Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8044

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
09/842169-18 en 09/852189-18 (gev. t.t.z.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens het medeplegen van twee diefstallen (zonder geweld) uit geldtransportwagens, waarbij in totaal ruim EUR 240.000,-- is buitgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/842169-18 en 09/852189-18 (gev. t.t.z.)

Datum uitspraak: 25 juli 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak met parketnummer 09/842169-18 is pro forma behandeld op de terechtzittingen van 26 juli 2018 en 11 oktober 2018.

Op de terechtzitting van 17 december 2018 is die zaak wederom pro forma behandeld en is voorts de zaak met parketnummer 09/852189-18 daarbij gevoegd, opdat die zaken gelijktijdig worden behandeld.

Het onderzoek in beide zaken is vervolgens verder gehouden op de terechtzittingen van

14 februari 2019, 7 mei 2019 (beide pro forma) en 11 juli 2019 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.J. Algera en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. B. Kizilocak naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 09/842169-18

hij op of omstreeks 19 april 2018 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 150.000 euro, althans enig geldbdrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

parketnummer 09/852189-18 (gev. t.t.z.)

hij op of omstreeks 27 oktober 2017 te Rijsbergen, gemeente Zundert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 90.000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [bedrijf 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstallen uit de geldwagens heeft gepleegd. Verdachte heeft daarbij nauw en bewust samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte] , die - blijkens de camerabeelden, waarop hij is herkend - steeds degene is geweest die de sealbags met geld uit de geldwagens heeft weggenomen. Verdachte bestuurde telkens de vluchtauto en heeft voorafgaand aan de diefstal in Rijsbergen contact gehad met [naam 1] (chauffeur van de geldwagen) om te bewerkstelligen dat die [naam 1] medewerking aan die diefstal zou verlenen. Al het bewijs in beide zaken wijst in de richting van verdachte, terwijl verdachte, - die zich van het begin af aan heeft beroepen op zijn zwijgrecht - daar niets tegenover heeft gesteld dat tot een andere conclusie zou kunnen leiden. Ten slotte heeft de officier van justitie aangevoerd dat door gebruik te maken van schakelbewijs tot een bewezenverklaring van beide feiten kan worden gekomen, nu in beide zaken sprake was van een vergelijkbare werkwijze.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich - op grond van de inhoud van zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de zaak met parketnummer 09/842169-18 heeft de raadsman aangevoerd (kort samengevat) dat de camerabeelden in het dossier van onvoldoende kwaliteit zijn om op basis daarvan tot een betrouwbare herkenning te komen. De ‘herkenningen’ door de verbalisanten kunnen dan ook niet tot het bewijs dienen.. Daar komt bij dat verdachte niet in het signalement past dat door twee ooggetuigen is opgegeven.

Van medeplegen van de diefstal is geen sprake. Verdachte is niet bij de geldwagen geweest en heeft geen bijdrage geleverd aan de feitelijke uitvoering. Van een rol voorafgaand aan de diefstal is niet gebleken. Zo er al sprake zou zijn van het besturen van de vluchtauto, is dat onvoldoende voor het aannemen van medeplegen. De op de onderzochte telefoon aangetroffen foto’s van geld maken dit niet anders, nu verdachte daarop niet te zien is en de foto’s pas na de diefstal zijn genomen. Bovendien kan uit de foto’s niets worden afgeleid over een mogelijke bijdrage die verdachte aan de diefstal zou hebben geleverd.

Uit het feit dat de politie verdachte op 18 april 2018 in de [merk auto] (welke auto is gezien op de plaats delict en waarin de vermoedelijke daders zijn gevlucht) heeft gecontroleerd, nog daargelaten of die vaststelling juist is, kan niet worden afgeleid dat verdachte op 19 april 2018 eveneens in die auto heeft gezeten.

Met betrekking tot de zaak met parketnummer 09/852189-18 heeft de raadsman aangevoerd (kort samengevat) dat [naam 1] (chauffeur van de geldwagen) heeft verklaard over een ‘ [naam 2] ’ die bij de diefstal betrokken zou zijn, maar dat uit het dossier niet volgt dat hiermee verdachte wordt bedoeld. Verder is de verklaring van getuige [getuige 1] onbetrouwbaar, zodat deze niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Ten eerste is [getuige 1] pas drie maanden na de diefstal gehoord, terwijl hij in de tussentijd informatie over deze zaak heeft kunnen vernemen. Bovendien worden in het verhoor steeds gesloten vragen aan hem gesteld en is het maar zeer de vraag of de ‘ [naam 3] ’ die hij kent, verdachte is. Ook worden in dit verhoor door de politie aan [getuige 1] passages voorgehouden uit een in een andere strafzaak door [getuige 1] afgelegde verklaring. Echter deze verklaring bevindt zich niet in het dossier, zodat dit niet controleerbaar is. Ten slotte volgt uit de verklaring niet dat [getuige 1] zijn auto op 27 oktober 2017 aan verdachte heeft uitgeleend.

Voorts wordt betwist dat verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Onderbouwing voor het tegendeel ontbreekt in het dossier, evenals onderbouwing voor het feit dat dit nummer rondom het tijdstip van de diefstal dezelfde zendmasten aanstraalt als het nummer van [naam 1] .

Als laatste heeft de raadsman met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten aangevoerd dat voor een bewezen verklaring geen gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs, nu niet kan worden gezegd dat bij de diefstallen sprake was van een kenmerkende werkwijze waaruit vervolgens de betrokkenheid van verdachte bij die feiten kan worden afgeleid.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Parketnummer 09/842169-18

Het bewijs 1

Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 19 april 2018 werkzaam was voor [bedrijf 2] als geldtransporteur. Hij reed die dag met zijn collega [naam 4] met een geldauto en zij kwamen omstreeks 13:30 uur aan bij de [bedrijf 1] in Naaldwijk. [aangever] ging de bank binnen, naar de kluisruimte, en [naam 4] parkeerde de geldwagen dicht langs de muur. Tussen hen was er op dat moment een ruimte van 30 tot 50 centimeter. De eerste geldoverdracht vanuit de geldwagen via het overdrachtsluik van de bank ging goed. Toen [aangever] op de tweede overdracht stond te wachten, kwam deze maar niet. [naam 4] vroeg daarop aan [aangever] of hij de sealbags had gepakt uit de tussenruimte van de geldwagen, maar [aangever] zei van niet. [aangever] keek vervolgens op zijn scanner en zag daarop dat er drie sealbags misten. Nadat [naam 4] constateerde dat de sealbags ook niet in de kluisruimte van de geldwagen lagen, concludeerden zij dat er drie sealbags waren weggenomen.2

