Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8018

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
C/09/551310 / HA ZA 18-414
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst aangaande wapens tussen staat en wapenverzamelaar kwalificeert als bruikleenovereenkomst. Tegenbewijs toegelaten inzake de identificatie van de wapens. Bewijs toegelaten voor verkrijgende verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/551310 / HA ZA 18-414

Vonnis van 31 juli 2019

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN, te Den Haag,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

eiser in het incident,

advocaat mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag,

tegen

[gedaagde] , te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verweerder in het incident,

advocaat mr. B.D.W. Martens te Den Haag.

Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 april 2018 tevens houdende een incidentele vordering op de voet van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende verzoek om eerst een getuigenverhoor te gelasten alvorens verder te procederen en tevens houdende vordering in reconventie, met producties;

  • -

    het vonnis van 11 juli 2018, waarin een datum voor comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    brief van mr. Langbroek van 25 september 2018, met producties;

  • -

    brief van mr. Martens van 26 september 2018, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 11 oktober 2018;

  • -

    email van mr. Langbroek, met de digitale versie van productie 27 van de Staat;

  • -

    brief van mr. Martens van 14 november 2018, met een brief van brigadier Van der Meer van 9 november 2018 en een brief van 29 september 2002 van [gedaagde] .

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. De Staat en [gedaagde] hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en bij brieven van onderscheidenlijk 6 november 2018 en 7 november 2018 opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal gemaakt. Het proces-verbaal wordt gelezen met inachtneming van deze opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is hobbymatig wapenverzamelaar. Hij is lid van de Nederlandse Vereniging tot Bevordering en Instandhouding van Vuurwapenverzamelingen Edouard de Beaumont (hierna: de Vereniging), een door de Minister van Justitie en Veiligheid bij regeling erkende vereniging van wapenverzamelaars. Een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning voor het houden van wapens die niet vallen onder de vrijstellingsregeling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie is lidmaatschap van de Vereniging. [gedaagde] heeft een dergelijke vergunning, een zogenoemd verzamelverlof, van de politie verkregen en is op basis hiervan bevoegd om bepaalde wapens, waaronder alle wapens waarop het onderhavige geschil betrekking heeft, onder zich hebben. Het verzamelverlof bevat een lijst met wapens die de betreffende verzamelaar op dat moment legaal onder zich heeft. Indien een verzamelaar een nieuw wapen verkrijgt of een wapen verhandelt, dient hij dit bij de politie te melden zodat het verlof kan worden aangepast. Op basis van deze informatie houdt de politie in het bedrijfsprocessensysteem genaamd Verona bij wie welke wapens onder zich heeft en onder zich heeft gehad.

2.2.

Eind juli 2000 is er tussen de Staat en de Vereniging een overeenkomst gesloten die door hen als bruikleenovereenkomst is aangeduid (hierna: Bruikleenovereenkomst 2000), betreffende zogenoemde FAL geweren. In de Bruikleenovereenkomst 2000 is onder meer het volgende opgenomen, waarbij de afkorting ‘DM’ staat voor Directeur Materieel bij Defensie en ‘Bruiklener’ de Vereniging betreft:

“Artikel 1

  1. DM geeft op in overleg te bepalen datum aan Bruiklener in bruikleen de in Bijlage A vermelde zaken, zulks voor de onbepaalde tijd. Van de overdracht van de in bruikleen te geven zaken zal een door partijen te ondertekenen protocol worden opgemaakt (zie Bijlage B).

  2. DM geeft de zaken uitsluitend in bruikleen ten behoeve van instandhouding van de historie van de Nederlandse krijgsmacht, ten gunste van de leden van de Nederlandse Vereniging tot Bevordering en Instandhouding van Vuurwapenverzamelingen. (N.V.B.I.W.)

  3. Bruiklener verklaart door ondertekening van het protocol van overdracht de zaken in gebruikte doch goede staat van onderhoud van DM in ontvangst te hebben genomen.

  4. Het is Bruiklener toegestaan aan de zaken bewerkingen uit te voeren voor zover noodzakelijk om de in bruikleen te geven goederen in operationele staat te houden.

