Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8396

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 932
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1572, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van internationaal verkeer als bedoeld in artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland; geen aftrek elders belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-09-2019
V-N Vandaag 2019/2135
FutD 2019-2561 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/57.2.2
NTFR 2019/2845
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/932 en SGR 19/1153

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2019 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd van € 7.046 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.975, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.845 en een premie-inkomen van € 33.363 en daarnaast € 666 aan belastingrente in rekening gebracht (de aanslag 2014).

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag IB opgelegd van € 0 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.052 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.637 (de aanslag 2015).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 februari 2019 het bezwaar van eiser tegen de aanslag 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard. De aanslag is met € 7.046 verminderd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2019 het bezwaar van eiser tegen de aanslag 2015 ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2019.

Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en was in 2014 en 2015 woonachtig in Nederland.

2. Eiser heeft gedurende de periode 1 april 2014 tot en met 31 december 2015 in loondienst werkzaamheden verricht voor [X] ( [X] ), gevestigd in Zwitserland . Personeel van [X] wordt tewerkgesteld op schepen van de gelieerde vennootschap [vennootschap] . Deze schepen leveren diensten op zee aan onder andere energiemaatschappijen, zoals het leggen van pijpleidingen en het verwijderen van platforms.

3. [vennootschap] heeft zijn hoofdvestiging in Zwitserland en een kantoor in onder andere Nederland. De schepen van [vennootschap] hebben tot 30 september 2015 onder Panamese vlag gevaren en varen vanaf 1 oktober 2015 onder Maltese vlag.

4. De werkzaamheden van eiser vonden gedurende de periode 1 april 2014 tot en met 18 december 2014 plaats aan boord van het schip [schip] (voorheen: [SCHIP Q] ). Het schip [schip] werd in 2014 van de werf in Korea naar Rotterdam gebracht om daar afgebouwd te worden. Op 8 februari 2015 kwam het aan in de [haven] op de [plaats haven] en ging daar voor anker. Op 6 augustus 2016 voer het schip voor het eerst uit voor tests op de [zee] . Op welk schip eiser in de periode
19 december 2014 tot en met 31 december 2015 werkzaam was is niet bekend. Eiser heeft geen werkzaamheden in Zwitserland verricht.

5. Het inkomen van eiser over 2014 en 2015 is niet in Zwitserland in de belastingheffing betrokken.

6. Op 9 oktober 2018 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) over de periode
1 juli 2014 tot en met 30 september 2015 aan eiser ontheffing verleend voor de volksverzekeringen. Omdat eiser gedurende de periode 1 oktober 2015 tot en met
31 december 2015 evenmin verzekerd is voor de volksverzekeringen is hij over de periode
1 juli 2014 tot en met 31 december 2015 geen PVV verschuldigd.

Geschil

7. In geschil is of eiser over 2014 en 2015 recht heeft op een aftrek elders belast voor zijn inkomsten van [X] op basis van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland (het belastingverdrag).

8. Eiser stelt dat het heffingsrecht over zijn inkomen van [X] op basis van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag aan Zwitserland toekomt en dat Nederland daarom aftrek elders belast moet verlenen.

9. Verweerder neemt het standpunt in dat artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag niet van toepassing is op het inkomen van eiser.

Beoordeling van het geschil

10. Op eiser rust de bewijslast de juistheid van zijn standpunt dat zijn inkomen over 2014 en 2015 niet in Nederland is belast aannemelijk te maken.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Hiertoe overweegt zij als volgt. Ter vermijding van dubbele belasting regelt artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag de belastingheffing over de beloning verkregen uit een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd. Om aan artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag toe te komen dient sprake te zijn van internationaal verkeer.

Artikel 3, eerste lid, onder g, van het belastingverdrag bevat de volgende definitiebepaling van het begrip ‘ internationaal verkeer’:

“Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:

(…)

g. betekent de uitdrukking ‘internationaal verkeer’ alle vervoer met een schip of een luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van de werkelijke leiding in een Verdragsluitende Staat is gelegen, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Verdragsluitende Staat zijn gelegen;”.

12. Artikel 3, eerste lid, onder g, van het belastingverdrag komt overeen met artikel
3, eerste lid, onderdeel e, van het OESO-modelverdrag 1992. Uit het commentaar op
artikel 8 van het OESO-Modelverdrag blijkt dat het inkomen verband moet houden met het transport van personen of zaken.

13. Eiser heeft zijn stelling dat ingevolge artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag het heffingsrecht aan Zwitserland toekomt, niet nader toegelicht, maar de rechtbank gaat ervan uit dat eiser bedoelt te stellen dat in zijn geval sprake was van internationaal verkeer. Uit de bij de rechtbank bekende activiteiten van [X] / [vennootschap] in het algemeen, waaronder het leggen van pijpleidingen en het verwijderen van platforms, en die van het schip [schip] in het bijzonder, maakt de rechtbank niet op dat door de schepen waarop eiser te werk was gesteld , tussen staat/haven A en staat/haven B goederen of personen zijn getransporteerd. (Vgl. Rechtbank Breda 29 november 2012 ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2558). Nu eiser geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan moet worden aangenomen dat wel sprake is van internationaal verkeer als bedoeld in artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag, is geen sprake van een situatie waarin op grond van dat artikel het heffingsrecht over het inkomen van eiser aan Zwitserland toekomt.

14. Vorenstaande betekent dat Nederland als woonstaat bevoegd is eisers inkomen uit de werkzaamheden bij [X] in de heffing van de IB te betrekken. Bovendien heeft eiser op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat Zwitserland belasting heeft geheven over zijn inkomen van [X] . Van dubbele belastingheffing is overigens ook niet gebleken.

15. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat eisers beroep niet slaagt.

16. Het beroep van eiser tegen de weigering om een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase toe te kennen slaagt evenmin. Eiser heeft de vrijstellingsbeschikking van de SVB pas na het opleggen van de aanslag 2014 ontvangen, zodat de aanslag ten tijde van het vaststellen op juiste feiten was gebaseerd. Nu er geen sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid bij het vaststellen van het primaire besluit, bestaat geen recht op proceskostenvergoeding in de bezwaarfase.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.A. Kranenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
2 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.