Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8340

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
C/09/553764 / HA ZA 18-607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling GGZ-instelling door curator (moeder van meerderjarige patiënt) op grond van tekortschieten in nakoming verplichtingen behandelovereenkomst dan wel onrechtmatig handelen. Onder meer de vraag of op de instelling een verplichting rust tot informeren en adviseren over juridische mogelijkheden ter bescherming van de patiënt op financieel gebied. Afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0233
NJF 2019/484
PS-Updates.nl 2019-1173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/553764 / HA ZA 18-607

Vonnis van 17 juli 2019

in de zaak van

[de moeder] te [woonplaats] ,

in haar hoedanigheid van curator van haar zoon: [de zoon],

eiseres,

advocaat: mr. S. van der Giesen te Gouda,

tegen

STICHTING RIVIERDUINEN te Leiden,

gedaagde,

advocaat: mr. F. Westenberg te Hoorn.

Eiseres wordt hierna de curator genoemd, haar zoon wordt [de zoon] genoemd, gedaagde wordt Rivierduinen genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 mei 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met productie;

  • -

    het tussenvonnis van 1 augustus 2018 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2019 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld evidente onjuistheden van feitelijke aard schriftelijk aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3. Ten slotte is een (nadere) datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de zoon] , geboren in 1970, staat al circa twintig jaar onder behandeling en begeleiding wegens een schizofrene stoornis met paranoïde wanen. Vanuit zijn waandenkbeelden is [de zoon] ervan overtuigd dat hij zeer rijk is en dat vrouwen hem vanuit het buitenland komen opzoeken. Hij is alleenstaand en woont zelfstandig in [woonplaats] .

2.2.

[de zoon] staat al lange tijd onder psychiatrische behandeling bij Rivierduinen. Hij is daar een aantal keer vrijwillig opgenomen geweest. Eerder is hij gedwongen opgenomen geweest. De laatste jaren is hij bij Rivierduinen behandeld door onder meer de heer [de psychiater 1] (hierna: [de psychiater 1] ), psychiater (tevens de zogenoemde regiebehandelaar). Maatschappelijk werkster van [de zoon] was, vanaf maart 2015, mevrouw [de maatschappelijk werkster] (hierna: [de maatschappelijk werkster] ). Casemanager van [de zoon] is mevrouw [de casemanager] (hierna: [de casemanager] ), psychiatrisch verpleegkundige. [de maatschappelijk werkster] en [de casemanager] zijn in dienst van Rivierduinen.

2.3.

Eind mei 2016 bleek dat [de zoon] een bedrag van € 900,-- wilde overmaken naar een vrouw in Siberië waar hij via internet (een datingsite) contact mee had. [de casemanager] heeft dit aan zijn moeder, [de moeder] , hierna: [de moeder] , laten weten, waarna [de moeder] geld van de rekening van [de zoon] – waar zij (mede) de beschikking over had – heeft doen afschrijven om te voorkomen dat [de zoon] het geld naar deze vrouw kon overmaken.

2.4.

Op 26 september 2016 heeft [de moeder] telefonisch contact opgenomen met [de casemanager] en [de maatschappelijk werkster] omdat zij daags ervoor had ontdekt dat [de zoon] circa

€ 8.000,-- had overgemaakt naar (een) buitenlandse vrouw(en), als gevolg waarvan hij rood stond bij de bank. Diezelfde dag heeft [de casemanager] samen met een collega een huisbezoek aan [de zoon] gebracht. [de casemanager] heeft na dit bezoek telefonisch contact met [de moeder] opgenomen en aangegeven hoe het huisbezoek is verlopen. In het medisch dossier van [de zoon] (pagina 77) is over dit telefonisch contact onder meer het volgende opgenomen:

“Moeder vraagt of dhr niet opgenomen kan worden, aangegeven dat dit niet mogelijk is (dhr is (nog) geen gevaar voor zichzelf en/of anderen), daarnaast staat dhr contact toe, woning ziet er netjes uit etc.”

2.5.

Op 27 september 2016 heeft [de moeder] een bezoek aan [de maatschappelijk werkster] gebracht omdat zij [de zoon] onder bewind wilde doen stellen. [de maatschappelijk werkster] heeft toen de benodigde formulieren voor het indienen van een verzoek tot onderbewindstelling gedownload en aan [de moeder] overhandigd.