Artikel 2

Bruiklener is verplicht als een goed huisvader voor de zaken te zorgen en deze uitsluitend te gebruiken voor het in artikel 1 lid 2 omschreven doel. Periodiek onderhoud aan de zaken wordt uitgevoerd door de Bruiklener die ook de kosten daarvoor draagt.

Indien het einde van de levensduur der in bruikleen gegeven goederen is bereikt, dient bruiklener zorg te dragen voor vernietiging. DM dient hiervan voorafgaand schriftelijk in kennis te worden gesteld. Bij vernietiging dienen de vigerende Defensie voorschriften ten aanzien van de vernietiging van strategisch materieel te worden nageleefd.

Artikel 3

Bruiklener draagt het risico voor verlies en beschadiging van de zaken, door welke oorzaak ook ontstaan, vanaf het moment van overdracht van de zaken aan Bruiklener door DM.

Artikel 4

De kosten van het vervoer van de zaken alsmede alle kosten gemaakt om van de zaken gebruik te kunnen maken zijn voor rekening van Bruiklener zonder dat zulks aan Bruiklener bij het einde van de bruikleenovereenkomst recht geeft tot enige vergoeding van DM.

Artikel 5

Bruiklener is niet gerechtigd de zaken om niet of onder bezwarende titel aan derden in gebruik te geven.

Artikel 6

  1. DM kan deze overeenkomst tussentijds schriftelijk geheel of gedeeltelijk opzeggen.

  2. Bij toepassing van het eerste lid van dit artikel zal DM zo mogelijk een opzeggingstermijn in acht nemen van vier weken.

Artikel 7

Bruiklener dient DM terstond schriftelijk kennis te geven van verlies van de zaken, onder vermelding van aard en oorzaak.”

2.3.

In 2002 ontstond voor de Vereniging opnieuw de mogelijkheid om van de Staat een aantal in onbruik geraakte wapens te verkrijgen. De Vereniging diende hiervoor aan de heer [A] (hierna: [A] ), lid van de Vereniging en tevens in dienst van het Ministerie van Defensie, een wensenlijst van de leden aan te leveren. Om te inventariseren welke wapens door haar leden gewenst werden, heeft de Vereniging een ongedateerde brief aan haar leden gestuurd waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Geachte leden,

Enige tijd geleden hebben wij een aantal FAL geweren aan onze leden, die Nederlandse wapens verzamelen, via de vereniging in bruikleen kunnen geven.

Om een eventueel vervolg op deze actie te kunnen organiseren, verzoeken wij de verzamelaars onder onze leden, die gespecialiseerd zijn in Nederlandse wapens, ons op te geven welke NEDERLANDSE wapens van NA de periode ’40-’45 in hun verzameling nog ontbreken.

Aan de hand van de ontvangen lijstjes zullen wij gericht een aantal gespecificeerde wapens kunnen aanvragen, die voor zover beschikbaar en mogelijk, in bruikleen gegeven kunnen worden.

(…)

Wij verzoeken, de daarvoor in aanmerking komende leden ons voor 1 oktober 2002 hun lijst toe te sturen.”

2.4.

Tussen de Vereniging en de Staat is met het oog op de wapens die aan leden van de Vereniging zouden worden uitgegeven een nieuwe overeenkomst gesloten, gedateerd 14 maart 2003 en getiteld “Bruikleenovereenkomst” (hierna: Bruikleenovereenkomst 2003). De Bruikleenovereenkomst 2003 is tekstueel gelijk aan de Bruikleenovereenkomst 2000, met dien verstande dat in de Bruikleenovereenkomst 2003 het volgende aan artikel 5 is toegevoegd:

“Artikel 5

(…) DM is te allen tijde gerechtigd toezicht uit te oefenen op de zaken."

2.5.