[naam 5] , security specialist bij [bedrijf 2] , heeft verklaard dat tijdens voornoemd waardetransport naar de [bedrijf 1] drie sealbags zijn weggenomen met een totale inhoud van € 150.765,--, bestaande uit een sealbag met 3.000 biljetten van € 50,-- (waarde

€ 150.000,--) en twee sealbags met munten (waarde € 765,--).3

Getuige [getuige 2] reed op 19 april 2018, omstreeks 13:33 uur, over de [adres] te Naaldwijk (gemeente Westland). Zij reed ongeveer 30 meter voor het [bedrijf 1] -bankkantoor toen zij een jongen hard in haar richting zag komen rennen. Het leek erop dat hij meerdere witte zakken in zijn handen had. De jongen voldeed aan het volgende signalement: 17 tot 23 jaar, smal postuur, lange lichte broek, kort donker haar, getinte huidskleur en hij droeg sportschoenen.4

Die middag, omstreeks 13:45 uur, reed getuige [getuige 3] over de [adres] in Naaldwijk (gemeente Westland). Getuige zag een man rennen, die voldeed aan het volgende signalement: ongeveer 25 jaar, ongeveer 1.75 meter lang, Turks/Marokkaans uiterlijk, slank postuur en kort zwart haar. De man kwam uit de naast de [adres] gelegen weg gerend. Hij rende naar een [merk auto] met het kenteken [kenteken] (rechtbank: hierna de [merk auto] ) en stapte in aan de bijrijderszijde, waarna de [merk auto] snel wegreed. De bestuurder van de [merk auto] voldeed aan het volgende signalement: Turks/Marokkaans uiterlijk, kort zwart haar en een slank postuur. Getuige reed vervolgens achter de [merk auto] aan, waarbij hij onderweg zag dat de inzittenden van die [merk auto] kledingstukken van het bovenlichaam uittrokken. Toen de [merk auto] richting Maasdijk reed, raakte getuige de [merk auto] kwijt. Vervolgens heeft getuige zijn auto stilgezet en heeft hij de politie gebeld. Daarna kreeg hij de [merk auto] weer in het zicht. Hij zag dat de bestuurder een grijs t-shirt droeg.5

Verbalisant [verbalisant] kreeg via de portofoon door dat de [merk auto] mogelijk betrokken was bij voornoemde diefstal. Tevens waren er twee personen gezien die voldeden aan het volgende signalement: ongeveer 25 jaar, licht getint, Turks/Marokkaans uiterlijk, kort zwart haar. De bestuurder zou een grijs t-shirt dragen.

De tenaamgestelde van de [merk auto] bleek [naam 6] te zijn. Uit het politiesysteem bleek dat de [merk auto] op 18 april 2018 onder verdachte omstandigheden was gezien bij een melding in Steenwijk. Bij die melding waren betrokken [verdachte] (hierna: [verdachte] ), wonende aan de [adres] , en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), wonende aan de [adres] .

[verbalisant] heeft vervolgens postgevat op het adres [adres] . Omstreeks 14:45 uur zag hij twee personen uit die woning komen. Zij zagen er als volgt uit:

Persoon 1: Turks uiterlijk, ongeveer 25 jaar, grijs t-shirt, korte broek en zwarte schoenen.

Persoon 2: Turks uiterlijk, ongeveer 25 jaar, grijs vest met capuchon, grijze broek en zwarte schoenen.6

Nadat deze personen waren staande gehouden, gaven zij op te zijn: [verdachte] (persoon 1) en [medeverdachte] (persoon 2). Zij zijn vervolgens door de politie aangehouden. Op het politiebureau hebben de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] foto’s gemaakt van [verdachte] en [medeverdachte] . Toen [verbalisant] en [verbalisant] foto’s ontvingen van de verdachten van de diefstal, zagen zij dat de personen op die foto’s qua postuur en kleding overeenkwamen met de personen die zij zojuist hadden aangehouden. Op de foto’s zagen zij namelijk dat de ene verdachte een gezet postuur had, een grijs t-shirt en een korte broek droeg en dat hij een gouden ketting om zijn nek had. Dit komt overeen met het signalement van de aangehouden [verdachte] . De andere verdachte op de foto had een normaal tot dun postuur en droeg een grijs vest, een licht gekleurde spijkerbroek en donkere schoenen. Dit komt overeen met het signalement van de aangehouden [medeverdachte] .7

Verbalisant [verbalisant] heeft op 19 april 2018 de camerabeelden van de [bedrijf 1] bekeken. Op de beelden van camera 1 (die aan de gevel aan de voorzijde van het bankkantoor hangt) zag [verbalisant] dat een man tussen de muur en de geldwagen naar de sluis liep en dat die man even later met zakken in zijn hand wegrende. Op camera 2 (die bij de hoofdingang van het bankkantoor hangt) zag [verbalisant] dat een tweede man achter de geparkeerde auto’s liep en dat hij vervolgens, tegelijk met de andere man, wegrende in dezelfde richting.8

Verbalisant [verbalisant] heeft nadien de camerabeelden van de [bedrijf 1] en het bedrijf [bedrijf 3] , beide gevestigd in Naaldwijk, en de camerabeelden van de geldwagen bekeken. [verbalisant] zag dat omstreeks 12:55 uur een grijze [merk auto] voorbij de [bedrijf 1] reed en dat deze werd geparkeerd. Om 12:56:06 uur stapte de bijrijder uit die auto. [verbalisant] heeft het beeld met daarop de bijrijder vergroot en zag dat deze persoon een wit t-shirt droeg met een opdruk op de borst. Op de foto van [medeverdachte] die na zijn aanhouding is gemaakt, is te zien dat [medeverdachte] een soortgelijk t-shirt draagt. Bovendien heeft [medeverdachte] ongeveer dezelfde lengte en postuur als de bijrijder op de camerabeelden.

[verbalisant] zag op de camerabeelden dat omstreeks 13:12 uur de bestuurder van de [merk auto] uitstapte. Die bestuurder had volgens [verbalisant] een gezet postuur en droeg een donkere korte broek en een grijs t-shirt. Bij vergelijking van dit camerabeeld met de foto die van [verdachte] is genomen na zijn aanhouding, zag [verbalisant] dat de bestuurder ongeveer even lang was als [verdachte] en dat de houding van de bestuurder leek op die van [verdachte] .