2.6.

Op 3 oktober 2016 heeft [de moeder] , op grond van artikel 1:431 lid 1 onder a BW, een verzoek tot onderbewindstelling van [de zoon] ingediend bij de kantonrechter van deze rechtbank (zittingsplaats Gouda). De kantonrechter heeft [de moeder] vervolgens verzocht om een medische verklaring over te leggen, waaruit blijkt dat de onderbewindstelling noodzakelijk is.

2.7.

Op 5 oktober 2016 heeft [de moeder] Rivierduinen laten weten dat [de zoon] naar [plaats] is vertrokken. [de moeder] heeft Rivierduinen toen om medewerking gevraagd ten aanzien van de door de kantonrechter gevraagde medische verklaring ter ondersteuning van het verzoek tot onderbewindstelling. Een dag later is [de zoon] teruggekeerd uit [plaats] , waarna [de casemanager] hem thuis heeft bezocht. [de casemanager] heeft [de moeder] telefonisch over dit bezoek geïnformeerd. Hierover is in het medisch dossier van [de zoon] (pagina 74), voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Moeder vraagt wat de GGZ nu voor stappen gaat ondernemen. Aangegeven dat we niet veel kunnen doen; dhr is geen gevaar voor zichzelf of anderen, ook is er (nog) geen maatschappelijke teloorgang. Moeder wil graag dat er actie wordt ondernomen, (…). Momenteel kan er geen medische verklaring worden gegeven aan moeder, dhr gaat niet akkoord met bewindvoering.”

2.8.

[de moeder] heeft vervolgens diverse e-mails naar [de maatschappelijk werkster] gestuurd, waarin zij haar zorgen met betrekking tot [de zoon] heeft geuit. Op 10 oktober 2016 heeft [de maatschappelijk werkster] aan [de moeder] laten weten dat niet aan haar hulpverzoeken kan worden voldaan.

2.9.

Op 18 oktober 2016 heeft [de moeder] in een gesprek met de ING vernomen dat [de zoon] op 12 oktober 2016 zijn woning heeft verkocht voor een bedrag van
€ 122.500,--. De woning was in 2008 aangekocht voor een bedrag van € 195.000,--. [de zoon] had van de reeds van de koper ontvangen aanbetaling van € 22.500,-- een bedrag van € 19.500,-- overgemaakt naar een Nigeriaanse bankrekening. De omschrijving bij deze betaling was: “ […] ”.

2.10.

[de moeder] heeft [de casemanager] en [de maatschappelijk werkster] over de mededelingen van de ING geïnformeerd en om hulp gevraagd in de vorm van een – aan de ING te overleggen – medische verklaring van Rivierduinen waaruit blijkt dat [de zoon] niet in staat is de gevolgen van zijn financiële transacties te overzien.

2.11.

Op 20 oktober 2016 heeft [de psychiater 1] , samen met [de casemanager] en [de maatschappelijk werkster] , een huisbezoek gebracht aan [de zoon] teneinde de wilsbekwaamheid van [de zoon] ter zake van onder meer zijn beslissingen ten aanzien van de verkoop van zijn woning en de hieraan verbonden financiële transacties te beoordelen. Hierover heeft [de psychiater 1] in het medisch dossier van [de zoon] (pagina 65/66) onder meer het volgende genoteerd:

Momentane toestand

(…)

Ik ( en de anderen) vonden het erg lastig om tot een oordeel te komen daar de kans dat [de zoon] zijn geld kwijt geraakt door ons groot wordt geacht gezien de kranten en media berichten daarover en ik kwam tot het oordeel dat het me erg onverstandig lijkt,maar dat hij ondanks de chronische waan wel tav deze beslissingen wel wilsbekwaam is (hij heeft ook over het “worst case” scenario en de eventuele gevolgen nagedacht en zegt daar geld voor apart te houden )

Een tweede beoordeling is dan maw zorgvuldig en zeer wenselijk

Rapportage algemeen

Ik overleg met mijn collega’s en [A] geneesheer directeur tav wat verstandig is in deze toch ingewikkelde kwestie ; oa Kantonrechter tbv Beewindvoering/Curatorschap /2de Wilsbekwamheids toetsing/BOPZ”

2.12.