In de Bruikleenovereenkomst 2003 wordt verwezen naar de bijbehorende Bijlage A, bestaande uit een lijst wapens waarop de overeenkomst betrekking heeft. In Bijlage A zijn onder meer de volgende wapens opgenomen:

“Fal [wapennummer 1]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 2]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 3]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 4]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 5]

LSW FALO [wapennummer 6] ”

2.6.

Tussen de Staat en de Vereniging is afgesproken dat de wapens zoals vermeld in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003 door de Staat worden gegeven aan [BV I] (hierna: [BV I] ). [BV I] zou deze wapens vervolgens aan de betreffende leden van de Vereniging verstrekken.

2.7.

[A] heeft bij e-mail van 25 mei 2003 aan de toenmalige voorzitter van de Vereniging aangegeven welke wapens de individuele leden zullen ontvangen van de Staat. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Hier volgt de lijst met namen van degene die een aanvraag hebben gedaan en ook wat gaan krijgen. De wapens liggen voor 01062003 bij [B] , dus na die datum kunnen de mensen contact opnemen met [B] .

(…)

[gedaagde] : 1 x Fal, 1 x Falo, 1 x Garand M1D, 1 x Uzi, 2 x Pist FN/INGLIS.”

2.8.

Op 30 mei 2003 heeft [BV I] wapens ter uitgifte aan de leden ontvangen. De heer [B] van [BV I] heeft op deze datum getekend voor de ontvangst van die wapens. Vanaf 1 juni 2003 heeft uitgifte door [BV I] aan de leden van de Vereniging plaatsgevonden. [gedaagde] heeft aldus een aantal wapens ontvangen.

2.9.

Kort hierna heeft de Staat besloten dat de wapens die aan de Vereniging in bruikleen waren verstrekt op basis van de Bruikleenovereenkomst 2000 en de Bruikleenovereenkomst 2003 (hierna gezamenlijk: de Bruikleenovereenkomsten) aan hem dienden te worden teruggegeven. [BV I] heeft in dit kader de wapens die het onderwerp waren van de Bruikleenovereenkomst 2003, voor zover zij die nog onder zich had, op 31 juli 2003 bij de Staat ingeleverd. De Staat heeft de Vereniging aangeschreven over het inleveren van de rest van de wapens, namelijk de wapens die [BV I] aan de leden van de Vereniging had verstrekt. In een brief van 17 oktober 2003 van de Staat is onder meer het volgende opgenomen, waarbij de overeenkomsten HP 00/17 en HP 03/20 duiden op achtereenvolgend de Bruikleenovereenkomst 2000 en de Bruikleenovereenkomst 2003:

“Het huidige beleid van de overheid staat overdracht van bruikbare wapens aan wapenhandelaren, particulieren en schietverenigingen niet toe. Dit beleid is ingegeven door het feit dat Defensie bij een dergelijke overdracht niet langer de verantwoordelijkheid voor het gebruik en het beheer van de wapens draagt. De mogelijkheid dat de wapens, ondanks de te stellen voorwaarden en ondanks het feit dat de gegadigden over de noodzakelijke vergunningen beschikken, een ongewenste bestemming krijgen (hoe gering die kans ook is) vormt een te groot (politiek) risico.

Het spijt mij dan ook u te moeten mededelen dat op grond van bovenstaande, de bruikleen overeenkomst HP 00/17 en de bruikleenovereenkomst HP 03/20 conform artikel 6 van deze overeenkomsten komen te vervallen.

Ik verzoek u dan ook om de artikelen genoemd in deze overeenkomsten, na afspraak te komen inleveren.”

2.10.

In reactie op dit verzoek van de Staat heeft de Vereniging bij brief van 8 februari 2004 onder meer het volgende aangegeven:

“Reeds een aantal jaren hebben wij van de Defensie een 34 tal FAL geweren in bruikleen.

(…)

Onlangs werd onze vereniging in de gelegenheid gesteld om een hondertal wapens uit de periode 1945-1961 in bruikleen te verkrijgen.

(...)

Mocht het ministerie van Defensie vinden dat de bruikleen overeenkomst teveel verantwoordelijkheid met zich meebrengt, dan zijn wij ook bereid om de wapens aan te kopen.”

