Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8036

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
C/09/568278 / KG ZA 19-149
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

executie strafvonnis; op goede gronden nederlandse vi-regeling toegepast; geen sprake van verboden dubbele strafopslag; aantal in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen moeten nog in mindering worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/568278 / KG ZA 19-149

Vonnis in kort geding van 13 maart 2019

in de zaak van

[eiser] verblijvende te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. P.M. Iwema te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 februari 2019, met producties;

- de brief van mr. Ten Broeke van 19 februari 2019, met producties;

- de op 27 februari 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd;

- de faxbrief van mr. Ten Broeke van 5 maart 2019.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is in het Verenigd Koninkrijk strafrechtelijk vervolgd op verdenking van “conspiracy to evade the prohibition on the importation of controlled drugs, contrary to section 170(2)(b) of the Customs and Excise Management Act 1979 and section 1 and 1A of the Criminal Law Act 1977”.

2.2. ‘

The Crown Court at Leeds’ heeft [eiser] op 5 december 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaren (7.305 dagen) en een medeverdachte tot een gevangenisstraf van zestien jaren. Deze veroordeling is door de Engelse rechter blijkens de overgelegde ‘sentencing remarks’ onder meer als volgt gemotiveerd:

“now you stand (…) convicted of a very serious offence involving the agreement to import Class A drugs into this country, into the UK. It was on a scale which can readily be said to be commercial, for the quantity was well over 100 kilograms, with a potential street value of £16 million.

The plot itself, in the main, was extremely well-executed, the regular voyages of coal vessels from Colombia to Europe, and we are concerned with a voyage of one such vessel called the [X] from Colombia to the Clyde, in Scotland. It seems the established pattern of secreting large quantities of Cocaïne in the rudder trunking of those vehicles, vessels, because of the easy access from the sea as well from the ship itself. We have seen photographs of the careful packaging of those drugs and the secure fastening of them to the vessel itself so that they would be available for collection once they arrived in the port, or the approaches to the port. All that was necessary, therefore, was for those drugs to be taken from that vessel and the importation was complete.

The evidence, it seems to me, is clear, that you, [eiser] , (…) were involved in this scheme in a leading role, because the two of you went to Colombia, and no doubt there organised the sourcing and also the stowing of this material. You, [eiser] (…) were resident in the house where the computers were kept which tracked those vessels, and in particular the [X] , so that the two of you knew when the vessels you were interested in were in Dutch waters or in English waters or, in the event, in Scottish waters, and it was you, [eiser] (…) who put together this ad hoc team in order to unload them, or that is how it appears. It may well be that your role was different, that you were merely there to keep your eye on things, to inform others, but that does not matter. You have been clearly convicted on the surest evidence of being involved, and being involved in a leading role.

I pondered long and hard whether or not I could make a distinction between you two. I have decided that I can, but only just, because (…) it was [eiser] who was driving this particular end of this scheme.

Now, having said all that, I have to tell you that I have to have regard to the sentencing guidelines which have been laid down for the Courts in this country, and for importations on this scale and with this commercial magnitude the Court has to adopt a sentence when people play a leading role which is beyond 16 years. It seems to me that that applies also to offences of conspiracy as well as the actual importation”

2.3.

[eiser] is voorafgaand aan voormelde veroordeling aan het Verenigd Koninkrijk uitgeleverd onder de garantie van teruglevering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet (terugkeergarantie).

2.4.

De Engelse autoriteiten hebben de Nederlandse autoriteiten op 20 mei 2015 verzocht om in te stemmen met de erkenning en tenuitvoerlegging van de op 5 december 2014 aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf van twintig jaren. De Engelse autoriteiten hebben hierbij het volgende opgemerkt:

“The British authorities have no objection if the Dutch authorities award the 270 days under the Early Removal Scheme (ERS) which is in operation in England for those foreign national prisoners who are subject to a deportation order.”

2.4.1.

De minister van Justitie en Veiligheid (hierna: ‘de minister’) heeft de uitspraak van de Engelse rechter ingevolge artikel 2:11 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) doen toekomen aan de advocaat-generaal bij het ressortsparket, die deze uitspraak heeft voorgelegd aan de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: ‘het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden’).