Op 21 oktober 2016 heeft de heer [A] (hierna: [A] ), waarnemend geneesheer-directeur van Rivierduinen, contact opgenomen met [de moeder] en haar geadviseerd om een verzoek tot ondercuratelestelling aan de rechtbank te doen.

2.13.

[de moeder] heeft op 22 oktober 2016 juridisch advies ingewonnen bij

mr. Karstanje, advocaat te Gouda, die haar heeft gewezen op de mogelijkheid van een spoedvoorziening. Nog diezelfde dag heeft [de moeder] aan de kantonrechter verzocht om [de zoon] provisioneel onder bewind te stellen en onder curatele te stellen.

2.14.

Op 24 oktober 2016 heeft psychiater [de psychiater 2] (hierna: [de psychiater 2] ), in het kader van een second opinion, met [de zoon] gesproken om zijn wilsbekwaamheid te beoordelen. [de psychiater 2] kon op basis van een eenmalig consult echter niet tot een conclusie komen en heeft [A] gevraagd hierin verdere stappen te nemen.

2.15.

Op 1 november 2016 heeft de kantonrechter te Gouda het door [de moeder] ingediende verzoek ter zitting behandeld. Per diezelfde datum heeft de kantonrechter bij beschikking een provisioneel bewind ingesteld met betrekking tot [de zoon] . Bij opvolgende beschikking van 15 november 2016 is dit provisioneel bewind opgeheven nadat de kantonrechter een huisbezoek aan [de zoon] heeft gebracht. [de zoon] is bij diezelfde beschikking onder curatele gesteld waarbij [de moeder] tot curator is benoemd.

2.16.

De curator heeft, met hulp van een advocaat, de verkoop van de woning van [de zoon] kunnen terugdraaien. De curator heeft de koper in verband hiermee, namens [de zoon] , een bedrag van ruim € 24.000,-- terugbetaald (het aanbetaalde bedrag, vermeerderd met notaris- en advocaatkosten).

2.17.

Mr. Van der Giesen heeft namens [de moeder] in haar hoedanigheid van zowel moeder van [de zoon] als curator, op 28 juli 2017 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van Rivierduinen met betrekking tot het handelen en nalaten van Rivierduinen ten aanzien van [de zoon] in de periode van september 2016 tot en met november 2016. Bij beslissing van 26 oktober 2017 van de klachtencommissie is de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert bij vonnis:

a. te verklaren voor recht dat Rivierduinen in de periode van 26 september 2016 tot

1 november 2016 is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst met [de zoon] althans onrechtmatig jegens [de zoon] heeft gehandeld;

te verklaren voor recht dat Rivierduinen jegens [de zoon] aansprakelijk is voor de schade die uit het onder a bedoelde handelen is voortgevloeid;

Rivierduinen te veroordelen tot betaling aan de curator ten behoeve van [de zoon] , binnen twee dagen na het te wijzen vonnis, van (a) een bedrag van € 27.500,-- ten titel van (voorschot op de) schadevergoeding, (b) een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag voor door de curator gemaakte kosten en (c) een bedrag van € 1.028,50 althans € 143,-- ten titel van buitengerechtelijke incassokosten, en voorts Rivierduinen te veroordelen tot vergoeding van de overige schade, nader op te maken bij staat;

Rivierduinen te veroordelen in de proceskosten;

met uitvoerbaarverklaring bij voorraad ten aanzien van het onder c en d gevorderde.

3.2.

De curator legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Rivierduinen jegens [de zoon] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de tussen haar en [de zoon] gesloten behandelovereenkomst althans onrechtmatig jegens [de zoon] heeft gehandeld. Zij stelt hiertoe dat Rivierduinen in de periode van 26 september 2016 tot 1 november 2016 op meerdere momenten en op meerdere manieren heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener onder vergelijkbare omstandigheden mocht worden verwacht.

Als gevolg van het verwijtbaar handelen van Rivierduinen heeft [de zoon] schade geleden, voor welke schade Rivierduinen aansprakelijk is.

3.3.

In de eerste plaats verwijt de curator Rivierduinen dat zij [de moeder] ten onrechte niet deugdelijk en niet tijdig heeft geadviseerd omtrent de mogelijkheid (met spoed) een beschermingsmaatregel ten behoeve van [de zoon] aan te vragen. Evenmin heeft Rivierduinen haar tijdig doorverwezen naar een juridisch deskundige (hierna: verwijt I; onvoldoende informatie en onjuist en te laat advies). In de tweede plaats verwijt de curator Rivierduinen dat zij [de zoon] onvoldoende intensief heeft begeleid in de maanden voorafgaand aan de in dezen relevante periode en onvoldoende zicht en controle heeft gehouden op het feit dat hij weer terugviel in oude wanen en patronen (verwijt II: onvoldoende begeleiding en zicht en controle). In de derde plaats verwijt de curator Rivierduinen dat zij ten onrechte heeft geweigerd een verklaring te verstrekken waaruit blijkt dat [de zoon] in de bewuste periode niet in staat was om zijn wil te bepalen voor wat betreft financiële handelingen in het algemeen dan wel voor wat betreft de financiële transacties die hij concreet in de bewuste periode had gedaan. Bij de weging van gebeurtenissen in september en oktober 2016, in relatie tot het ziektebeeld zoals dit al jarenlang bij [de zoon] bestond en bij Rivierduinen bekend was, althans behoorde te zijn, had volgens de curator geen andere conclusie kunnen worden getrokken dan dat [de zoon] de consequenties van zijn financiële acties niet kon overzien (verwijt III: onjuiste diagnose).

3.4.

Rivierduinen voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de curator partij is in deze procedure. [de moeder] , de moeder van [de zoon] , procedeert niet voor zichzelf. De verwijten die de curator Rivierduinen maakt en de stellingen die zij in dit verband betrekt, wekken evenwel de suggestie dat [de moeder] in de eerste plaats meent dat Rivierduinen tegenover haar, als naaste betrokkene, rechtens verwijtbaar heeft gehandeld. Dat is echter, gelet op de procespartijen in deze procedure en het petitum van de dagvaarding, niet de juridische vraag die de rechtbank moet beantwoorden. Aan de orde is of Rivierduinen tegenover [de zoon] (en niet tegenover [de moeder] als ouder) verplichtingen heeft geschonden die uit hoofde van de geneeskundige behandelingsovereenkomst dan wel de wet of het ongeschreven recht op Rivierduinen rusten. Hierna zullen de drie verwijten ter zake van de beroepsfouten die de behandelaren van [de zoon] volgens de curator hebben gemaakt achtereenvolgens worden besproken.

Verwijt I: onvoldoende informatie en onjuist en te laat advies

4.2.

De curator stelt dat [de moeder] onvoldoende is geïnformeerd en onjuist en te laat is geadviseerd over de juridische mogelijkheden ter bescherming van het vermogen van [de zoon] .

4.3.

Tot 1 november 2016 had [de moeder] de status van ouder van [de zoon] zonder wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid, vanaf die datum was zij provisioneel bewindvoerder en vanaf 15 november 2016 is zij curator.

4.4.

Rivierduinen heeft tegenover [de zoon] geen rechtsplicht om [de moeder] , als ouder van een meerderjarige (en daarmee in beginsel wils- en handelingsbekwame) patiënt die bij een van haar artsen in behandeling is, te informeren en te adviseren in de door de curator gestelde zin. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.5.

De geneeskundige behandelingsovereenkomst verplicht de hulpverlener (Rivierduinen en/of [de psychiater 1] ) tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst (artikel 7:446 BW). Op grond van de wet rust op de hulpverlener in dat kader onder meer de verplichting de patiënt inlichtingen te verstrekken (artikel 7:448 BW) en moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij in overeenstemming handelen met de verantwoordelijkheid die voor hem voortvloeit uit de professionele standaard (artikel 7:453 BW).

4.6.

De geneeskundige behandelingsovereenkomst verbindt de hulpverlener niet tot het geven van inlichtingen of advies op gebieden die gelegen zijn buiten de geneeskunst, niet tegenover de patiënt noch tegenover een ouder. Weliswaar moet de hulpverlener in het geval van een meerderjarige wilsonbekwame (‘een meerderjarige patiënt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen’) zonder mentor of curator zijn verplichtingen uit hoofde van de geneeskundige behandelingsovereenkomst tegenover verschillende personen, waaronder een ouder, nakomen (artikel 7:465 BW), een en ander laat onverlet dat die verplichtingen betrekking hebben op geneeskundige handelingen en niet op andere gebieden, zoals de bescherming van de patiënt op financieel gebied.

