee de persoonsgegevens van eiseres te wijzigen in de Basisregistratie personen (BRP).

Bij brief van 3 januari 2013 heeft verweerder aan de gemeente Amersfoort kenbaar gemaakt dat eiseres niet heeft gedeeld in de naturalisatiebesluiten van haar grootouders (opa [naam opa] en oma [naam oma] ) en ook niet in dat van haar moeder [naam moeder] .

Bij brief van 9 januari 2013 heeft het college van B&W van de gemeente Amersfoort aan eiseres meegedeeld dat het de oudergegevens in de BRP zal aanpassen in overeenstemming met de werkelijkheid. Aan eiseres is tevens meegedeeld dat dit gevolgen heeft voor haar Nederlandse nationaliteit. Bij besluit van 20 februari 2013 is uit de BRP verwijderd dat eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft. De BRP bevat vanaf dan alleen de vermelding van eiseres haar Turkse nationaliteit.

Eiseres heeft vervolgens op grond van artikel 17, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verzocht om vaststelling van het Nederlanderschap. Zij beoogde met deze procedure dat wordt vastgesteld dat zij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

Bij beschikking van 17 december 2015 heeft de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2015:15263) vastgesteld dat eiseres vanaf 13 maart 1996 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:7560) is voornoemde beschikking van de rechtbank Den Haag door de Hoge Raad vernietigd en is de zaak terugverwezen naar de rechtbank Den Haag. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:2740) heeft de rechtbank het verzoek van eiseres tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen. Eiseres is in 1996 niet mee-genaturaliseerd met haar moeder [naam moeder] .

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 15 februari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:227) het cassatieberoep verworpen. De beschikking van de rechtbank van 8 maart 2018 staat derhalve in rechte vast.

2. Eiseres heeft op 30 maart 2018 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in het kader van wedertoelating ingediend.

3. Bij het primaire besluit van 30 mei 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat niet aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 3.92, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voldaan.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres (kennelijk) ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiseres niet tien jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven, nu de rechtbank Den Haag bij beschikking van 8 maart 2018 heeft vastgesteld dat eiseres geen geldige verblijfstatus in Nederland heeft gehad.

5. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert hiertoe – kort samengevat – het volgende aan.

Allereerst verwijst eiseres naar het verzoekschrift tot cassatie van 9 mei 2018, waarin zij

– voor zover relevant – stelt dat zij de verblijfsstatus op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw (oud)) van rechtswege heeft verkregen nadat zij een jaar een verblijfsvergunning had gehad. Weliswaar was deze eerdere vergunning gebaseerd op de door de grootouders verstrekte onjuiste afstammingsgegevens, maar dat maakt voor de werking van artikel 47, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 1966 (Vb (oud)) niet uit, nu immers aan de overige voorwaarden van dat artikel is voldaan. Als namens eiseres was verzocht om een verblijfsdocument ten bewijze van haar legale status, dan zou zij dit hebben gekregen. Bij de toetsing zou immers zijn vastgesteld dat zij rechtmatig in Nederland was en woonde bij haar ouders.

Het verblijfsrecht op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) kon niet worden ingetrokken. De formele rechtskracht van het verkrijgen van die op artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) gebaseerde status dient te worden onderkend en gevolgd, ook als die verblijfstatus is gebaseerd op onjuiste feitelijke gegevens. In de periode van 1991-1995 was eiseres nog een jong kind. Gelet op de vaststelling van de rechtbank dat eiseres na aankomst in Nederland steeds bij haar grootouders in huis heeft gewoond, staat daarmee het gezinsleven (“family life”) met haar grootouders vast. Dat ook haar biologische moeder deel uitmaakte van het gezin maakt voor de verwerving van het verblijfsrecht op grond van artikel 47, eerste lid, van het Vb (oud) geen verschil voor het begrip “feitelijk behoren tot het gezin” op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eiseres stelt dat indien voorafgaand aan de naturalisatie van haar moeder bekend zou zijn dat zij niet het kind van haar grootouders [naam opa] en [naam oma] was, maar van [naam moeder] en [naam vader] , zij evengoed verblijfsrecht zou hebben verkregen op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb (oud) in samenhang bezien met artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud). Immers staat vast dat eiseres een verblijfsvergunning had en dat haar verblijf dus rechtmatig was. Zij verbleef feitelijk bij haar grootouders en daarmee voldoet die relatie aan de eisen die het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) stelt aan “family life”. Dat haar biologische ouders eveneens bij de grootouders inwoonden, maakt dat niet anders, aldus eiseres.

Eiseres voert voorts aan dat verweerder op haar verzoek om aanhouding van 5 november 2018 had moeten reageren, door dit niet te doen en het bestreden besluit te nemen, handelt verweerder onzorgvuldig. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit de beschikking van de rechtbank onjuist citeert en vervolgens ook incorrect juridisch waardeert. De door de rechtbank gebruikte peildatum heeft slechts betrekking op één moment en niet op de gehele periode van verblijf tussen augustus 1991 en 1 april 2008, de datum dat eiseres 18 jaar werd. Gelet hierop is er sprake van een motiveringsgebrek, aldus eiseres. Ook is het bestreden besluit in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwens-beginsel onder het EVRM. Eiseres is 21 jaar in de veronderstelling geweest dat zij Nederlander was, waarbij de fraude met de geboorteakte niet aan haar kan worden toegerekend.

Bij aanvullende beroepsgronden van 6 mei 2019 voert eiseres – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres beantwoordt de vraag of zij voor haar negentiende levensjaar minimaal tien jaar rechtmatig in Nederland heeft gewoond, ook onder nadere beschouwing van haar positie onder het Associatierecht EU-Turkije, bevestigend. De schijnverlening van de Nederlandse nationaliteit, feitelijk uitmondend in registratie als Nederlands staatsburger in de overheidssystemen en het recht op verkrijging van een Nederlands identiteitsbewijs, zoals een paspoort, kan materieel worden beschouwd als erkenning van een verblijfsrecht. Dat de positie van eiseres daardoor (ten onrechte) aan het bereik van de Vreemdelingenwet was onttrokken, omdat zij niet langer als vreemdeling werd erkend, maakt dit feitelijke recht van een burger om hier te wonen en te leven niet anders.

Eiseres concludeert daarom dat zij als geregistreerd Nederlandse tussen haar vijfde en haar achttiende verjaardag beschikte over een feitelijk verblijfsrecht. Dit verblijfsrecht heeft verweerder mogen beëindigen met de mededeling van 3 januari 2013, maar niet met terugwerkende kracht omdat het Associatierecht EU-Turkije en ook het overkoepelende EU-recht zich daartegen verzet. Hierbij is van belang dat de frauduleuze handelingen ter verkrijging van het feitelijk verblijfsrecht, feitelijk niet vaststaan en ook niet in rechte zijn vastgesteld.

Voor zover deze procedure zich daartoe alsnog zou lenen, dient daarbij de rechtszekerheid en verjaring te worden betrokken. En tenslotte verzet zich het evenredigheidsbeginsel tegen die intrekking met terugwerkende kracht, zeker om dat verweerder geen belangen heeft gesteld om dit te billijken, aldus eiseres.

6. De rechtbank oordeelt als volgt.

6.1. Op grond van artikel 3.92, eerste lid van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:

a. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of

b. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van verweerder het meest aangewezen land is.

7 Verblijfsstatus op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud)

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vw (oud) is het aan vreemdelingen toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven:

  1. indien zij houder zijn van een vergunning tot vestiging;

  2. indien zij door Onze Minister als vluchteling zijn toegelaten.

Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan andere dan de in het eerste lid bedoelde vreemdelingen worden toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven.

Op grond van artikel 47, eerste lid, van het Vb (oud) is het aan de echtgenote en aan de kinderen beneden de leeftijd van eenentwintig jaar, die feitelijk behoren tot het gezin van een in Nederland wonende Nederlander of van een houder van een vergunning tot vestiging, krachtens artikel 10, tweede lid, van de Wet toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven:

  1. indien zij sedert tenminste één jaar als zodanig in Nederland wonen en hun gedurende die periode krachtens artikel 9 van de Wet verblijf in Nederland was toegestaan;

  2. indien hun op het tijdstip waarop zij deze hoedanigheid verkregen krachtens één der bepalingen van artikel 10, eerste lid, van de Wet verblijf in Nederland was toegestaan.

Uit paragraaf A4/8.1 van de Vreemdelingencirculaire 1982 (Vc (oud)) volgt onder meer dat het verblijfsrecht op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) van rechtswege wordt verkregen; een verzoek daartoe behoeft derhalve niet te worden ingediend. Het verblijfsrecht gaat eveneens van rechtswege verloren; intrekking van deze verblijfstitel is derhalve niet mogelijk.

7.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen verblijfsrecht op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) verkregen, omdat haar grootouders zich hebben voorgedaan als haar ouders terwijl zij dit niet waren. De basis voor het verblijfsrecht op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) is derhalve frauduleus en dus kan de verblijfsstatus niet van rechtswege zijn ontstaan. Opa [naam opa] heeft niet aangegeven dat eiseres zijn kleinkind is, waardoor een (eventueel) verblijfsrecht als kleinkind (bijvoorbeeld als familiepleegkind) had kunnen zijn verleend. Indien opa [naam opa] had aangegeven dat eiseres zijn kleinkind was, dan had eiseres de verblijfsstatus op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) van rechtswege kunnen verkrijgen, volgend op de onder die beperking verleende verblijfsvergunning. Echter is aan eiseres geen verblijfsvergunning verleend als kleinkind van haar grootouders en derhalve kan de verblijfsstatus op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) niet van rechtswege, volgend op die vergunning, zijn ontstaan. Bovendien woonde moeder [naam moeder] (en later ook vader [naam vader] ) bij de grootouders in, waardoor eiseres ook feitelijk niet tot het gezin van haar grootouders behoorde maar tot dat van haar moeder/ouders. Ook daarom kan de verblijfsstatus op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) niet van rechtswege zijn ontstaan.

Na het huwelijk van moeder [naam moeder] met vader [naam vader] , behoorde eiseres feitelijk tot het gezin van haar ouders. Daarbij is niet relevant dat haar ouders inwoonden bij haar grootouders. Moeder [naam moeder] en vader [naam vader] hadden op dat moment (nog) niet de Nederlandse nationaliteit. Eiseres voldeed derhalve niet aan het in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb (oud) gestelde vereiste dat zij het voorafgaande jaar als kind feitelijk behoorde tot het gezin van een in Nederland wonende Nederlander.

Eiseres heeft derhalve niet op grond van dit artikel een verblijfsstatus verkregen.

Omdat eiseres op 18 oktober 1995 en op 13 maart 1996 dus geen geldige verblijfsstatus had, is zij ook niet mee-genaturaliseerd met haar grootouders of moeder.

7.2.

Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van eiseres niet.

8. Verblijfsstatus op grond van artikel 7 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80).

Op grond van artikel 7 van Besluit 1/80 hebben gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

  • -

    het recht om - onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang - te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste 3 jaar aldaar legaal wonen;

  • -

    er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste 5 jaar aldaar legaal wonen.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Richtlijn 2004/38/EG) wordt voor de toepassing van de richtlijn verstaan onder “familielid”:

  1. de echtgenoot;

  2. de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;

  3. de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;

  4. e rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.

8.1.