[verbalisant] zag op de camerabeelden dat om 13:33:27 uur de bijrijder richting het waardetransport liep, en direct hierna tussen de wand en het waardetransport inliep. De bestuurder bleef op dat moment tussen de geparkeerde auto’s staan. Het beeld van die bestuurder is opgewaardeerd. [verbalisant] zag op die beelden dat het postuur, de lengte en de kleding van de bestuurder overeenkwamen met de aangehouden verdachte [verdachte] . Ook kwamen de vorm van de buik en de iets naar voren hangende schouders overeen, zo zag [verbalisant] bij vergelijking van de beelden met de foto van verdachte [verdachte] die na zijn aanhouding is gemaakt. Ten slotte heeft [verbalisant] op grond van al deze bevindingen in combinatie met zijn aanwezigheid bij de verhoren van [medeverdachte] en [verdachte] , geconcludeerd dat hij de bijrijder herkent als [medeverdachte] en de bestuurder als [verdachte] .9

Verbalisant [verbalisant] ontving op 19 april 2018 foto’s van de twee verdachten van de diefstal uit de geldwagen in Naaldwijk. Hij herkende deze mannen als de mannen die zij eerder hadden aangehouden op de [adres] in Schiedam.10

Op 12 juli 2018 bevond [medeverdachte] zich op de luchtplaats van het politiebureau in Capelle aan den IJssel. Een informant van de politie raakte met [medeverdachte] in gesprek. [medeverdachte] vertelde hem dat hij daar vast zat in verband met twee overvallen op een geldwagen, waarbij rond de € 240.000,-- zou zijn gestolen. Het ging bij de ene overval om twee zakken, waarbij in elke zak € 90.000,-- zat, en bij de andere overval ging het om € 150.000,--.

Later die dag raakte de informant weer in gesprek met [medeverdachte] . Gevraagd naar de gang van zaken vertelde [medeverdachte] hem dat de politie een foto van de verdachte had, die vanuit de geldwagen was gemaakt. De informant had de indruk dat [medeverdachte] trots was op wat hij had gedaan. [medeverdachte] vertelde verder dat hij de overvallen samen met zijn vriend, met wie hij vast zat, had gepleegd. Er zouden daarbij geen wapens zijn gebruikt. Via een Turkse medewerker van het bedrijf had [medeverdachte] informatie gekregen en op basis van deze informatie was de eerste overval met medewerking van deze medewerker gepleegd. De medewerker zou de tas met daarin € 150.000,-- aan hem hebben overgedragen. Ook vertelde [medeverdachte] dat hij bij de tweede overval zoveel informatie had, dat hij zelf naar de auto was gelopen en de tas met geld, waarin later € 90.000,-- bleek te zitten, had meegenomen. [medeverdachte] vertelde dat hij in oktober dit geld met zijn vriend had gedeeld, ieder € 45.000,--, en dat zij daarvoor al de 150.000 euro in twee gelijke delen hadden verdeeld.11

Het oordeel van de rechtbank

Uit de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

[medeverdachte] en [verdachte] zijn kort na de diefstal uit de geldwagen in Naaldwijk (die plaatsvond omstreeks 13:33 uur) aangetroffen op het woonadres van [verdachte] (tijd van aantreffen: omstreeks 14:45 uur). Zij voldeden op dat moment aan het signalement van de twee personen waarvan getuigen hebben verklaard en waarvan op camerabeelden is te zien dat die personen zijn weggerend bij de [bedrijf 1] en vervolgens zijn gevlucht in een [merk auto] . Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] hebben [medeverdachte] en [verdachte] ook herkend als de daders van de diefstal en de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] zagen dat [medeverdachte] en [verdachte] overeenkwamen met het signalement van de verdachten van de diefstal.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het door verbalisant [verbalisant] doorgekregen signalement voldoende specifiek was om op basis daarvan op een specifiek adres te kijken of zich daar personen bevinden die daaraan voldoen. In de kern voldeden [medeverdachte] en [verdachte] ook aan die signalementen.

Voorts acht de rechtbank, anders dan de raadsman heeft gesteld, de foto’s c.q. (opgewaardeerde) camerabeelden waarop de verdachten van de diefstal zijn te zien van voldoende kwaliteit om op basis daarvan een herkenning te doen ofwel de bevinding te relateren dat [medeverdachte] en [verdachte] overeenkomen met de foto’s van de verdachten van de diefstal. Door de raadsman zijn nadere vragen aan de verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] gesteld over hun bevindingen en zij hebben naar het oordeel van de rechtbank in hun opgemaakte aanvullende processen-verbaal en in het verhoor bij de rechter-commissaris ( [verbalisant] ) in voldoende overtuigende mate toegelicht hoe zij daartoe zijn gekomen. De rechtbank acht die herkenningen dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Ten slotte sterkt de door [medeverdachte] aan een politie-informant gegeven details over de diefstal in Naaldwijk de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte daarbij betrokken is geweest. Hoewel [medeverdachte] op details de diefstal in Rijsbergen (onder parketnummer 09/842169-18, zie hierna) en de diefstal in Naaldwijk kennelijk door elkaar haalt, komt wat betreft de diefstal in Naaldwijk de door [medeverdachte] gegeven informatie in de kern overeen met het dossier, te weten:

  • -

    een overval op een geldwagen;

  • -

    er was geen gebruik gemaakt van wapens;

  • -

    de overval is gepleegd door twee personen;

  • -

    er was een buit van € 150.000,--.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de diefstal uit de geldwagen in Naaldwijk. [medeverdachte] en [verdachte] zijn samen in een door [verdachte] bestuurde [merk auto] naar de [bedrijf 1] gereden en zij zijn beiden uit de auto gestapt en in de richting van de geldwagen gelopen. [verdachte] bleef op de uitkijk staan en [medeverdachte] was degene die naar de geldwagen is gelopen en de sealbags daar uit heeft weggenomen. Vervolgens zijn [medeverdachte] en [verdachte] samen weggerend en zijn zij samen gevlucht in de [merk auto] , die door [verdachte] werd bestuurd. Uiteindelijk zijn zij ongeveer een uur later tezamen aangetroffen toen ze de woning van [verdachte] verlieten. Ten slotte geldt dat [medeverdachte] tegen de politie-informant heeft verteld hij en zijn vriend het buitgemaakte geld in twee gelijke delen hadden verdeeld.

De hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, hebben de uiterlijke verschijningsvorm van een - op grond van een plan dat de deelnemers vooraf duidelijk was - in bewuste en nauwe samenwerking uitgevoerde diefstal, waarbij zowel [medeverdachte] als [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht hadden, zoals hiervoor beschreven. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] de diefstal in vereniging hebben gepleegd.

Hetgeen de raadsman voor het overige nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Parketnummer 09/852189-18

Het bewijs 12

De diefstal

Op 27 oktober 2017, omstreeks, 11:20 uur, liep getuige [getuige 4] naar de pinautomaat van de [bedrijf 4] aan de [adres] in Weerijs (de rechtbank begrijpt: Rijsbergen). Bij de [bedrijf 4] zag zij een geldwagen staan, die met de bijrijderszijde naar de muur van de [bedrijf 4] stond. Achter het stuur van de geldwagen zat een man. [getuige 4] zag een man aan komen lopen, die helemaal in het zwart gekleed was. Toen de man zag dat [getuige 4] naar hem keek, deed de man een doek voor zijn gezicht en bracht hij zijn vinger naar zijn mond alsof hij wilde zeggen: “Wees stil”. Daarna verdween de man in een luik achter het bijrijdersportier van de geldwagen. Even later zag [getuige 4] dat de geldwagen een straat in reed (de rechtbank begrijpt, gelet op de hierna opgenomen verklaring van [getuige 5] : de [adres] ), omkeerde en weer bij de [bedrijf 4] parkeerde. Vervolgens kwam de bijrijder van de geldwagen uit de [bedrijf 4] . Omdat [getuige 4] de situatie heel vreemd vond, heeft ze de politie gebeld.13

Getuige [getuige 5] was op 27 oktober 2017 aan het werk aan de [adres] in Rijsbergen. Op enig moment zag hij dat een [merk auto] kwam aangereden met daarin twee personen. Zij parkeerden het voertuig tussen het pand aan de [adres] en het pand aan de [adres] Eén van de inzittenden, een man met donkere kleding, liep richting de [bedrijf 4] . [getuige 5] zag dat er een geldwagen naast de [bedrijf 4] stond. Die geldwagen kwam vervolgens de [adres] in gereden en stopte ter hoogte van [adres] . [getuige 5] vond dit vreemd en heeft daarom het kenteken van de [merk auto] genoteerd, te weten: [kenteken] . Even later zag [getuige 5] dat de [merk auto] wegreed.14

[naam 7] was op 27 oktober 2017 samen met zijn collega [naam 1] werkzaam op de geldwagen, zij reden met de geldwagen naar verschillende locaties om geldautomaten te vullen. Toen zij aankwamen bij de [bedrijf 4] in Rijsbergen, stapte [naam 7] met een koffer uit de geldwagen om binnen een geldautomaat te vullen. Omdat hij een toegangssleutel niet kon vinden, vroeg [naam 7] aan [naam 1] een universele sleutel klaar te leggen in de tussenruimte van de geldwagen. Hierna liep [naam 7] met de koffer terug naar de geldwagen, pakte de sleutel en is de [bedrijf 4] binnen gelopen. Na het vullen van de geldautomaat kwam [naam 7] weer naar buiten. Hem viel op dat de geldwagen nu omgekeerd voor de [bedrijf 4] stond en dat verschillende personen buiten de [bedrijf 4] naar hem keken. Nadat [naam 7] was ingestapt, zijn zij met de geldwagen naar de volgende locatie in Rijsbergen gereden. Daarnaar gevraagd verklaarde [naam 7] dat hem tijdens de dienst met [naam 1] was opgevallen dat [naam 1] veel aan het bellen was en veel berichten kreeg.15

[naam 1] heeft verklaard dat hij op 27 oktober 2017 in de geldwagen reed en dat hij die dag kwam aangereden bij de [bedrijf 4] . Zijn collega stapte uit en ging de [bedrijf 4] binnen. [naam 1] zag een jongen buiten de geldwagen staan. Ook zag hij een blauwe auto verderop staan. [naam 1] liep vanuit de cabine van de geldwagen naar achteren in de geldwagen en pakte daar een sealbag met geld. Hij wikkelde een sjaal om de sealbag en legde die sealbag bij de trapen ging de cabine weer in. [naam 1] zag dat de jongen buiten naar de deur van de geldwagen liep. Op dat moment zocht zijn collega contact met [naam 1] met de vraag om een sleutel klaar te leggen. [naam 1] zag de jongen niet meer bij de geldwagen in de buurt. [naam 1] deed de deur van de cabine open, pakte de sealbag met geld en legde die onder zijn stoel in de cabine. Toen zijn collega bij de deur van de geldwagen stond, opende [naam 1] de deur en gaf de sleutel, waarna zijn collega weer de [bedrijf 4] binnen ging. [naam 1] verplaatste de geldwagen en reed in de richting van de blauwe auto. [naam 1] stopte even verderop de geldwagen en de jongen pakte bij de rechter zijdeur van de geldwagen de sealbag met geld.16

Verbalisant [verbalisant] heeft de camerabeelden van de geldwagen bekeken. Zij zag het volgende:

11:15:23 uur: een [merk auto] rijdt voorbij de geldwagen.

11:16:57 uur: via de deur in de tussenruimte verlaat de collega van [naam 1] (rechtbank, ook

hierna: [naam 7] ) met een koffer de geldwagen.

11:17:34 uur – 11:37:42 uur: de deur van de cabine gaat open, [naam 1] komt uit die cabine en [naam 1] gaat via de tussenruimte van de geldwagen naar de kluisruimte.

11:17:43 uur: [naam 1] opent met een sleutel een deur in de kluisruimte. [naam 1] heeft een zwarte sjaal in zijn handen. [naam 1] kijkt naar witte zakken in de kast.

11:17:51 uur: op de camera buiten achter is te zien dat een persoon (zwart gekleed en zwarte capuchon) aan komt lopen.

11:18:01 uur: [naam 1] pakt een witte zak uit de kast en wikkelt de zwarte sjaal om de zak.

11:18:04 uur: de persoon in het zwart gekleed staat aan de achterzijde van de geldwagen buiten te wachten.

11:18:15 uur: [naam 1] legt de witte zak in de tussenruimte voor de deur.

11:18:26 uur: [naam 1] gaat de cabine van de geldwagen in.

11:18:34 uur: de persoon in het zwart gekleed loopt weg.

11:18:44 uur: [naam 1] komt de tussenruimte weer in, haalt daar de zak weg en legt de zak in de cabine.

11:19:04 uur – 11:19:29 uur: de persoon in het zwart gekleed komt weer aangelopen, klopt op het raam van de deur en rent vervolgens weg.

11:20:02 uur – 11:22:35 uur: [naam 7] komt terug en zet een koffer in de tussenruimte. De deur van de tussenruimte gaat daarna dicht. [naam 1] komt uit de cabine, pakt de koffer in de tussenruimte en gaat naar de kluisruimte. [naam 1] maakt een kabel vast aan de koffer en plaatst de koffer daarna weer in de tussenruimte. Vervolgens gaat [naam 1] weer naar de cabine. De deur van de tussenruimte gaat weer open, [naam 7] pakt de koffer uit de tussenruimte en gaat weer weg. De deur van de tussenruimte gaat weer dicht.

11:22:41: [naam 1] legt de witte zak met daar omheen de zwarte sjaal in de tussenruimte.

11:22:55 uur – 11:23:01 uur: de geldwagen gaat rijden. Buiten staat een persoon in het zwart gekleed. Die persoon komt rennend naar de geldwagen en rent aan de rechter zijkant van de geldwagen mee. Het gezicht van de persoon is in het raam van de deur in de tussenruimte te zien. De persoon loopt nog steeds naast de geldwagen mee. De persoon naast de geldwagen staat stil naast de geldwagen. De deur van de tussenruimte gaat open. Een blauwe [merk auto] staat met de verlichting aan stil.

11:23:04 uur: de deur van de tussenruimte van de geldwagen gaat open en de persoon in het zwart gekleed en met een zwarte capuchon op pakt een witte zak uit de geldwagen. Vervolgens rent de persoon weg, in de richting van de [merk auto] . De persoon stapt aan de bijrijderszijde van de [merk auto] in en deze auto rijdt weg. Vervolgens gaat de geldwagen weer rijden.17

[naam 5] , security specialist bij [bedrijf 2] , heeft namens [bedrijf 2] aangifte gedaan van diefstal, gepleegd in Rijsbergen, gemeente Zundert. [naam 5] kreeg op 27 oktober 2017 een melding van een incident met een geldwagen en is vervolgens naar het politiebureau in Breda gegaan, waar die geldwagen stond. Het ging om de geldwagen waarin [naam 1] en [naam 7] hadden gereden. Op het politiebureau aangekomen keek [naam 5] in de kluisruimte van de geldwagen om te zien hoeveel geld er was weggenomen. Het bleek te gaan om een sealbag met € 90.000,-- die was weggenomen.18

Op 12 juli 2018 bevond [medeverdachte] zich op de luchtplaats van het politiebureau in Capelle aan den IJssel. Een informant van de politie raakte met [medeverdachte] in gesprek. [medeverdachte] vertelde hem dat hij daar vast zat in verband met twee overvallen op geldwagens, waarbij rond de € 240.000,-- zou zijn gestolen. Het ging bij de ene overval om twee zakken, waarbij in elke zak € 90.000,-- zat, en bij de andere overval ging het om € 150.000,--.

Later die dag raakte de informant weer in gesprek met [medeverdachte] . Gevraagd naar het verloop vertelde [medeverdachte] hem dat de politie een foto van de verdachte had, die vanuit de geldwagen was gemaakt. De informant had de indruk dat [medeverdachte] trots was op wat hij had gedaan. [medeverdachte] vertelde verder dat hij de overvallen samen met zijn vriend, met wie hij vast zat, had gepleegd. Er zouden daarbij geen wapens zijn gebruikt. Via een Turkse medewerker van het bedrijf had [medeverdachte] informatie gekregen en op basis van deze informatie was de eerste overval met medewerking van deze medewerker gepleegd. De medewerker zou de tas met daarin € 150.000,-- aan hem hebben overgedragen. Ook vertelde [medeverdachte] dat hij bij de tweede overval zoveel informatie had, dat hij zelf naar de auto was gelopen en de tas met geld, waarin later € 90.000,-- bleek te zitten, had meegenomen. [medeverdachte] vertelde dat hij in oktober dit geld met zijn vriend had gedeeld, ieder € 45.000,--, en dat zij daarvoor al de 150.000 euro in twee gelijke delen hadden verdeeld.19

Tussenconclusie met betrekking tot de diefstal

Uit de hiervoor ogenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat een persoon een sealbag met € 90.000,-- uit de geldtransportwagen heeft weggenomen en dat die persoon daarna met zijn mededader is gevlucht in een blauwe [merk auto] met het kenteken [kenteken] .

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij deze diefstal betrokken zijn geweest. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De tenaamgestelde van voornoemde vluchtauto bleek [getuige 1] te zijn, wonende aan de [adres] .20

[getuige 1] heeft verklaard dat hij zijn auto (voornoemde [merk auto] ) wel eens uitleende, onder meer aan een man die hij ‘ [naam 3] ’ noemt die als achternaam [verdachte] heeft. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat het nummer + [telefoonnummer] (rechtbank: hierna nummer * [telefoonnummer] ) dat in zijn telefoon staat opgeslagen toebehoort aan genoemde ‘ [naam 3] ’.

Ten slotte zijn aan [getuige 1] tijdens het verhoor foto’s getoond van de camerabeelden van de geldwagen. Op die foto’s heeft [getuige 1] de man die rondom de geldwagen is te zien en die eerst vermomd is maar waarvan later het gezicht deels is te zien, herkend als de hem bekende [medeverdachte] . Hij herkent hem aan zijn postuur en aan zijn gezicht.21

[naam 1] heeft verklaard dat hij enige tijd geleden een jongen, genaamd [naam 2] , tegen kwam waar hij vroeger drugs van kocht. Op 25 oktober 2017 belde [naam 2] naar hem. Ze spraken die avond af en [naam 2] zei hem dat hij moest doen wat ‘ze’ zeiden. ’Ze’ reden in een blauwe auto. ’s Avonds op 26 oktober 2017 had [naam 1] weer met [naam 2] afgesproken. [naam 2] vroeg [naam 1] om te laten zien waar hij de volgende ochtend moest beginnen met werk.

Op 27 oktober 2017 moest [naam 1] om 6:45 uur werken. Toen hij die ochtend met de geldwagen reed en aan kwam bij [winkel] , zag [naam 1] hen staan. [naam 2] belde hem en zei: “Leg wat klaar, leg wat klaar”. Nadat [naam 1] dat weigerde en verder reed met de geldwagen, belde [naam 2] weer met de mededeling dat [naam 1] wat moest klaarleggen. Wederom weigerde [naam 1] dat te doen. Aangekomen bij de [bedrijf 4] belde [naam 2] weer met de mededeling dat [naam 1] wat moest klaarleggen. Toen [naam 7] uit de geldwagen was gestapt zag [naam 1] een jongen rondom de geldwagen en verderop zag hij een blauwe auto staan. [naam 1] zag [naam 2] op de bestuurdersstoel van deze blauwe auto zitten. Toen heeft [naam 1] wel toegegeven en een sealbag met geld klaargelegd.

Verder heeft [naam 1] verklaard dat [naam 2] hem had gezegd dat hij diens telefoonnummer onder de naam ‘schatje’ in zijn telefoon moest zetten. [naam 1] heeft [naam 2] ook wel gebeld op dat nummer, voor het laatst op 26 oktober 2017. Het nummer dat [naam 1] zelf gebruikte is

[telefoonnummer] (rechtbank: hierna nummer * [telefoonnummer] ). [naam 2] belde [naam 1] op dit nummer.

[naam 2] had hem op 25 oktober 2017 een zwarte sjaal gegeven waar hij de sealbag in moest wikkelen.22

[naam 1] heeft verklaard dat hij een dag van tevoren altijd een sms-bericht van zijn werkgever kreeg hoe laat hij moest beginnen met werken. Op de ochtend van de werkdag kreeg [naam 1] altijd de te rijden route door. [naam 2] wilde een keer zijn rooster zien en moest ook elke avond het sms-bericht zien om te zien hoe laat [naam 1] moest werken. Over het contact tussen hem en [naam 2] heeft [naam 1] verklaard dat zij de laatste twee/drie weken dagelijks contact hadden over het werk van [naam 1] . Op 27 oktober 2017 belde [naam 2] heel vaak naar [naam 1] .23

Dor de politie is de telefoon van [naam 1] in beslag genomen en onderzocht. Uit onderzoek is onder meer het volgende gebleken.

In de telefoon van [naam 1] stond een contact opgeslagen onder de naam ‘schTje’ en met het nummer [telefoonnummer] (rechtbank: hierna nummer * [telefoonnummer] ). Uit de politiesystemen bleek dat [verdachte] dit nummer op 9 februari 2017 aan de politie had opgegeven.24

Op 20 oktober 2017 werd door het nummer * [telefoonnummer] een geluidsfragment verzonden naar het nummer * [telefoonnummer] .25 [naam 1] heeft over dit door hem verzonden fragment verklaard dat [naam 2] en een andere persoon die dag achter hem aan wilden rijden en dat hij een route doorgaf aan [naam 2] .26 De tenaamgestelde van het nummer * [telefoonnummer] bleek [verdachte] te zijn.27

Met de telefoon van [naam 1] vond op 26 en 27 oktober 2017 communicatie via WhatsApp plaats met het nummer * [telefoonnummer] . Op 26 oktober 2017 om 21:16 uur vond tussen deze nummers een telefoongesprek plaats, waarbij door de gebruiker van nummer * [telefoonnummer] wordt gezegd: “Broer bel me voortaan alleen op deze niet oo de andere (…) Je moet deze bellen.”.

Op 27 oktober 2017 werden door nummer * [telefoonnummer] meerdere WhatsAppberichten gestuurd naar [naam 1] (nummer * [telefoonnummer] ). Deze berichten waren verwijderd, maar konden toch worden uitgelezen:

“11:01 uur: het vlees is het belangrijkste dat weet je.

11:17 uur: broer wacht op je seintje.

11:19 uur: hij is al gegaan.

11:20 uur: broer hij stat bij de kkr auto.

11:22 uur: reageer broer.

11:23 uur: broer geeft het nu. Waar wacht je op man.”28

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van het nummer * [telefoonnummer] ( [naam 1] ) en het nummer * [telefoonnummer] ( [verdachte] ) is gebleken, dat het nummer * [telefoonnummer] op 27 oktober 2017 precies dezelfde zendmasten heeft aangestraald in Rijsbergen en omgeving als waar het nummer * [telefoonnummer] op dat moment aanstraalde.29

Door verbalisant [verbalisant] is [verdachte] opgevraagd in de politiesystemen. Daarbij viel op dat [verdachte] en [medeverdachte] veelvuldig samen zijn gecontroleerd door de politie in de regio Rotterdam. Vervolgens heeft [verbalisant] in de politiesystemen gekeken naar de naam [medeverdachte] . [verbalisant] zag een foto van [medeverdachte] en zij zag dat de persoon op die foto veel gelijkenissen had met de persoon die de sealbag heeft weggenomen uit de geldwagen op

27 oktober 2017 (de rechtbank begrijpt: de persoon die is te zien op de (screenshots van de) camerabeelden van de geldwagen).30

Tussenconclusie: ‘ [naam 2] ’ is [verdachte]

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

[naam 1] had met zijn telefoonnummer * [telefoonnummer] regelmatig contact met ‘ [naam 2] ’, vooral over het werk van [naam 1] . Van die ‘ [naam 2] ’ had [naam 1] een sjaal gekregen waarin hij de sealbag met geld moest wikkelen. [naam 1] zag die ‘ [naam 2] ’ op 27 oktober 2017, kort voor de diefstal, ook in de blauwe [merk auto] zitten als bestuurder. [naam 1] had contact met ‘ [naam 2] ’ op (onder andere) het nummer * [telefoonnummer] , aan welk nummer hij, [naam 1] , op 20 oktober 2017 een geluidsfragment heeft gestuurd over zijn te rijden route met zijn geldwagen.

De nummers * [telefoonnummer] ( [verdachte] ) en * [telefoonnummer] ( [naam 1] ) straalden op 27 oktober 2017 dezelfde zendmasten aan in de omgeving van Rijsbergen. Dat de onderliggende zendmastgegevens niet in het dossier zijn gevoegd doet daar niet aan af, nu de rechtbank geen enkele aanwijzing heeft dat die zendmastgegevens niet zouden kloppen.