4.7.

Voor zover Rivierduinen aan [de zoon] zorg verleent buiten het kader van een geneeskundige behandeling – zoals de zorg die [de maatschappelijk werkster] als maatschappelijk werkster en [de casemanager] als casemanager verlenen – is geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Daargelaten op welke rechtsgrond die zorg wordt verleend (de wet (bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015), een “gewone” overeenkomst van opdracht of een anders te kwalificeren overeenkomst), heeft de curator geen feiten gesteld, terwijl die feiten ook niet zijn gebleken, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat Rivierduinen in dit geval een wettelijke of contractuele verplichting tegenover [de zoon] heeft geschonden zoals de curator stelt.

4.8.

De curator heeft verder geen concrete ongeschreven zorgvuldigheidsnorm ten opzichte van [de zoon] gesteld die Rivierduinen en/of haar behandelaren dwingt tot het informeren en adviseren van [de moeder] in de bedoelde zin. Van schending van een dergelijke norm kan daarom evenmin sprake zijn.

4.9.

De rechtbank overweegt ter nadere toelichting als volgt. De vermogensrechtelijke bescherming van een meerderjarige die niet in staat is zijn belangen op dat gebied waar te nemen, valt niet onder het bereik van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Die bescherming kan worden geboden door middel van een op verzoek van – kort gezegd – een naaste of een verzorgende of begeleidende instelling door de kantonrechter te benoemen curator of bewindvoerder.

4.10.

Een meerderjarige kan onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt, als gevolg van onder meer zijn geestelijke toestand (artikel 1:378 lid 1 BW). Dit is de meest verstrekkende burgerrechtelijke maatregel waardoor de belangen – materiële én immateriële – van een meerderjarige kunnen worden beschermd. Vanaf de dag dat de curatele is uitgesproken, is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten voor zover de wet niet anders bepaalt (artikel 1:381 lid 2 BW). Minder verstrekkend is het beschermingsbewind, dat kan worden ingesteld indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van onder meer zijn geestelijke toestand of verkwisting (artikel 1:431 lid 1 BW). Het beschermingsbewind maakt de rechthebbende onbevoegd tot het beheer van de onder bewind staande goederen.

4.11.

Blijkens de wet kan en moet een verzoek tot het instellen van de beide maatregelen in de eerste plaats door de naasten van de patiënt (waaronder een ouder) worden gedaan. Een verzorgende of begeleidende instelling van de meerderjarige (zoals Rivierduinen) kan een verzoek tot ondercuratelestelling of onderbewindstelling eveneens indienen (artikel 1:379 BW en artikel 1:432 leden 1 en 2 BW), maar daarbij moet in het verzoekschrift worden opgenomen waarom de naasten geen verzoek hebben ingediend.

4.12.

In de wetsgeschiedenis is ter toelichting op de mogelijkheid van indiening van een verzoek door een verzorgende of begeleidende instelling het volgende vermeld: “De bevoegdheid van de instelling die begeleiding biedt kan bijvoorbeeld van belang zijn in de situatie waarin de betrokken persoon niet in een instelling verblijft, en er geen familie is, dan wel dat deze geen verzoek indient. Het moet gaan om een instelling die bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of – in de toekomst – de Wet maatschappelijke ondersteuning aan de betrokkene begeleiding biedt gericht op het behouden van structuur in en regie over het dagelijks leven. Achterliggende gedachte van het geven van de bevoegdheid tot het verzoeken van onderbewindstellingen aan instellingen waar de betrokkene wordt verzorgd is dat dergelijke instellingen, bij afwezigheid of niet optreden van een partner of familieleden, in ieder geval wel omgang en contact met de betrokkene hebben en daarom in staat worden geacht in te kunnen schatten of de betrokkene een bewindvoerder, mentor of curator nodig heeft. Aangezien veel personen die hulpbehoevend zijn thuis blijven wonen en in de eigen omgeving worden verzorgd, verpleegd of behandeld, wordt de bevoegdheid ook toegekend aan instellingen die aan de betrokkene begeleiding bieden met betrekking tot structuur in en regie over het eigen leven.” (Kamerstukken II, 2011/2012, 33054, nr. 3, p. 7)

4.13.

