Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
13-08-2019
Zaaknummer
NL19.14991
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië; interstatelijk vertrouwensbeginsel; verweerder neemt risico als bedoeld in het arrest C.K. aan en was daarom niet gehouden tot het expliciet vragen naar het bestaan van dat risico aan het BMA; falend beroep op Tarakhel; ongegrond.

Uitspraak op 1 augustus 2019 door de Afdeling bevestigd met toepassing van art. 91 Vw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14991


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.14992, plaatsgevonden op 10 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en heeft de Gambiaanse nationaliteit.

2. Op 18 januari 2019 heeft eiser de asielaanvraag ingediend. Naar aanleiding van een Eurodac-treffer heeft verweerder op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en Italië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Italië heeft de in artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening bedoelde termijn van twee weken zonder reactie op dit verzoek laten verstrijken. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek. Hierop heeft verweerder met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de asielaanvraag niet in behandeling genomen.

3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder ten opzichte van Italië ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat gespecialiseerde en medische zorg in Italië schaars en moeilijk toegankelijk is en de opvangcapaciteit beperkt. Ter onderbouwing daarvan verwijst eiser naar de door hem aangehaalde landeninformatie, met name het AIDA-rapport van 16 april 2019 en het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van 8 mei 2019.

3.1.

Uitgangspunt is dat verweerder ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit anders is.

3.2.

In haar uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Het Salvini-decreet heeft niet tot gevolg dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen en dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat niet aannemelijk is dat op dit moment

sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat meer vreemdelingen een beroep moeten doen op de algemene opvanglocaties. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het aantal in 2018 in Italië gearriveerde vreemdelingen een stuk lager ligt dan in de voorgaande jaren (rechtsoverweging 6.1 van die uitspraak). Ook in meer recente uitspraken (onder meer de uitspraken van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1861 en 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2042) heeft de Afdeling telkens geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië nog altijd terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

3.3.

De landeninformatie waar eiser naar verwijst geeft geen wezenlijk ander beeld van de situatie voor kwetsbare Dublinclaimanten in Italië dan de rapporten die door de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraken al zijn beoordeeld, waaronder ook het hiervoor vermelde AIDA-rapport dat in de uitspraak van 12 juni 2019 aan de orde is gekomen. Daarbij is van belang dat verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat hij in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening de Italiaanse autoriteiten zal informeren over de bijzondere behoeften en omstandigheden van eiser en de overdracht zal opschorten zodra duidelijk is dat Italië daar niet aan kan voldoen. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

4. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest van 16 februari 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127 (arrest C.K.) door aan het Bureau Medische Advisering (BMA) niet te vragen of overdracht aan Italië een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand kan inhouden.

4.1.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, en 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986, volgt uit het arrest C.K. dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, bijvoorbeeld door aan te tonen met stukken van zijn behandelaren dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van zijn overdracht. Vervolgens moet de staatssecretaris bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten kan de staatssecretaris de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de overdracht wegnemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92). In voormelde uitspraak van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2042, heeft de Afdeling dit toetsingskader herhaald.

4.2.

Voorafgaand aan het bestreden besluit heeft eiser een brief overgelegd van [naam verpleegkundige] , verpleegkundige, en [naam psychiater] , psychiater van 14 mei 2019. Deze brief vermeldt onder meer dat eiser is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, een licht depressieve stoornis en emotieregulatie- en impulsregulatieproblemen. Verder vermeldt deze brief dat er bij eiser sprake is van matig en bij momenten tot hoog oplopend suïciderisico. Eiser is erg bang om weer gedwongen opgenomen te worden in Italië en is om deze reden Italië ontvlucht. Eiser heeft geen concrete plannen voor suïcide maar is bang dat dit vanuit zijn impulsiviteit gebeurt. Er is een verhoogd risico op suïcide indien de situatie uitzichtloos is en hij zich niet beter gaat voelen, aldus de opstellers van deze brief.