Ten slotte was er op 27 oktober 2017 zeer kort voor en tijdens de diefstal meermalen via WhatsApp-contact tussen * [telefoonnummer] ( [verdachte] ) en * [telefoonnummer] ( [naam 1] ), waarbij de gebruiker van * [telefoonnummer] de hiervoor onder het kopje ‘Het bewijs’ letterlijk opgenomen berichten heeft gestuurd. De rechtbank gaat er op basis van de inhoud van die berichten van uit, dat door de gebruiker van * [telefoonnummer] aan [naam 1] wordt gevraagd waar het geld blijft, omdat ‘hij’ (rechtbank: de mededader van de gebruiker van het nummer * [telefoonnummer] ) al bij de geldwagen staat.

Anders dan de raadsman heeft gesteld, blijkt uit opgevraagde NAW-gegevens (pag. 185) dat [verdachte] de tenaamgestelde van het nummer * [telefoonnummer] is.

Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat [verdachte] , die hij ‘ [naam 3] ’ noemt, het nummer * [telefoonnummer] gebruikt en dat [getuige 1] zijn blauwe [merk auto] met kenteken [kenteken] wel eens aan deze ‘ [naam 3] ’ heeft uitgeleend. Anders dan de raadsman acht de rechtbank de door [getuige 1] afgelegde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Met de raadsman stelt de rechtbank vast dat de door [getuige 1] in een andere strafzaak afgelegde verklaring over het uitlenen van zijn auto aan ‘ [naam 3] ’ zich niet in onderhavig dossier bevindt, maar de rechtbank is niet gebleken van enige aanwijzing dat de politie tijdens het verhoor onjuiste informatie uit die andere strafzaak aan [getuige 1] heeft voorgehouden. De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de inhoud van de door [getuige 1] afgelegde verklaring.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gebruiker van nummer * [telefoonnummer] , die door [naam 1] ‘ [naam 2] ’ wordt genoemd, [verdachte] is en dat die [verdachte] op 27 oktober 2017 als bestuurder in de [merk auto] zat.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen leidt de rechtbank af dat [verdachte] op 27 oktober 2017 kort voor de diefstal contact heeft opgenomen met [naam 1] met de vraag waar het geld blijft, omdat zijn mededader bij de geldwagen staat. [verdachte] zat op dat moment op de bestuurdersstoel in een blauwe [merk auto] , die hij even daarvoor had geparkeerd in de nabijheid van de geldwagen van [naam 1] .

[medeverdachte] is door [getuige 1] op foto’s van de camerabeelden van de geldwagen herkend als de persoon die de sealbag uit de geldwagen heeft weggenomen. Anders dan de raadsman hecht de rechtbank waarde aan die herkenning, omdat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] , net als [getuige 1] , woonachtig is op het adres [adres] , waaruit de rechtbank afleidt dat zij elkaar goed kennen. De foto’s van de camerabeelden zijn bovendien van voldoende kwaliteit om op basis daarvan een herkenning te doen. Daar komt bij dat ook verbalisant [verbalisant] veel gelijkenissen ziet tussen een foto van [medeverdachte] in het politiesysteem en de persoon die is te zien op de foto’s van de camerabeelden van de diefstal.

Ten slotte sterkt de door [medeverdachte] aan een politie-informant gegeven informatie over de diefstal in Rijsbergen de rechtbank in haar overtuiging dat hij daarbij betrokken is geweest. Hoewel [medeverdachte] op details de diefstal in Naaldwijk (onder parketnummer 09/852169-18, zie hiervoor) en de diefstal in Rijsbergen kennelijk door elkaar haalt, komt wat betreft de diefstal in Rijsbergen de door [medeverdachte] gegeven informatie in de kern overeen met het dossier, te weten:

  • -

    een overval op een geldwagen;

  • -

    bij de overval was geen gebruik gemaakt van wapens;

  • -

    de overval was gepleegd door twee personen;

  • -

    er was informatie verkregen van een Turkse medeweker en die medewerker had aan de overval meegewerkt;

  • -

    een buit van € 90.000,--;

  • -

    de politie heeft een foto van de verdachte van de overval, die is genomen vanuit de geldwagen.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de diefstal uit de geldwagen in Rijsbergen. [verdachte] heeft voorafgaand aan de diefstal meermalen telefonisch contact gehad met [naam 1] om (kort samengevat) te bewerkstelligen dat [naam 1] zou meewerken om diefstal uit de geldwagen mogelijk te maken, zo ook op 27 oktober 2017. [medeverdachte] en [verdachte] zijn op die dag samen in een door [verdachte] bestuurde [merk auto] naar de [bedrijf 4] in Rijsbergen gereden. [medeverdachte] is vervolgens uit de auto gestapt. [verdachte] bleef in de auto zitten om op de uitkijk te staan. Op het moment dat de geldtransportwagen rijdend en met een geopende deur vlakbij [medeverdachte] was, heeft [medeverdachte] sealbags uit de geldwagen weggenomen. Vervolgens is [medeverdachte] naar de [merk auto] gerend en ingestapt, waarna zij in die door [verdachte] bestuurde auto zijn gevlucht. Ten slotte geldt dat [medeverdachte] tegen de politie-informant heeft verteld hij en zijn vriend het buitgemaakte geld in twee gelijke delen hadden verdeeld.

De hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden hebben de uiterlijke verschijningsvorm van een – op grond van een plan dat de deelnemers vooraf duidelijk was – in bewuste en nauwe samenwerking uitgevoerde diefstal, waarbij zowel [medeverdachte] als [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht hadden, zoals hiervoor beschreven. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] de diefstal in vereniging hebben gepleegd.

Hetgeen de raadsman voor het overige nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

parketnummer 09/842169-18

hij op 19 april 2018 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander 150.757 euro, dat aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 09/852189-18 (gev. t.t.z.)

hij op 27 oktober 2017 te Rijsbergen, gemeente Zundert, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 90.000 euro, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [bedrijf 4] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn leven weer een positieve wending heeft gegeven. Het opleggen van een straf waardoor hij weer terug de gevangenis in moet, zou dat doorkruisen. Verdachte is verloofd, heeft een baan, heeft een beperkt strafblad en hij heeft tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Ten slotte heeft de raadsman nog gewezen op het feit dat in deze zaak geen sprake is geweest van geweld en voorts op het feit dat in een vergelijkbare zaak (diefstal van € 312.000,--) door de rechtbank Rotterdam een gevangenisstraf van 9 maanden is opgelegd. Gelet hierop wordt verzocht te volstaan met oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een deels voorwaardelijke straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft in een periode van zes maanden samen met zijn mededader twee diefstallen uit geldtransportwagens gepleegd. De eerste keer, in oktober 2017, is met de hulp van de chauffeur van de geldtransportwagen de deur van die wagen geopend, waarna de mededader een sealbag met daarin totaal € 90.000,-- uit die wagen heeft weggenomen. De tweede keer, in april 2018, is de mededader, op het moment dat de geldtransportwagen dicht tegen het geldoverdrachtsluik in de muur van de [bedrijf 1] stond, in die ruimte tussen de muur en de wagen gekropen en heeft hij sealbags uit die wagen weggenomen met daarin totaal