2.4.2.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 juni 2015 geoordeeld dat a) er geen gronden zijn om de erkenning van de uitspraak van de Engelse rechter te weigeren, b) het feit waarvoor de ten uitvoer te leggen vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd ook naar Nederlands recht strafbaar is en het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet gegeven verbod oplevert en c) er wegens het strafmaximum naar Nederlands recht van twaalf jaren een wettelijke grond is tot aanpassing van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie, in die zin dat deze dient te worden aangepast tot tien jaren. Het gerechtshof heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:

“Uit het vonnis van de The Crown Court at Leeds in samenhang met de sentencing remarks blijkt dat veroordeelde mede betrokken is geweest bij de invoer van een grote hoeveelheid harddrugs vanuit Colombia naar het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daarbij een leidende rol gehad. Het hof heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, welke oriëntatiepunten het hof als uitgangspunt neemt, en het verschil in tijdstippen van voorwaardelijke invrijheidstelling volgens de Engelse en Nederlandse regelingen. Bij invoer van meer dan 20 kilogram harddrugs wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meer dan 60 maanden als uitgangspunt aanbevolen. Gelet echter op de grote hoeveelheid, 108 kilogram cocaïne, het georganiseerde verband waarin het feit heeft plaatsgevonden en de leidende rol die verdachte in de organisatie van het transport heeft gehad, is het hof van oordeel het dat aan veroordeelde door de Nederlandse rechter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijk langere duur dan voormelde aanbevolen straf zou zijn opgelegd. Het hof denkt daarbij aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar. Rekening houdend met de in het Verenigd Koninkrijk kennelijk levende opvattingen omtrent de ernst van het onderhavige feit acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren passend.”

2.5.

De minister heeft bij brief van 29 juni 2015 aan de Engelse autoriteiten bericht dat hij instemt met de teruglevering van [eiser] . Daarbij heeft de minister onder meer gewezen op de toepasselijkheid van de Nederlandse regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.-regeling).

2.6.

De minister heeft op 27 juli 2015 overeenkomstig artikel 2:12 WETS besloten dat het tegen [eiser] uitgesproken Engelse vonnis in Nederland kan worden erkend en dat de aan [eiser] opgelegde straf wegens het medeplegen van de invoer van 108 kilogram cocaïne in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Daarnaast heeft de minister op voormelde datum besloten dat de aan [eiser] opgelegde straf zal worden aangepast tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, zulks vanwege het feit dat die buitenlandse straf het Nederlandse strafmaximum voor dit delict overschrijdt. In deze beslissing heeft de minister ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidstelling het volgende opgemerkt:

“Uit de stukken blijkt dat de veroordeelde bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de sanctie in de staat van veroordeling op 1 augustus 2024 (voorwaardelijk of vervoegd) in vrijheid zou worden gesteld, te weten bij de helft van de straf. Daarnaast komt veroordeelde in aanmerking voor een korting van 270 dagen (vanwege een ongewenst verklaring). Deze datum is echter niet gunstiger dan de Nederlandse v.i. regeling na aanpassing van de straf naar tien jaar. Om die reden komt veroordeelde in Nederland op 22 januari 2021 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling.”

2.7.

De advocaat van [eiser] heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 april 2018 verzocht om het oordeel van 23 juni 2015 te herzien. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij e-mail van 12 april 2018 bericht daartoe niet te zullen overgaan. Dit bericht is als volgt onderbouwd:

“Uit de door de Britse autoriteiten aangeleverde stukken blijkt het volgende. Blijkens de indictment is aan de veroordeelde ‘Conspiracy to evade the prohibition on the importation of controlled drugs’ tenlastegelegd, en uit de sentencing remarks blijkt dat de veroordeelde en zijn mededaders betrokken waren bij een omvangrijke internationale drugssmokkel. De veroordeelde had hierbij een leidende rol. Uit de sentencing remarks blijkt bovendien dat de Britse rechter bij het vaststellen van de op te leggen sanctie (p. 2 van de sentencing remarks) de sentencing guidelines voor het invoeren van drugs als uitgangspunt heeft genomen. Gelet op de door de Britse rechter vastgestelde feiten is het hof van oordeel dat het feit naar Nederlands recht gekwalificeerd dient te worden als (het medeplegen van) het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.”

2.8.

Op 1 juni 2018 heeft de advocaat van [eiser] het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opnieuw verzocht om het oordeel van 23 juni 2015 te herzien. Op 6 juli 2018 is aan de advocaat van [eiser] een e-mail doorgestuurd van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met onder meer de volgende inhoud:

“De verdediging stelt zich - kort gezegd en zakelijk weergegeven - op het standpunt dat de veroordeelde niet is veroordeeld ter zake van het medeplegen van de invoer van 108 kilogram cocaïne, maar van het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht om voor te bereiden dan wel te bevorderen de invoer van cocaïne in de zin van artikel 10, vijfde lid van de Opiumwet en dat de opgelegde straf dient te worden aangepast naar het Nederlandse strafmaximum van zes jaren.

In de WETS-procedure dient het hof in het kader van de beoordeling van de dubbele strafbaarheid te beoordelen welke strafbare feiten de concrete feiten naar Nederlands recht zouden opleveren. Dit betekent dat de juridische kwalificatie van de feiten door het hof in sommige gevallen kan afwijken van de juridische kwalificatie van de feiten door de buitenlandse rechter.

Uit de door de Britse autoriteiten aangeleverde stukken blijkt het volgende. Blijkens de indictment is aan de veroordeelde Conspiracy to evade the prohibition on the importation of controlled drugs tenlastegelegd, en uit de sentencing remarks blijkt dat de veroordeelde en zijn mededaders betrokken waren bij een omvangrijke internationale drugssmokkel. De veroordeelde had hierbij een leidende rol. De veroordeelde is samen met de mededader naar Colombia vertrokken. Aldaar organiseerden zij het verkrijgen en het inladen van de cocaïne in de boot [X] . De [X] is vervolgens vanuit Colombia naar Clyde (Schotland) gevaren. Verdachte en de mededader hielden vanuit de woning waar ze verbleven de locatie van de boot met behulp van een computer in het oog. Ook waren zij verantwoordelijk voor het samenstellen van het team dat de boot zou uitladen. De [X] is uiteindelijk in de Schotse territoriale wateren onderschept. Uit de sentencing remarks blijkt dat de Britse rechter bij het vaststellen van de op te leggen sanctie de sentencing guidelines voor het invoeren van drugs als uitgangspunt heeft genomen.

Gelet op de door de Britse rechter vastgestelde feiten is het hof van oordeel dat het feit naar Nederlands recht gekwalificeerd dient te worden als (het medeplegen van) het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Voor zover is betoogd dat de boot is onderschept in de Schotse wateren, en daarom geen sprake is geweest van een voltooide invoer in Schotland en geen sprake van invoer in Engeland en Wales, verwijst het hof naar de extensieve uitleg van het begrip ‘invoer’ zoals deze binnen het Nederlandse strafrecht gebruikelijk is.”

2.9.

Bij dagvaarding van 29 augustus 2018 heeft [eiser] de Staat in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. In die procedure vorderde [eiser] het besluit van de minister van 27 juli 2015 te schorsen totdat in een bodemprocedure is geoordeeld over de duur van de aan [eiser] opgelegde vrijheidsbenemende straf naar Nederlands recht. [eiser] stelde in die procedure dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt door op 27 juli 2015 in lijn met het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te beslissen dat de in het Verenigd Koninkrijk aan hem opgelegde straf naar Nederlands recht zal worden aangepast tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Meer in het bijzonder keerde [eiser] zich tegen het oordeel dat de in de Engelse procedure bewezen feiten naar Nederlands recht kwalificeren als het medeplegen van de invoer van 108 kilogram cocaïne. Daarmee is volgens [eiser] het in de Engelse procedure aan hem ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit in strijd met de WETS gewijzigd.

2.9.1.

Bij vonnis van 18 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [eiser] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden getoetst aan de criteria van een executiegeschil. Daarbij heeft de voorzieningenrechter meer in het bijzonder getoetst of het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om de door de Britse rechter bewezenverklaarde feiten naar Nederlands recht te kwalificeren als het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet gegeven verbod, op een klaarblijkelijke juridische misslag berust. De voorzieningenrechter heeft zijn oordeel dat hiervan geen sprake is onder meer als volgt gemotiveerd:

“4.5. De Engelse rechter heeft blijkens de overgelegde sentencing remarks bewezen geacht dat [eiser] betrokken is geweest bij een ‘conspiracy’, oftewel een samenzwering gericht op het met commercieel oogmerk per schip invoeren van 108 kilogram cocaïne vanuit Colombia naar het Verenigd Koninkrijk. Deze samenzwering was volgens de Engelse rechter extreem goed voorbereid. De Engelse rechter heeft geconcludeerd dat [eiser] hierin een leidende rol heeft gespeeld en heeft hierbij gewezen op diens gebleken betrokkenheid bij a) de inkoop en het plaatsen van de cocaïne in het schip, b) het monitoren van het schip op afstand en c) de samenstelling van het team dat verantwoordelijk zou zijn voor het lossen van het schip. Vanwege de omstandigheid dat de door [eiser] beoogde invoer van cocaïne vrijwel voltooid was (de cocaïne hoefde volgens de Engelse rechter uitsluitend nog te worden gelost) heeft de Engelse rechter voor wat betreft de hoogte van de aan [eiser] op te leggen gevangenisstraf aansluiting gezocht bij de strafmaat voor voltooide invoer.

4.6.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zich in het kader van de beoordeling ex artikel 2:11, derde en vijfde lid, WETS rekenschap gegeven van de door de Engelse rechter bewezenverklaarde feiten en de door de Engelse rechter gehanteerde strafmaat door die feiten – in navolging van de Engelse rechter – middels een extensieve uitleg van het begrip ‘invoer’ naar Nederlands recht te kwalificeren als een overtreding van artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat deze beoordeling niet is aan te merken als een klaarblijkelijke juridische misslag. [eiser] heeft zich immers volgens de Engelse rechter schuldig gemaakt aan een vrijwel voltooide invoer van cocaïne in het Verenigd Koninkrijk, die voor wat betreft de te hanteren strafmaat met een voltooide invoer is gelijkgesteld. Wanneer [eiser] zou worden gevolgd in zijn standpunt dat de bewezenverklaarde feiten vanwege de onderschepping van de cocaïne in de Schotse wateren naar Nederlands recht slechts kunnen worden gekwalificeerd als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet, zou dit een aanmerkelijk lichter vergrijp opleveren dan de vrijwel voltooide invoer waarvoor [eiser] door de Engelse rechter is veroordeeld. Dit zou geen recht doen aan de, blijkens de door de Engelse rechter gehanteerde strafmaat, kennelijk in het Verenigd Koninkrijk levende opvattingen omtrent de ernst van die bewezenverklaarde feiten. Daarbij komt dat – zoals de Staat terecht heeft opgemerkt – de op handen zijnde tenuitvoerlegging van de door de Engelse rechter opgelegde straf in Nederland een uitvloeisel is van een tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk bereikte overeenstemming over de omzetting van de aan [eiser] opgelegde Engelse straf naar een Nederlandse equivalent voor de duur van tien jaren en niet onaannemelijk is dat de Engelse autoriteiten hun instemming aan een omzetting naar een straf voor het door [eiser] voorgestane lichtere vergrijp (het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet) zouden hebben onthouden.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – schorsing van de tenuitvoerlegging van het door de minister erkende Engelse strafvonnis, waarbij de aan hem opgelegde straf door de minister in lijn met het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is aangepast tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. In de eerste plaats stelt [eiser] dat hij heeft meegewerkt aan een terugkeer naar Nederland en dat hij om die reden aanspraak kan maken op een strafkorting van 270 dagen als bedoeld in de ERS. Met deze strafkorting is volgens [eiser] bij de omzetting van zijn straf ten onrechte geen rekening gehouden. In de tweede plaats stelt [eiser] dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het kader van de beoordeling conform de WETS tweemaal een strafopslag van twee jaren heeft toegepast teneinde rekening te houden met de in het Verenigd Koninkrijk levende opvattingen omtrent de ernst van de gepleegde feiten. Met het kwalificeren van de door de Engelse rechter bewezen feiten als een overtreding van artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden reeds een opslag van twee jaren toegepast ten opzichte van de kwalificatie handelen in strijd met artikel 10a Opiumwet (voorbereidingshandelingen). Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft volgens [eiser] voor deze kwalificatie gekozen om in verband met de in het Verenigd Koninkrijk levende opvattingen omtrent de ernst van de gepleegde feiten niet gebonden te zijn aan het uit artikel 10a Opiumwet voortvloeiende strafmaximum van zes jaren en een gevangenisstraf van acht jaren toepasselijk te kunnen achten. Door vervolgens in verband met voormelde in het Verenigd Koninkrijk levende opvattingen nogmaals een strafopslag van twee jaren toe te passen, is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar de mening van [eiser] buiten de grenzen van artikel 2:11, vijfde lid, WETS getreden. Voor die tweede verhoging ontbreekt volgens [eiser] een wettelijke grondslag. In de derde plaats stelt [eiser] dat de Staat bij het vaststellen van de detentiefaseringsdata en de v.i.-datum ten onrechte geen rekening heeft gehouden met vijftien door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen. Het ten onrechte niet-toepassen van de strafkorting van 270 dagen, de met de WETS strijdige dubbele strafopslag en het niet-aftrekken van bedoelde vijftien dagen voorlopige hechtenis hebben volgens [eiser] consequenties voor zijn detentiefasering en de berekening van de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.-datum) en rechtvaardigen een rechterlijk ingrijpen in dit kort geding.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Allereerst moet worden beantwoord de vraag of de Staat gehouden is om op de thans jegens [eiser] geëxecuteerde straf een strafkorting toe te passen van 270 dagen.

4.1.1.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Nu [eiser] in Nederland is gedetineerd, is op hem in beginsel de Nederlandse v.i.-regeling van toepassing. Artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalt dat degene die tot een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt veroordeeld voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan. Artikel 15, zevende lid, Sr bepaalt dat de minister in afwijking van deze hoofdregel kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip plaatsvindt in het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, doet een dergelijke situatie zich ten aanzien van [eiser] niet voor. Zoals ook blijkt uit de beslissing van de minister van 27 juli 2015 is – rekening houdend met de door [eiser] bedoelde strafkorting van 270 dagen – de Engelse v.i.-regeling voor [eiser] niet gunstiger dan de Nederlandse v.i.-regeling. Derhalve is op goede gronden besloten om de v.i.-datum van [eiser] krachtens de Nederlandse v.i.-regeling vast te stellen. De stelling van [eiser] dat de naar Nederlands recht berekende v.i.-datum met 270 dagen moet worden vervroegd, ontbeert een wettelijke grondslag en dient aldus te worden gepasseerd.

4.2.

Vervolgens is aan de orde het betoog van [eiser] dat de minister (en feitelijk het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) jegens hem een verboden dubbele strafopslag heeft toegepast. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, stelt [eiser] zich hiermee op het standpunt dat het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om de door de Engelse rechter opgelegde vrijheidsstraf aan te passen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor duur van tien jaren op een klaarblijkelijke juridische misslag berust.

4.2.1.

In dit standpunt kan [eiser] niet worden gevolgd. [eiser] heeft dit standpunt ook ingenomen in de kortgedingprocedure die heeft geleid tot het hiervoor deels weergegeven vonnis van 18 oktober 2018. De voorzieningenrechter heeft [eiser] destijds in dit standpunt niet gevolgd en door [eiser] zijn in deze procedure geen feiten of omstandigheden aangedragen die met zich brengen dat thans op dit punt anders dient te worden geoordeeld. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zich overeenkomstig de WETS rekenschap gegeven van de door de Engelse rechter bewezen feiten, de door de Engelse rechter gehanteerde strafmaat en de daarin verdisconteerde in het Verenigd Koninkrijk levende opvattingen omtrent de ernst van die bewezenverklaarde feiten. Die factoren, in onderlinge samenhang bezien, hebben het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden doen besluiten om a) de door de Engelse rechter bewezen verklaarde feiten naar Nederlands recht te kwalificeren als het (het medeplegen van) het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, Opiumwet gegeven verbod en b) de aan [eiser] opgelegde vrijheidsbenemende straf aan te passen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Mede gelet op het feit dat niet onaannemelijk is dat de Engelse autoriteiten hun instemming aan een omzetting van de Engelse straf naar een lichtere straf zouden hebben onthouden, treft het verwijt dat sprake zou zijn van een verboden dubbele strafopslag geen doel en is van een klaarblijkelijke juridische misslag geen sprake. Op die grondslag kan derhalve evenmin tot schorsing van de lopende tenuitvoerlegging worden besloten.

4.3.

Daarmee resteert de stelling van [eiser] dat de Staat in het kader van de berekening van zijn v.i.-datum en de detentiefasering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met vijftien door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen. Ook op die grondslag bestaat voor een rechterlijk ingrijpen in kort geding geen aanleiding. De Staat heeft immers bij faxbrief van 5 maart 2019 bericht dat hem is gebleken dat [eiser] vanaf 10 tot en met 25 mei 2014 gedetineerd is geweest in verband met de strafzaak waarvoor hij aan het Verenigd Koninkrijk is uitgeleverd. De Staat heeft toegezegd dat deze vijftien dagen alsnog op de thans geëxecuteerde straf in mindering zullen worden gebracht. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Staat deze toezegging gestand zal doen. Echter ook zonder deze toezegging zou op deze grondslag voor een schorsing van de tenuitvoerlegging geen aanleiding hebben bestaan. De inmiddels door de Staat toegezegde aftrek van vijftien dagen leidt er immers niet toe dat [eiser] reeds thans voor voorwaardelijke invrijheidstelling of detentiefasering in aanmerking komt, zodat het [eiser] aan een spoedeisend belang bij de door hem verlangde voorziening op deze grondslag ontbreekt.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. [eiser] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.

mw