Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8311

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2009
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1768, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bezwaar gericht tegen aanslagen IB/PVV en Zvw is terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Geen sprake van een prematuur bezwaarschrift.

Voor wat betreft de vergrijpboete rust op verweerder een verzwaarde bewijslast ten aanzien van de ontvangst van de boetebeschikking. Daarin is verweerder niet geslaagd en daarom is er geen grond voor het niet-ontvankelijk verklaren van dat bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-11-2019
V-N Vandaag 2019/2452
FutD 2019-2913
V-N 2019/59.2.8
NTFR 2019/3094
NLF 2019/2558 met annotatie van
NLF 2019/2558 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/2009

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Charité),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 19 februari 2019 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2013 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), de daarbij gegeven beschikking belastingrente en de daarbij bij beschikking opgelegde vergrijpboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B]

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de vergrijpboete en ongegrond voor het overige;

  • -

    vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart eiser ten aanzien van de vergrijpboete ontvankelijk in zijn bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024;

  • -

    draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 47 aan hem te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser had van 9 augustus 2011 tot en met 1 september 2013 een eenmanszaak.

2. Verweerder heeft een boekenonderzoek ingesteld bij eiser. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn opgenomen in een voorlopig controlerapport dat is gedateerd op 11 maart 2015. In het voorlopig controlerapport staat dat er afgeweken zou worden van de aangifte IB/PVV 2013. Ook staat in het voorlopig controlerapport dat er een vergrijpboete aan eiser zou worden opgelegd. Verweerder heeft eiser twee weken gegeven om te reageren op de bevindingen.

3. Bij brief van 1 april 2015 heeft de boekhouder van eiser gereageerd op de bevindingen in het controlerapport. Op 29 juli 2015 heeft zijn boekhouder bezwaren ingediend tegen verschillende aanslagen. Bij brief van 23 september 2015 heeft verweerder aangegeven dat er afgeweken zou gaan worden van de aangifte IB/PVV 2013.

4. Op 17 juli 2018 heeft eiser een nadere aangifte IB/PVV 2013 ingediend die verweerder heeft aangemerkt als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2013. Eiser heeft op 27 september 2018 een aanvullend bezwaarschrift ingediend tegen aanslag IB/PVV 2013. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.

5. In geschil is of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. Eiser stelt primair dat hij vanwege het controlerapport er redelijkerwijs van uit kon gaan dat de besluiten al tot stand waren gekomen. De brief van 1 april 2015 en de bezwaren die zijn boekhouder heeft ingediend op 29 juli 2015 zijn daarom op grond van artikel 6:10 Awb ontvankelijk. Secundair stelt eiser dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser voert aan dat hij de aanslagen en de boetebeschikking niet ontvangen heeft, omdat hij vanaf juli 2015 gedetineerd was en het niet zeker is dat hij door de gevangenisdirecteur is ingeschreven in Basisregistratie Personen (Brp) op het adres van de strafinrichting. Mocht hij niet zijn ingeschreven, dan werd de post bezorgd op zijn voormalige adres, waar op dat moment zijn rancuneuze ex-partner woonde, die waarschijnlijk de post niet aan hem doorgaf. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder zijn boekhouder ten onrechte niet heeft aangemerkt als gemachtigde en de besluiten ten onrechte niet naar hem heeft verzonden.

7. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat zowel de brief van 1 april 2015 als de bezwaren van 29 juli 2015 niet als premature bezwaarschriften aangemerkt kunnen worden. Ten aanzien van de verschoonbare termijnoverschrijding voert verweerder aan dat eiser volgens de Brp op zijn oude adres ingeschreven was en dat het aan hem te wijten is dat hij de aanslagen en boetebeschikking niet heeft ontvangen. Verder voert verweerder aan dat er geen aanknopingspunt was om de boekhouder van eiser als gemachtigde van eiser aan te merken.