De wetgever heeft, met andere woorden, de mogelijkheden van het indienen van een verzoek tot ondercuratelestelling of onderbewindstelling door een verzorgende of een begeleidende instelling als vangnet gezien in die gevallen dat er geen naasten zijn of die naasten geen verzoek indienen terwijl daar wel reden voor is.

4.14.

Een rechtsplicht tegenover de meerderjarige om in de situatie dat er wél naasten zijn, zoals in dit geval ( [de moeder] als ouder), deze naasten te informeren of te adviseren over het indienen van een verzoek, is er evenwel niet. Hiermee zou de desbetreffende instelling een verantwoordelijkheid krijgen die zij niet heeft. Het is immers vanuit juridisch perspectief de taak van die instelling om zorg en (maatschappelijke) ondersteuning aan de meerderjarige te bieden, niet aan diens naasten. Een dergelijke rechtsplicht zou op gespannen voet staan met het zelfbeschikkingsrecht van de meerderjarige en de behandelrelatie tussen de (behandelaars van de) instelling en de meerderjarige.

4.15.

Hoogstens is denkbaar dat in het geval de zorg- of begeleidende instelling op basis van haar bekende feiten en omstandigheden meent dat een dergelijk verzoek moet worden ingediend, en naasten laten dit na, onder omstandigheden sprake is van onrechtmatig nalaten tegenover de meerderjarige omdat de instelling niet zelf een verzoek heeft ingediend. Een dergelijk onrechtmatig nalaten wordt Rivierduinen echter niet verweten en is overigens ook niet aan de orde (zie hierna).

4.16.

Het vorenstaande laat onverlet dat het verstandig kan zijn dat de behandelaars van de meerderjarige ter bevordering van een optimaal verloop van de zorgverlening en begeleiding nauw contact onderhouden met naasten en hen onder omstandigheden – rechtens onverplicht en met inachtneming van het zelfbeschikkingsrecht van de meerderjarige en passend in de behandelrelatie – wijzen op de mogelijkheden om een verzoek om ondercuratelestelling of onderbewindstelling in te dienen.

4.17.

In dit geval had [de moeder] , sinds lange tijd, naar aanleiding van gebeurtenissen uit het verleden waarbij [de zoon] grote sommen geld had overgemaakt aan derden, de bankpas van [de zoon] onder zich en (mede) de beschikking over zijn bankrekening. Feitelijk beheerde zij mede zijn financiën. Deze praktijk heeft toen gewerkt en [de moeder] heeft geen aanleiding gezien om de rechter eerder om een beschermingsmaatregel te verzoeken.

4.18.

In mei 2016, toen [de zoon] voornemens was geld over te maken naar een vrouw in Siberië, heeft [de casemanager] [de moeder] over dat voornemen geïnformeerd. [de maatschappelijk werkster] heeft daarnaast, toen [de moeder] daarom in september 2016 vroeg, de benodigde formulieren voor het indienen van een verzoek om onderbewindstelling gedownload en aan haar overhandigd. [de maatschappelijk werkster] is [de moeder] hiermee binnen haar taak en mogelijkheden als maatschappelijk werkster ter wille geweest. Niet kan evenwel Rivierduinen als onrechtmatig worden verweten dat [de casemanager] en [de maatschappelijk werkster] [de moeder] onvoldoende hebben geïnformeerd of geadviseerd doordat zij haar niet gewezen hebben op de mogelijkheid om een verzoek tot ondercuratelestelling in te dienen en om in afwachting van een beslissing op een verzoek om een ondercuratelestelling een spoedvoorziening aan te vragen (provisioneel bewind). Daartoe had [de moeder] zelf, desgewenst, juridisch advies moeten inwinnen.

Verwijt II: onvoldoende begeleiding en zicht en controle

4.19.

De curator heeft in het kader van haar verwijt aan [de psychiater 1] gesteld dat Rivierduinen [de zoon] in de bewuste periode onvoldoende heeft begeleid, hetgeen Rivierduinen heeft betwist aan de hand van het medisch dossier van [de zoon] .

4.20.

De stelling van de curator wordt niet door het medisch dossier ondersteund. Daaruit blijkt immers dat wekelijks huisbezoeken aan [de zoon] zijn afgelegd, waarbij steeds in het oog is gehouden of reden bestond voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz), zie hiervoor onder 2.4 en 2.7. Dit zoals [de moeder] ook wenste.

4.21.

Daarbij geldt dat het ook een verplichting is van Rivierduinen om voor patiënten die buiten de instelling verblijven en worden behandeld in de gaten te houden of er redenen zijn voor een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz. Dit op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de Wet Bopz. Voor het in gang zetten van een procedure tot het verzoeken om een dergelijke rechterlijke machtiging is aanleiding wanneer de stoornis van de geestvermogens van een patiënt gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Als die situatie zich voordoet, moet na onderzoek door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken is of de geneesheer-directeur van Rivierduinen door de Officier van Justitie een verzoek tot een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz worden gedaan. Zoals blijkt uit het vorenstaande, is het echter niet in de eerste plaats aan Rivierduinen om te bezien of een verzoek tot ondercuratelestelling of onderbewindstelling moet worden ingediend.

4.22.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat, anders dan de curator stelt, ook [X] (waarnemer van [de psychiater 1] en voormalig behandelaar van [de zoon] ) in de situatie van [de zoon] is gekend. Zie pagina 72 van het medisch dossier van [de zoon] , waaruit blijkt dat [X] door zowel [de maatschappelijk werkster] (op 10 oktober 2016) als door teamcoördinator [teamcoördinator] (op 12 oktober 2016) is geïnformeerd. Het is op zichzelf juist, zoals de curator stelt, dat [X] niet zelf bij [de zoon] op bezoek is geweest, maar [de psychiater 1] heeft wel zelf op 20 oktober 2016, direct na afloop van zijn afwezigheid en slechts twee dagen nadat het [de moeder] was gebleken dat [de zoon] zijn woning had verkocht, een huisbezoek aan [de zoon] gebracht. Vervolgens heeft op 24 oktober 2016 nog een second opinion plaatsgevonden door [de psychiater 2] (zie onder 2.14), omdat het oordeel van [de psychiater 1] afweek van de stellige mening van [de moeder] .

4.23.

Niet kan derhalve worden geconcludeerd dat Rivierduinen [de zoon] in de betreffende periode onvoldoende intensief heeft begeleid en onvoldoende zicht en controle heeft uitgeoefend.

Verwijt III: onjuiste diagnose

4.24.

Tot slot is aan de orde de stelling van de curator dat [de psychiater 1] ten aanzien van het niet verstrekken van de door [de moeder] gewenste geneeskundige verklaring (inhoudende dat [de zoon] wilsonbekwaam was) rechtens een verwijt kan worden gemaakt.

4.25.

De rechtbank stelt voorop dat [de moeder] destijds om een onderbewindstelling heeft verzocht op grond van artikel 1:431 lid 1 onder a BW, namelijk op de grond dat hij vanwege zijn geestelijke toestand niet in staat was ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. De wet vereist voor het instellen van een meerderjarigenbewind geen deskundigenverklaring en de rechter is niet gehouden ambtshalve een deskundigenbericht in te winnen. In de toelichting op het aanvraagformulier wordt wel gevraagd om zo mogelijk een verklaring van een deskundige als bijlage mee te sturen waaruit kan worden opgemaakt dat de toestand van de rechthebbende zodanig is dat onderbewindstelling noodzakelijk is. Gelet op het doel van een onderbewindstelling, gaat het hier, anders dan [de moeder] destijds wilde, evenwel niet om een verklaring waaruit de wilsonbekwaamheid van de rechthebbende blijkt.

4.26.

Uitgaande evenwel van de noodzaak van een geneeskundige verklaring voor de onderbewindstelling en de wens van [de moeder] om een verklaring dat [de zoon] wilsonbekwaam was, geldt dat het behandelend artsen wordt afgeraden een dergelijke verklaring af te geven. De noodzakelijke of gewenste verklaring had [de moeder] dan ook in beginsel niet van [de psychiater 1] als behandelend arts kunnen verkrijgen. Daartoe moest een niet-behandelaar ingeschakeld worden. Dit temeer nu [de zoon] zich tegen enige maatregel verzette.

4.27.