Zoals hiervoor is overwogen en ook volgt uit de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2018, die door de Hoge Raad bij beschikking van 15 februari 2019 is bevestigd, behoorde eiseres niet tot het gezin van haar grootouders, opa [naam opa] en oma [naam oma] , maar is zij hun (niet tot het gezin behorende) kleinkind.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft voor de toepassing van de eerste alinea van artikel 7, eerste alinea, van Besluit 1/80 het begrip ‘gezinslid’ naar analogie van artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 ingevuld (zie het arrest van het Hof van

30 september 2004, zaak C-275/02, Ayaz, ECLI:EU:C:2004:570, punt 45). Deze bepaling is inmiddels vervangen door artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG ten aanzien van de kring van begunstigden. Volgens Richtlijn 2004/38/EG valt een kleinkind niet onder de reikwijdte van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG. Eiseres is derhalve geen gezinslid in de zin van artikel 7 van Besluit 1/80 en aldus kan zij via opa [naam opa] of oma [naam oma] geen verblijfsrechten ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80.

8.2.

Eiseres kan voorts geen beroep doen op artikel 7 van Besluit 1/80 via moeder [naam moeder] . Eiseres heeft immers nimmer toestemming gekregen van verweerder om zich bij haar moeder [naam moeder] te voegen. Om als gezinslid van een Turkse werknemer in de zin van artikel 7, eerste alinea, van Besluit nr. 1/80 te worden aangemerkt, moet eiseres zijn toegelaten tot de gastlidstaat in het kader van gezinsvorming of gezinshereniging. Dit leidt het Hof af uit het woord ‘toestemming’ in de aanhef van de eerste alinea. De voorwaarde dat er ‘toestemming’ is gegeven om in de gastlidstaat te verblijven, weerspiegelt de bevoegdheid van de lidstaten om zowel de toegang van Turkse onderdanen tot hun grondgebied als de voorwaarden ten aanzien van hun eerste beroepsarbeid te reglementeren (zie het arrest van het Hof van 16 juni 2011, zaak C-484/07, Pehlivan, ECLI:EU:C:2011:395, punt 54).

8.3.

Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep van eiseres op artikel 7 van Besluit 1/80 niet.

9 Het vertrouwensbeginsel

9.1.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is het nodig dat een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:218).

9.2.

Met betrekking tot het door eiseres opgeworpen beroep op het vertrouwensbeginsel oordeelt de rechtbank als volgt.

Het betoog van eiseres dat zij er op mocht vertrouwen dat zij Nederlander was en dus rechtmatig verblijf heeft gehad, omdat zij in het bezit was gesteld van een Nederlands paspoort, slaagt niet. Het Nederlanderschap kan immers niet worden verkregen door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (uitspraak van de Hoge Raad van 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1450). Evenmin kan het Nederlanderschap worden behouden door de werking van een dergelijk beginsel (uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544). De rechtbank overweegt voorts dat eiseres als derde persoon nimmer het vertrouwen kan ontlenen aan een handeling van verweerder die is voortgekomen uit een frauduleus handelen van een persoon die daarbij belang had, in dit geval haar opa [naam opa] . Dat zij hiervan geen weet heeft gehad, doet daaraan niet af. Dat deze fraude niet strafrechtelijk is vastgesteld is geen vereiste.

De bestuursrechtelijke vaststelling dat de aangifte van geboorte op onjuiste wijze is gedaan, is voldoende voor het aannemen van fraude. Het Hof heeft overwogen (onder andere in het arrest van 22 november 2017, Cussens, ECLI:EU:C:2017:881, punt 43) dat op het vertrouwensbeginsel geen beroep kan worden gedaan als bij het voldoen aan de vereisten waaraan moet worden voldaan om het recht te verkrijgen misbruik of fraude is gepleegd. Nu sprake is van fraude, kan het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

9.3.

Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van eiseres niet.

Prejudiciële vragen

10. Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, voor de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de opgeworpen vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel(s) moet worden beantwoord.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw heeft gehad. Eiseres voldoet derhalve niet aan de voorwaarden voor wedertoelating op grond van artikel 3.92 van het Vb. Verweerder heeft onderhavige aanvraag naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden afgewezen.

12. Eiseres heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Als uitgangspunt geldt dat een belanghebbende op zijn bezwaar wordt gehoord. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer neergelegd in haar uitspraak van 10 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6992), mag, bij toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, slechts van het horen worden afgezien, indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiseres is aangevoerd en met de motivering van het in bezwaar bestreden besluit. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 augustus 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.