Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:821

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
NL18.24568
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.24568

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M.J. Zantvoort),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.24569, plaatsgevonden op 17 januari 2019. Eiseres is ter zitting verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voorts is als tolk verschenen A. Abdel Malek, tolk Eritrees.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, omdat gebleken is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening). Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 18 mei 2018 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dientengevolge zouden de autoriteiten van Italië verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de aanvraag. Op 6 september 2018 hebben de autoriteiten van Italië positief beslist op het verzoek van verweerder om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening.

2 Eiseres heeft in de beroepsgronden, samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiseres is minderjarig. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres overgelegde originele doopakte niet kan worden gezien als substantieel bewijs van de gestelde identiteit.

Verder is in Italië sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. De opvangstandaarden drastisch zijn verlaagd en SPRAR-locaties zijn niet langer voor kwetsbare personen toegankelijk. Geen rekening is gehouden met de bijzondere kwetsbaarheid van eiseres, nu zij in Libië slachtoffer is geworden van brute verkrachtingen en in verband daarmee speciale zorg nodig heeft, die Italië haar niet kan bieden. Verweerder heeft nagelaten te kijken naar haar huidige gezondheidssituatie en had het BMA moeten raadplegen.

Verweerder heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.

Eiseres doet verder een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening.

Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en zal hiervan aangifte gaan doen. De afgifte van een reguliere vergunning in dit verband zal tot gevolg hebben dat Nederland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van haar asielaanvraag.

3 De rechtbank overweegt het volgende.

In het bestreden besluit stelt verweerder terecht vast dat een originele doopakte geen identificerend document is als bedoeld in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de registratie van een geboortedatum in een andere lidstaat zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de in de andere lidstaat geregistreerde geboortedatum onjuist is. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3743). Uit onderzoek door verweerder blijkt dat in Italië (meermalen) geregistreerd staat met een meerderjarige leeftijd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze registraties onzorgvuldig zijn geweest. Dat eiseres bij aankomst in Italië moe en ziek was en daarom niet meer weet hoe de registratie in zijn werk is gegaan, is daartoe onvoldoende. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2159).

Verweerder is dan ook terecht uitgegaan van de zorgvuldigheid van de registraties in Italië en daarmee van de meerderjarigheid van eiseres. Hetgeen eiseres aanvoert over de positie van minderjarige asielzoekers in Italië behoeft daarom geen bespreking.

De rechtbank overweegt verder dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat zij in Italië een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierin is eiseres niet geslaagd.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3246 en van 11 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3323 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.

De Afdeling heeft dit wederom bevestigd in haar recente uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131).

Volgens laatstgenoemde uitspraak is het duidelijk dat het wetsdecreet nr. 113/2018 een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft, doch heeft dit decreet niet tot gevolg dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Van belang is dat verweerder conform artikel 32 van de Dublinverordening melding blijft maken van de bijzondere behoeften en omstandigheden van een vreemdeling en verweerder de overdracht opschort zodra duidelijk is dat Italië daar niet aan kan voldoen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen, aldus de Afdeling.

Bij uitspraak van 27 december 2018 heeft de Afdeling nogmaals geoordeeld dat ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan (ECLI:NL:RVS:2018:4310).

De Terugkeerrichtlijn, de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn gelden ook in Italië. Indien Italië in strijd handelt met deze internationale verplichtingen, moet eiseres zich hierover beklagen bij de desbetreffende (hogere) autoriteiten in Italië. Gesteld noch gebleken is dat voor eiseres die mogelijkheid niet bestaat.

De rechtbank overweegt voorts dat als uitgangspunt heeft te gelden dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in haar geval niet opgaat. Eiseres is hierin niet geslaagd. Zo heeft zij niet met stukken onderbouwd dat zij in Italië geen medische behandeling heeft gekregen of zal verkrijgen of dat Nederland het meest aangewezen land is om haar te behandelen.

De rechtbank leidt uit het arrest van het Hof in de zaak C.K. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) af dat zelfs als er geen gronden zijn om aan te nemen dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangomstandigheden in de aangezochte lidstaat, de Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest met zich kan meebrengen. Dit is met name aan de orde indien overdracht van een zeer zieke vreemdeling een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Verder volgt uit dit arrest dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat door eiseres geen medische stukken zijn overgelegd die aantonen dat zij lijdt aan een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en waarin is aangegeven dat overdracht aan Italië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidssituatie. Gelet hierop hoefde verweerder geen onderzoek door het BMA te laten verrichten.

Verweerder heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt gesteld dat in de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoefde te worden gezien om krachtens artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening het asielverzoek aan zich te trekken op basis van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Italië van onevenredige hardheid getuigt.

Verweerder heeft gelet op het bepaalde in artikel 6.1e, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in deze procedure niet ten onrechte niet beoordeeld of aanleiding bestond toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw.

Eiseres voert ten slotte aan dat zij slachtoffer is van mensenhandel en hiervan aangifte wil doen. Eiseres heeft zich echter in dit verband (nog) niet gemeld bij de politie en nog geen verblijfsvergunning aangevraagd.

4 Het beroep is ongegrond.

5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.