Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:854

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
C/09/533461 / HA RK 17-294
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

zie ook 2018:13079.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/533461 / HA RK 17-294

Beschikking van de rechter-commissaris van 31 januari 2019

In het voorlopig getuigenverhoor van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

ABLYNX N.V.,

te Ghent-Zwijnaarde, België,

verzoekster,

advocaat mr. W.E. Pors te Den Haag,

tegen

1 UNILEVER NEDERLAND B.V.,

te Rotterdam,

2. UNILEVER NEDERLAND HOLDINGS B.V.,

te Rotterdam,

3. UNILEVER N.V.,

te Rotterdam,

4. UNILEVER RESEARCH AND DEVELOPMENT VLAARDINGEN B.V.,

te Vlaardingen,

5. UNILEVER VENTURES HOLDINGS B.V.,

te Rotterdam,

6. BAC IP B.V.,

te Naarden,

verweersters,

advocaat mr. R.E. Ebbink te Amsterdam.

is de volgende beschikking gegeven.

Verzoekster zal hierna als Ablynx worden aangeduid en verweersters 1 t/m 6 tezamen als Unilever c.s. (vrouwelijk enkelvoud).

1 Het verzoek en het verweer

1.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 oktober 2018, gegeven op het verzoekschrift van Ablynx van 1 juni 2017, gewezen tussen haar en Unilever c.s. als verweerster, is een voorlopig getuigenverhoor bevolen met benoeming van een rechter-commissaris (hierna ook: r-c). Bij beschikking van de r-c van 11 december 2018 zijn de voorlopig getuigenverhoren bepaald op 18 en 19 februari 2019.

1.2.

Bij faxbericht van 28 januari 2019 heeft de advocaat van de rechtspersoon naar vreemd recht VHsquared Limited, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (hierna: VHsquared), mr. S. Barten, advocaat te Amsterdam, de rechter-commissaris verzocht te bevestigen dat de bepaalde getuigenverhoren geen doorgang vinden, omdat VHsquared bij beroepschrift van 25 januari 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemde beschikkingen.

1.3.

Ablynx maakt hier bij faxbericht van 28 januari 2019 bezwaar tegen. Zij voert aan dat het getuigenverhoor doorgang moet vinden en dat het ingestelde hoger beroep in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen schorsende werking heeft.

1.4.

VHsquared heeft bij faxbericht van 29 januari 2019 hierop gereageerd. Unilever c.s. heeft op 30 januari 2019 desgevraagd laten weten de positie van VHsquared te onderschrijven.

2 De beoordeling

2.1.

Art. 188 lid 2 Rv1 sluit hoger beroep tegen een beschikking op een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor uit voor zover het verzoek wordt toegewezen. Met dit rechtsmiddelenverbod heeft de wetgever willen voorkomen dat men ‘door appèl het snel doen horen van getuigen zou kunnen frustreren’, terwijl bij een dergelijk appel, niemand belang heeft ‘de verzoeker niet, omdat hij zijn verzoek ingewilligd zag, en de tegenpartij of toekomstige tegenpartij niet, omdat een voorlopig getuigenverhoor geen nadeel aan de zaak kan toebrengen.’, aldus de Minister. 2 Het voorlopig getuigenverhoor strekt immers onder meer ertoe het mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd, en te voorkomen dat bewijs verloren gaat.3 De bestaansgrond van art. 188 lid 2 Rv is derhalve gelegen in de spoedeisendheid die doorgaans eigen is aan het voorlopig getuigenverhoor.4 Dit appelverbod kan worden doorbroken voor zover in appel erover wordt geklaagd dat art. 186 Rv door de eerste rechter ten onrechte of met verzuim van essentiële vormen is toegepast, of ten onrechte buiten toepassing is gelaten (de ‘doorbrekingsgronden’).5

2.2.

Stellende (i) dat zij belanghebbende is en ten onrechte niet is opgeroepen om verweer te kunnen voeren op het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en (ii) dat sprake is van doorbrekingsgronden, heeft VHsquared op 25 januari 2019 hoger beroep tegen voornoemde beschikkingen ingesteld.

2.3.

Art. 360 lid 1 Rv bepaalt dat hoger beroep schorsende werking heeft tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De beschikking van 26 oktober is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hetzelfde geldt voor de beschikking van 11 december 2018. Ablynx heeft geen daartoe strekkend verzoek gedaan, ook niet in de periode na het wijzen van de beschikking en vóór het instellen van het hoger beroep.

2.4.

Mr. Pors voert namens Ablynx aan dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft omdat art. 188 lid 2 Rv geen hogere voorziening toelaat en de bepaling van art. 360 lid 1 Rv ‘niet voor deze situatie geschreven [is]’. Daarbij wordt, naar de begrijpt, kennelijk gedoeld op (analoge toepassing van) de uitzonderingsbepaling van art. 360 lid 3 Rv, luidende “Het hoger beroep ingesteld tegen een tussenbeschikking waartegen ingevolge artikel 358, derde lid [bedoeld zal zijn vierde lid, r-c], geen hoger beroep openstaat, schorst de werking niet.” (onderstreping toegevoegd, r-c).

2.5.