2.11.

Hierna is tussen de Staat, bij monde van de schout-bij-nacht de heer [X] , Hoofddirecteur Materieel van Defensie (hierna: [X] ) en de Vereniging verder gecorrespondeerd over teruggave van de wapens. Partijen waren het niet eens over de teruggave. Bij brief van 4 augustus 2004 heeft de toenmalige voorzitter van de Vereniging, mevrouw [C] (hierna: [C] ) aan de Staat onder meer voorgesteld om over te gaan tot een overleg:

“De zaak betreffende de in bruikleen verstrekte handvuurwapens (uw laatste kenmerk M2004001199) lijkt in een impasse terechtgekomen te zijn.

Wij zouden het zeer op prijs stellen om met u een gesprek over deze materie te hebben, om te zien of we deze impasse kunnen doorbreken. Daarbij willen wij ons laten vergezellen door een van de directeuren van het Legermuseum en een afgevaardigde van het Ministerie van Justitie, afdeling Bestuurszaken.”

2.12.

Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de Staat zich tot een dergelijk gesprek bereid verklaard. [A] heeft op 25 september 2017 over dit gesprek tussen de Staat en de Vereniging en de periode erna het volgende op schrift gesteld:

“Na deze brief is er een gesprek geweest tussen Defensie en het bestuur van genoemde vereniging. Ik kreeg toen van mijn directe chef te horen dat ik het dossier kon sluiten, en de rest van de wapens niet meer hoefde in te nemen. Ik ben inhoudelijk niet op de hoogte van het gesprek.

In 2005 volgde een grote reorganisatie (…). Voorafgaande aan deze grote reorganisatie, en de daarmee geplande verhuizingen werden de archieven geschoond en de niet meer lopende en relevante archieven geschoond, en dus ook de bruikleen overeenkomst vernietigd.”

2.13.

In de jaren daarna zijn tijdens diverse ledenvergaderingen van de Vereniging de bruikleenwapens ter sprake gekomen. In de notulen van de vergadering van 18 april 2006 is onder meer opgenomen:

“Bruikleenwapens: Dit wordt zolangzamerhand een echte soap! Wij hebben uit officiële kanalen niets meer mogen vernemen. Echter de KNSA [Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie, toevoeging rechtbank] heeft wel te horen gekregen dat de wapens die zij hebben gekregen binnen 2 maanden geretourneerd dienen te worden en ook het politiemuseum dient hun bruikleenwapens in te leveren.”

2.14.

Uit interne correspondentie binnen Defensie blijkt dat de KNSA enige tijd hierna inderdaad wapens heeft ingeleverd. [A] schrijft op 14 juli 2006 aan de heer [Y] , senior beleidsmedewerker van de hoofddirectie materieel van het ministerie:

“Het is gelukt, gisteren 13072006, hebben we 200 Garands overgenomen van de KNSA, getransporteerd naar de verzamelplaats in Soesterberg en ze aldaar ingeleverd. Hiermee is het hoofdstuk KNSA afgerond.”

2.15.

In reactie hierop heeft [Y] onder meer aan [A] bericht dat de volgende stap dient te zijn het terugkrijgen van de wapens die aan de Vereniging in bruikleen zijn gegeven:

“Fantastisch! Had ik niet durven hopen.

Hartelijk dank voor je inspanningen.

De volgende stap is de aan de Verzamelaars Edouard de Beaumont in bruikleen gegeven handvuurwapens in het Legermuseum te krijgen.”

2.16.

In de notulen van de ledenvergadering van de Vereniging op 21 maart 2007 staat vermeld:

“Inzake de leenwapens is er geen nieuws. Dus goed nieuws.”

2.17.

De Staat heeft daarna de Vereniging aangeschreven bij brief van 28 juli 2017. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“In het verleden is aan uw vereniging door het Ministerie van Defensie een aantal wapens in bruikleen verstrekt. Deze bruikleen is reeds geruime tijd geleden door de toenmalige Hoofddirecteur Materieel opgezegd en u is destijds verzocht deze wapens in te leveren. Daaraan heeft u tot op heden geen gehoor gegeven.