De rechtbank wijst in dit verband op de KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens”, waarin het volgende is opgenomen: “Mede op basis van tuchtrechtelijke uitspraken wordt het afgeven van geneeskundige verklaringen door de behandelend arts afgeraden. De reden daarvoor is, dat het bij zo’n verklaring vaak om een belang van de patiënt gaat, dat buiten de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de arts ligt en een ander doel dient dan de behandeling of begeleiding. Ook is de arts veelal niet op de hoogte van de medische criteria waaraan de instantie die de verklaring nodig heeft, de verklaring toetst. Bovendien is de kans groot dat de vertrouwensrelatie tussen de behandelend arts en de patiënt in gevaar komt. Immers, zulke verklaringen worden nogal eens opgesteld op basis van ‘indrukken’ van de arts of patiënt en niet op basis van medisch-inhoudelijke argumenten. De behandelrelatie tussen arts en patiënt dient vrij te blijven van belangenconflicten, die mogelijk kunnen spelen bij het al dan niet afgeven van een geneeskundige verklaring.”

4.28.

[de psychiater 1] heeft niettemin de geestelijke toestand van [de zoon] tijdens het huisbezoek op 20 oktober 2016 beoordeeld. Hij oordeelde [de zoon] wilsbekwaam en achtte een tweede beoordeling zorgvuldig en zeer wenselijk. [de psychiater 1] zou met collega’s en geneesheer-directeur overleggen over wat verstandig is, welk overleg breder zou zijn dan alleen de vraag of [de zoon] wilsbekwaam was (zie 2.11, onder “Momentane toestand” en “Rapportage algemeen”: “Ik overleg met mijn collega’s en [A] geneesheer directeur tav wat verstandig is in deze toch ingewikkelde kwestie ; oa Kantonrechter tbv Bewindvoering/Curatorschap /2de Wilsbekwamheids toetsing/BOPZ”.

4.29.

Die aanpak van [de psychiater 1] is in overeenstemming met de vigerende professionele standaard. Of [de psychiater 1] al dan niet op juiste medische gronden op 20 oktober 2016 tot de conclusie is gekomen dat [de zoon] wilsbekwaam is, doet gezien het vorenstaande derhalve niet ter zake. Hij heeft op goede gronden besloten dat een tweede beoordeling verstandig was en overleg moest worden gevoerd.

4.30.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat [de psychiater 1] op basis van zijn medische expertise niet in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat [de zoon] wilsbekwaam was. Het uitgangspunt van [de psychiater 1] was dat de beoordeling van wilsbekwaamheid zich primair dient te richten op het besluitvormingsvermogen van de patiënt en niet op de uitkomst daarvan. Niet is bestreden dat dit uitgangspunt onjuist is. De redenering van [de psychiater 1] is verder concludent. De rechtbank verenigt zich op dit punt derhalve met het oordeel van de klachtencommissie zoals opgenomen op pagina 8 en 9 van de beslissing van 26 oktober 2017. Dat de kantonrechter het (gewijzigde) verzoek van [de moeder] uiteindelijk, na [de zoon] gesproken te hebben, zonder onafhankelijk medisch oordeel heeft toegewezen, doet aan het voorgaande niet af.

4.31.

Overigens geldt verder nog het volgende. Zelfs al zou ervan worden uitgegaan dat [de psychiater 1] onder de gegeven omstandigheden niet tot de conclusie wilsbekwaamheid had kunnen komen, staat vast dat de schade die [de zoon] volgens de curator heeft geleden al ontstaan is vóór 20 oktober 2016. Het causale verband tussen de gestelde fout van [de psychiater 1] (onjuiste diagnose) en de gestelde schade ontbreekt derhalve. Ook hierom kan dit verwijt van de curator niet tot aansprakelijkheid van Rivierduinen tegenover [de zoon] leiden.

Slotsom en proceskosten
4.32. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Rivierduinen niet tekort is geschoten in enige verplichting tegenover [de zoon] op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, noch onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De vorderingen van [de moeder] zullen dan ook worden afgewezen. Gelet hierop behoeft de (omvang van de) schade geen bespreking.

4.33.

[de moeder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van Rivierduinen tot op heden op een bedrag van € 3.340,-- in totaal (€ 1.950,-- aan griffierecht en € 1.390,-- aan forfaitair salaris advocaat, uitgaande van 2 punten x tarief III ad € 695,--).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van de curator af;

5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Rivierduinen tot op heden begroot op € 3.340,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.1

1 type: 2163