Verweerder heeft het BMA hierop bij nota van 14 juni 2019 verzocht te kijken naar de reismogelijkheden van eiser in relatie tot zijn medische gezondheid en heeft daarin melding gemaakt van het arrest C.K. maar zonder het BMA te vragen of overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidssituatie. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, is dat bewust zo gedaan omdat een antwoord op die vraag speculatief is en daarom strijdig met het Protocol BMA. Uit de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2019 leidt verweerder af dat met de beoordeling door het BMA of eiser in staat is om te reizen en welke reisvereisten daarvoor noodzakelijk zijn al is voldaan aan de uit het arrest C.K. voortvloeiende vereisten. Het is daarom niet noodzakelijk de vraag te stellen of overdracht een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de vreemdeling leidt, aldus verweerder. Eiser betoogt daarentegen dat die vraag juist wel had moeten worden gesteld en verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar diverse rechtbankuitspraken waarin het niet stellen van die vraag in strijd met het arrest C.K. werd geoordeeld.

4.3.

De rechtbank merkt op dat de Afdeling in haar uitspraak van 27 juni 2019, anders dan verweerder meent, niet is toegekomen aan een oordeel over de vraag of verweerder het BMA had moeten vragen of overdracht een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de vreemdeling leidt, omdat de vreemdeling in die zaak niet had aangetoond dat er een reëel of hoog risico op suïcide of anderszins aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bestaan als gevolg van de overdracht op zichzelf.

Ter toetsing staat of verweerder in deze zaak heeft voldaan aan de vereisten die uit het arrest C.K. voortvloeien. De rechtbank acht zich daarbij niet gebonden aan de rechtbankuitspraken die eiser aanhaalt, aangezien de feiten en omstandigheden in die individuele zaken weer anders zijn dan in de zaak die nu ter toetsing voorligt.

4.4.

Vaststaat dat er twijfel bestond over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiser, nu verweerder aanleiding heeft gezien het BMA om een medisch advies te vragen (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92). Dat eiser met de door hem overgelegde medische gegevens heeft aangetoond dat er een reëel of hoog risico op suïcide of anderszins aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bestaan als gevolg van de overdracht op zichzelf, betwist verweerder niet.

4.5.

Uit het hiervoor onder 4.1. van deze uitspraak opgenomen toetsingskader volgt dat het aan verweerder is om bij het nemen van het overdrachtsbesluit te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Bij de totstandkoming van het BMA-advies dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is gebruikgemaakt van meergemelde brief van 14 mei 2019, zodat het daarin vermelde suïciderisico aan de BMA-arts bekend was. In antwoord op de onder 3b van het BMA-advies bedoelde vraag of reisvoorwaarden nodig zijn en zo ja, welke, heeft de BMA-arts dan ook geantwoord: “Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening door anderen (derden) noodzakelijk is, namelijk: tijdens de reis is begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige noodzakelijk wegens mogelijk suïcidaliteit, emotieregulatie- en impulsregulatieproblematiek van betrokkene.”

Uit de omstandigheid dat in het BMA-advies reisvoorwaarden zijn geformuleerd die tot doel hebben de verwezenlijking tegen te gaan van het risico dat de overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidssituatie volgt dat verweerder dat risico aanwezig veronderstelt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het BMA niet te vragen of overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidssituatie. Uit voormeld toetsingskader volgt immers dat verweerder met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de overdracht kan wegnemen (zie ook de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018). Daarmee is dus voldaan aan het vereiste in punt 76 van het arrest C.K. waarin is overwogen dat het aan de autoriteiten is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling weg te nemen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de reisvoorwaarden in het BMA-advies niet volstaan.

4.6.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest C.K. zodat eisers betoog op dit punt niet slaagt.

5. Eiser betoogt verder dat hij, gelet op zijn medische omstandigheden, moet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Verweerder had volgens eiser dan ook aanleiding moeten zien om individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten te vragen.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser medische klachten heeft. Anders dan de vreemdelingen in het arrest Tarakhel, heeft eiser met de door hem overgelegde stukken noch met eerdere ervaringen in Italië aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in dat land geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Zo is eiser in Italië in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen geweest en behandeld, nadat hij op een dakrand was gaan staan. Dat de behandeling die eiser in Italië heeft ondergaan niet noodzakelijk en adequaat was, is door eiser of zijn behandelaars niet gesteld en blijkt ook niet uit de door hem overgelegde medische gegevens.

5.2.

Daarbij komt dat volgens het BMA-advies een schriftelijke overdracht van eisers medische gegevens aan Italië zal plaatsvinden. Dat is in lijn met de door verweerder gehanteerde werkwijze als beschreven in de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1304. Hiermee is voldoende gewaarborgd dat eiser ook na zijn overdracht de voorzieningen zal ontvangen die hij nodig heeft. Het betoog slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Gerde, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 17 juli 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.