€ 150.000,--. Verdachte heeft bij de eerste diefstal een belangrijke rol gespeeld door te bewerkstelligen dat de chauffeur van de geldtransportwagen medewerking zou verlenen. Bij beide diefstallen heeft verdachte steeds de vluchtauto bestuurd. Verdachte en zijn mededader hebben derhalve totaal € 240.000,-- buitgemaakt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort diefstallen, ook indien daarbij - zoals in dit geval - geen sprake is van (bedreiging met) geweld, op de dienstdoende bankmedewerkers en geldkoeriers een grote impact heeft en angst kan veroorzaken - niet in de laatste plaats door de vrees dat er op enig moment toch geweld wordt gebruikt. Dit soort gebeurtenissen zijn ook in bredere zin, voor de omwonenden en de wijk waarin zulke incidenten plaatsvinden, verontrustend en tasten de gevoelens van vertrouwen en veiligheid in de omgeving aan. In deze zaak waren meerdere personen op straat getuige van de diefstallen. Het is mede aan hun oplettendheid te danken dat de daders van de diefstallen snel zijn gepakt. Verdachte en zijn mededader hebben blijkbaar enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin en zich niet bekommerd om deze gevolgen van hun handelen voor anderen.

De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee dat de diefstallen op geraffineerde wijze en zorgvuldig voorbereid hebben plaatsgevonden, waarbij bij één diefstal zelfs gebruik is gemaakt van de chauffeur van de geldtransportwagen. Voorts houdt de rechtbank ten nadele rekening met de omstandigheid dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en dat hij van het begin af aan een zwijgende proceshouding heeft aangenomen.

Daar staat tegenover dat verdachte en zijn mededader geen gebruik hebben gemaakt van geweld of bedreiging met geweld, terwijl dit bij feiten als deze doorgaans wel het geval is.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde diefstallen acht de rechtbank in beginsel oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende bestraffing.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 12 juni 2019. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van het plegen van een vermogensmisdrijf is veroordeeld. Voorts is op 19 november 2018 een strafbeschikking aan verdachte uitgevaardigd wegens overtreding van de Opiumwet, zodat de rechtbank rekening zal houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Nu geen recent reclasseringsadvies ten aanzien van verdachte beschikbaar is, heeft de rechtbank bij de strafoplegging geen rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsadvies van 23 juli 2018, nu de daarin vermelde informatie en conclusies tamelijk verouderd zijn. Wel heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze zaak, wat betreft de aard van de bewezen verklaarde feiten, enigszins op zichzelf staat en lastig te vergelijken valt met andere zaken, nu geen sprake is geweest van een overval op de geldtransportwagens, terwijl daar in veel gevallen wel sprake van is. Gelet op alle bovenstaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te hoog is.

Gelet op het beperkte strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden acht de rechtbank oplegging van een deels voorwaardelijke straf aangewezen, waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van het reeds ondergane voorarrest niet te boven gaat.

Alles afwegende, acht de rechtbank in dit geval oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

7 De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2]

(parketnummer 09/852189-18)

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend strekkende tot betaling van een bedrag van € 90.000,-- bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd (kort samengevat) dat niet vaststaat dat [bedrijf 2] de partij is die daadwerkelijk schade heeft geleden ten gevolge van de diefstal. Zelfs als daar wel van wordt uitgegaan is onduidelijk gebleven of [bedrijf 2] een deel van die schade via de verzekering vergoed heeft gekregen ofwel nog vergoed zal krijgen, terwijl het dossier daar wel aanwijzingen voor bevat. Gelet hierop levert behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces op, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij verzekerd is en dat met betrekking tot die verzekering een eigen risico geldt van € 25.000,--. De rechtbank heeft echter geen informatie of de benadeelde partij door de verzekering (deels) schadeloos is danwel zal worden gesteld en evenmin wat de eventuele stand van het eigen risico van de benadeelde partij is. Gelet hierop en op de gemotiveerde betwisting van de vordering door de raadsman, dient naar het oordeel van de rechtbank hierover een partijdebat te worden gevoerd. Aanhouding van de zaak om zo’n debat te bewerkstelligen zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook

niet-ontvankelijk verklaren. Zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder de parketnummers 09/842169-18 en 09/852189-18 heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

parketnummer 09/842169-18

diefstal door twee of meer verenigde personen;

parketnummer 09/852189-18

diefstal door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

de vordering van de benadeelde partij;

bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van As, voorzitter,

mr. J.C. U-A-Sai, rechter,

mr. E.M.M. Smilde-Schölvinck, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juli 2019.

mr. J. Biljard is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018102028 (onderzoek [onderzoek] ), van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft, Basisteam Westland, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 543).

2 Proces-verbaal van aangifte (met bijlage), p. 12-13.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] (met bijlagen), p. 123.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 30-31.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27; relaas proces-verbaal, p. 5.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 48.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 51.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 207-208.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 337-354.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 61.

11 Proces-verbaal stelselmatige informatie-inwinning, p. 325-327.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2017259460 (onderzoek [onderzoek] ), van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district Opsporing De Baronie, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 250).

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 128 en 129.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 126.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , p. 120-123.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , p. 33 en 36; proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , p. 45.

17 Proces-verbaal van bevindingen beelden geldtransportwagen (met bijlage), p. 136-152.

18 Proces-verbaal van aangifte van [naam 5] , p. 103-104.

19 Proces-verbaal stelselmatige informatie-inwinning, p. 325-327.

20 Proces-verbaal, p. 155.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 130-135.

22 Processen-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , p. 31-36, p. 38 en p. 41.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte H, [naam 1] , p. 54, 55 en 56.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 174.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 165.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , p. 56.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 177.

28 Proces-verbaal van bevindingen (met bijlage), p. 156 en 157.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 185 en 186.

30 Proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), p. 192-194.