Voortijdig ingediend bezwaar

8. Ingevolge artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

9. Ten aanzien van de brief van de boekhouder van 1 april 2015 overweegt de rechtbank als volgt. In het voorlopig controlerapport heeft verweerder gevraagd om een reactie van eiser op de bevindingen in het controlerapport. Dit enkele feit kan redelijkerwijs niet bij eiser de indruk hebben gewekt dat de belastingaanslagen en de vergrijpboete al zijn opgelegd (Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5038). De reactie van 1 april 2015 kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als een ontvankelijk voortijdig ingediend bezwaar.

10. Ten aanzien van de bezwaren van 29 juli 2015 is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze niet aangemerkt kunnen worden als ontvankelijk voortijdig ingediend bezwaar. Er waren geen feiten of omstandigheden op dat moment die redelijkerwijs de indruk hebben gewekt dat de belastingaanslagen en de vergrijpboete al opgelegd zouden zijn.

11. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de aanslag. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door verweerder is ontvangen. Als het bezwaarschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door verweerder is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb.

Verschoonbare termijnoverschrijding

12. De aanslagen IB/PVV 2013 en Zvw 2013 en de vergrijpboete zijn volgens de dagtekening op de aanslagen en de boetebeschikking opgelegd op 14 oktober 2015. De termijn voor het indienen van een bezwaar eindigde dus op 25 november 2015. De herziene aangifte en het aanvullend bezwaarschrift, die respectievelijk op 17 juli 2018 en 27 september 2018 zijn ontvangen door verweerder, zijn dus in beginsel buiten de bezwaartermijn ingediend.

13. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener ervan in verzuim is geweest. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2013 ligt de bewijslast bij eiser om aannemelijk te maken dat hem geen verwijt treft. De rechtbank overweegt dat op grond van de door eiser zelf gestelde omstandigheden redelijkerwijs aannemelijk is te achten dat de betwiste aanslagen wel zijn verzonden aan het bij verweerder bekende adres van eiser. De omstandigheid dat de gevangenisdirecteur eiser niet heeft ingeschreven in de inrichting komt voor rekening van eiser zelf en leidt dus niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Het lag op de weg van eiser om zijn adres te wijzigen in een adres waarbij hij zijn post kon ontvangen, ofwel een zaakwaarnemer aan te wijzen om zijn post te lezen. Dat zijn ex-partner zou hebben geweigerd de post aan hem te overhandigen, leidt dus ook niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1851).

14. De rechtbank onderschrijft ten slotte het standpunt van verweerder dat er geen enkel aanknopingspunt bestond om ervan uit te gaan dat de boekhouder zich op enig moment als gemachtigde van eiser heeft gesteld. Daarom is er geen grond om verweerder tegen te werpen dat de aanslag niet naar de boekhouder is verstuurd. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding van het bezwaar tegen de aanslagen niet verschoonbaar is en dat daarom het bezwaar tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Verschoonbare termijnoverschrijding vergrijpboetes

15. Voor zover een te laat ingesteld bezwaar op een boete betrekking heeft, hoeft eiser slechts te stellen dat en op welke grond de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen en kan de niet-ontvankelijkheid dan slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van die stelling door verweerder is bewezen (Hoge Raad van 22 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3854, BNB 1988/292 en Hoge Raad van 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0550). Eiser heeft gesteld dat hij de aanslagen en dus ook de boetebeschikking niet heeft ontvangen. Toen hij op de hoogte raakte van de aanslagen en de boete heeft hij zo snel als mogelijk bezwaar gemaakt. Verweerder heeft, om aan zijn bewijslast te voldoen, verwezen naar het definitieve controlerapport van 10 april 2015, waarin het voornemen staat om een vergrijpboete op te leggen.

16. Verweerder heeft met de door hem overgelegde stukken en hetgeen hij heeft toegelicht, de onjuistheid van de stelling van eiser niet bewezen. Verweerder heeft namelijk niet bewezen dat de boetebeschikking daadwerkelijk verzonden is naar het adres van eiser. Het voornemen om een vergrijpboete op te leggen is niet gelijk aan het bekendmaken van de boetebeschikking. Gelet hierop, heeft de rechtbank het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de vergrijpboete gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd en de zaak, met instemming van partijen, teruggewezen naar verweerder.

17. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding omdat hierom niet is verzocht in de bezwaarfase en verder geen sprake is van vernietiging van de boetebeschikking.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag .