Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8022

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
NL19.10105 (beroep) en NL19.10106 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag; geen zienswijze; de aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL19.10105 (beroep)

NL19.10106 (voorlopige voorziening)

[persoonsnummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 28 mei 2019 in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.D. Schreuder).


Procesverloop
Met het besluit van 26 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 16 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. L.M. Weber, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B.P. Boucher. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Oekraïense nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1976. Hij heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juni 2018 afgewezen. Dat besluit staat in rechte vast.

2. Op 18 maart 2019 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Verweerder heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Eiser heeft aan zijn eerste aanvraag ten grondslag gelegd dat hij als [functie] werkte voor [de personen] , leden van een criminele organisatie. In deze hoedanigheid had hij kennis van hun criminele activiteiten. Daarvan heeft hij aangifte gedaan. Vervolgens is hij in de problemen gekomen. Verweerder heeft in die procedure geloofwaardig geacht dat eiser aangifte heeft gedaan van de criminele activiteiten, maar niet dat hij als gevolg daarvan in de problemen is gekomen.

4. Aan zijn huidige aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij lid was van [een groep] van de Oekraïense veiligheidsdienst. Hij was dus niet zomaar [functie] , maar infiltrant bij de [de personen] . Hij kon hier eerder niet over verklaren, omdat hij een geheimhoudingsplicht had en uit angst om ontmaskerd te worden. Na afloop van de vorige procedure heeft hij ontdekt dat hij was ontmaskerd. Hij wist alleen nog niet door wie. [oud-collega's] zijn onder verdachte omstandigheden om het leven gekomen. [maand] 2018 is [de persoon 1] in Oekraïne ontvoerd. Op [datum] heeft [de persoon 2] , een persconferentie gegeven. Daarin heeft [de persoon 2] verklaard dat hij werkte voor de [dienst] en was geïnfiltreerd in de Oekraïense veiligheidsdienst. Nu weet eiser dus dat [de persoon 2] degene is die hem heeft ontmaskerd. Hij heeft geprobeerd vanuit Nederland (via de Oekraïense ambassade) aangifte te doen bij de Oekraïense autoriteiten, maar die autoriteiten willen niet meewerken. Daaruit leidt eiser af dat deze autoriteiten hem niet kunnen en willen beschermen. Eiser heeft tijdens zijn gehoor verwezen naar diverse documenten ter onderbouwing van dit relaas.

5. Volgens verweerder heeft eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd. Hij is er in de vorige procedure op gewezen dat het van belang was om zo volledig mogelijk te verklaren en dat alles wat hij vertelde vertrouwelijk zou worden behandeld. Hij had dus in de vorige procedure al moeten verklaren over zijn rol als infiltrant voor de veiligheidsdiensten. De documenten die hij bij zijn gehoor bij zich had, had hij ook al in de vorige procedure moeten overleggen. Bovendien waren het allemaal kopieën, geen originelen, en waren ze (grotendeels) niet vertaald.

6. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de procedure onzorgvuldig is geweest. In de vorige procedure had hij al veel documenten aan zijn advocaat gegeven. Die advocaat heeft deze documenten toen echter niet in de procedure ingebracht. Tijdens het gehoor in deze nieuwe procedure konden de documenten niet worden ingenomen of gekopieerd. Er is tegen hem gezegd dat hij dit bij de zienswijze kon doen. De advocaat die hij tijdens de opvolgende aanvraag had, heeft nog om uitstel gevraagd voor het indienen van de zienswijze, maar dit is niet gegeven. Op 25 april 2019 heeft de advocaat bovendien laten weten dat hij eiser niet langer kon vertegenwoordigen en dat eiser op zoek zou gaan naar een nieuwe advocaat. Desondanks is op 26 april 2019 het bestreden besluit genomen.

7. De rechtbank kan in deze procedure geen oordeel (meer) geven over de stukken die eiser in de vorige procedure al had willen overleggen. De rechtbank vindt het wel onhandig dat eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag niet in de gelegenheid is gesteld om de documenten over te leggen die hij had meegenomen. Verweerder heeft hem echter alsnog de gelegenheid geboden om dit bij de zienswijze te doen. De termijn voor het indienen van een zienswijze bedroeg twee weken, en verstreek op 25 april 2019. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat geen uitstel wordt verleend vanwege het wijzigen van de gemachtigde en ook niet als de vreemdeling, zoals eiser, in bewaring zit. Dat staat in paragrafen C1/2.10 en C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in principe aan zijn beleid moet houden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Er is niet gebleken dat sprake was van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder toch uitstel had moeten verlenen. Er is dus geen sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.

8. Ook al zou wel sprake zijn van een gebrek, dan nog is niet gebleken dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft een nieuwe advocaat gevonden, die heeft in beroep de gelegenheid gehad stukken over te leggen. Hij heeft, al dan niet in samenspraak met eiser, slechts één document overgelegd. Dit document is echter niet aan te merken als nieuw feit. Er blijkt weliswaar uit dat eiser niet via een videoconferentie vanaf de Oekraïense ambassade aangifte kan doen, maar dat heeft volgens het document een juridische reden. Uit het stuk kan niet worden afgeleid dat de Oekraïense autoriteiten eiser geen bescherming kunnen of willen bieden.

9. Ook inhoudelijk is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Ten eerste is daarvoor van belang dat eiser in de vorige procedure al melding had kunnen en moeten maken van zijn rol als infiltrant. Dat dit onmogelijk was, heeft hij niet (met stukken) onderbouwd. Ten tweede heeft hij ook zijn verklaringen over de persconferentie van [de persoon 2] , zijn rol als infiltrant, de dood van zijn collega’s en de ontvoering van [de persoon 1] op geen enkele wijze onderbouwd.

10. De aanvraag is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank, in de zaak met nummer NL19.10105, verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL19.10106, wijst het verzoek af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2019.

griffier

(voorzieningen)rechter

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.