De uitzonderingsbepaling van art. 360 lid 3 Rv moet restrictief worden uitgelegd. In de in 1.1 genoemde beschikking van de rechtbank is op het verzochte beslist en is geen enkele (verdere) beslissing omtrent enig verzoek aangehouden, zodat sprake is van een eindbeslissing. Ook in de beschikking van de rechter-commissaris van 11 december 2018 is geen beslissing omtrent enige verzoek aangehouden zodat ook deze moet worden aangemerkt als een eindbeschikking. Op die uitspraken is het bepaalde in art. 358 lid 4 Rv niet van toepassing. De rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht, die mede ten grondslag liggen aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen van Rv, staan eraan in de weg om de hiervoor in 1.1 bedoelde beschikkingen, wat betreft de mogelijkheid van het instellen van rechtsmiddelen daartegen, op één lijn te stellen met een tussenbeschikking.6 Dit brengt mee dat geen ruimte is voor analoge toepassing van art. 360 lid 3 Rv.

2.6.

Het instellen van hoger beroep heeft dan ook schorsende werking ingevolge art. 360 lid 1 Rv. De schorsende werking kan naar het oordeel van de r-c (uitsluitend) op de voet van art. 360 lid 2 Rv door het gerechtshof worden opgeheven (dan wel mogelijk door de voorzieningenrechter in kort geding) door de beschikking van 26 oktober 2018, op verzoek (dan wel vordering) van Ablynx, (alsnog) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.7.

Daaraan doet niet af dat zich – naar Ablynx moet worden nagegeven – in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen, zoals het feit dat VHsquared weliswaar niet vertegenwoordigd door een advocaat, maar wel in de persoon van haar directeur mr. [A] en haar Britse sollicitor, bij de mondelinge behandeling aanwezig was. Dit duidt er op dat zij op de hoogte was van het verzoek van Ablynx, terwijl zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die art. 282 Rv biedt om op dat moment als belanghebbende een verweerschrift in te dienen. Een daartoe strekkend verzoek heeft zij evenmin gedaan. VHsquared heeft vervolgens gewacht tot (vrijwel) de laatst mogelijke dag om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank van 26 oktober 2019. Niet valt dan ook uit te sluiten, naar Ablynx betoogt, dat het hoger beroep is ingesteld met het uitsluitend doel om het horen van getuigen verder te vertragen. Tot slot ligt in het betoog van Ablynx, naar de r-c begrijpt, besloten dat het, gelet op het optreden van VHsquared tijdens de mondelinge behandeling, niet vaststaat dat zij moet worden aangemerkt als een belanghebbende die hoger beroep kan instellen.

2.8.

Nu hoger beroep is ingesteld, staan deze omstandigheden niet ter beoordeling aan de r-c en kunnen deze geen rol spelen in het kader van (de beoordeling van) de schorsende werking. Een oordeel over voornoemde omstandigheiden is voorbehouden aan het gerechtshof bij de belangenafweging in het kader van een mogelijk verzoek op de voet van art. 360 lid 2 Rv en/of bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

2.9.

De slotsom van het voorgaande is dat het voorlopig getuigenverhoor, dat is bepaald voor 18 en 19 februari 2019, wordt geschorst door het hoger beroep. Mr Pors heeft aangekondigd dat Ablynx zich bij een dergelijke uitkomst tot het gerechtshof zal wenden met een verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de in 1.1 genoemde beschikkingen. Om een dergelijke gang niet bij voorbaat zonder betekenis te laten zijn en gelet op het feit dat de getuigen (waaronder buitenlandse getuigen) reeds zijn opgeroepen en de moeite die het heeft gekost om twee opeenvolgende beschikbare zittingsdata te vinden, zal de aanhouding van de getuigenverhoren worden uitgesproken onder de opschortende voorwaarde dat het gerechtshof het door Ablynx ingestelde of in te stellen verzoek afwijst, dan wel dat op uiterlijk 14 februari 2019 geen uitvoerbaar verklaring bij voorraad is uitgesproken. Dit brengt mee dat de getuigenverhoren op de reeds bepaalde data doorgang vinden wanneer het gerechtshof voor of op 14 februari 2019 de genoemde beschikkingen uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Wanneer dit op uiterlijk die datum niet is gebeurd, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek is ingediend, worden de verhoren aangehouden.

3 De beslissing

De rechter-commissaris

3.1.

stelt vast dat het door VHsquared ingestelde hoger beroep schorsende werking heeft,

3.2.

bepaalt dat de op 18 en 19 februari bepaalde getuigenverhoren worden aangehouden onder de in 2.9 weergegeven opschortende voorwaarde,

3.3.

beveelt Ablynx als meest gerede partij om de rechter-commissaris van de voortgang van haar verzoek aan het gerechtshof op de voet van art. 360 lid 2 Rv op de hoogte te houden.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Kokke en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2019.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Kamerstukken II 1950/51, 1585, nr. 9, p. 11, rechter kolom

3 vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:344, r.o. 3.4.5

4 vgl. HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1683, r.o. 3.4.6 en, recentelijk, HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2395, r.o. 3.8.2

5 vgl. o.m. HR 24 maart 1995, NJ 1998/414, Saueressig/Forbo

6 vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2395, r.o. 3.7.2