In lijn met eerdere correspondentie met uw vereniging met betrekking tot de teruggave van deze wapens, verzoek ik u thans met klem uitvoering te geven aan de eerder gegeven opdracht de aan uw vereniging in bruikleen gegeven wapens in te leveren, en wel uiterlijk per 16 augustus 2017.”

2.18.

De Vereniging heeft hierop haar leden aangespoord om de wapens die genoemd zijn in de bijlagen bij de Bruikleenovereenkomsten in te leveren. [gedaagde] heeft in reactie hierop op 12 augustus 2017 onder protest een drietal wapens van het type FAL, die hij had verkregen onder de Bruikleenovereenkomst 2000, ingeleverd bij Handelsonderneming Beijer te Amersfoort. Bij brief van 10 oktober 2017 heeft [gedaagde] aan de Staat kenbaar gemaakt dat hij niet tot verdere inlevering van wapens zal overgaan. In deze brief staat onder meer, waarbij ‘MvD’ staat voor ‘Ministerie van Defensie’:

“In de negende maand van het jaar 2002 heb ik aan EdB kenbaar gemaakt welke wapens van de door het MvD beschikbaar gestelde lijst ik op basis van bruikleen aan mijn verzameling zou willen toevoegen. De EdB heeft mijn verzoek ingewilligd (de zogenaamde tweede tranche).

(…)

Sinds een aantal maanden is de EdB, ervan uitgaande in opdracht van het MvD, actief in het aansporen van de leden om de destijds in bruikleen uitgegeven wapens (eerste en tweede tranche) zo spoedig mogelijk in te leveren. Aan de oproep van de EdB de wapens uit de eerste tranche in te leveren heb ik voldaan.

(…)

Voorts beschouw ik mij in relatie tot de bruikleen wapens als rechthebbende en mocht ik mij als zodanig ook als rechthebbende beschouwen aangezien ik destijds van het bestuur van de EdB, in de hoedanigheid van mevrouw [C] , de toezegging heb gehad dat de bruikleen wapens niet meer terug hoefde naar het MvD.

(…)

Wat verder opvallend is, is dat er ten aanzien van de bruikleen wapens in de eerste tranche, zoals te doen gebruikelijk een bruikleenovereenkomst was opgesteld welke door zowel de EdB als door mij persoonlijk was ondertekend.”

2.19.

Deze brief heeft geleid tot een bespreking bij het Ministerie van Defensie op 16 november 2017 waarbij onder meer [gedaagde] en luitenant-kolonel [Z] aanwezig waren. In het gespreksverslag is het volgende opgenomen:

“b) Dhr. [gedaagde] is al geruime tijd (…) lid van EdB. Hij heeft reeds een aantal wapens ingeleverd, maar heeft nog zes wapens in beheer (4x Browning, 1x FAL en 1x FALO).

c) Dhr. [gedaagde] geeft in zijn brief en in het gesprek aan dat hij de bruikleenwapens wenst te behouden. Voorts geeft hij aan dat hij de (resterende) bruikleenwapens nog niet heeft ingeleverd omdat dit, naar zijn inschatting, zijn positie niet verbetert.”

2.20.

Na enige correspondentie tussen de Staat en [gedaagde] heeft de Staat op 22 maart 2018 conservatoir beslag doen leggen op zes wapens en deze in gerechtelijke bewaring gegeven aan het Nationaal Militair Museum. In het proces-verbaal van beslaglegging zijn deze wapens door de deurwaarder als volgt omschreven:

“ een automatisch geweer FAL/FN, met wapennummer: [wapennummer 1]

een pistool Browning/FN, met wapennummer: [wapennummer 2]

een pistool INGLIS/FN, met wapennummer: [wapennummer 3]

een pistool Browning/FN, met wapennummer: [wapennummer 4]

een pistool Browning/FN, met wapennummer: [wapennummer 5]

een automatisch geweer FALO/FN, met wapennummer: [wapennummer 6] ”

2.21.

Naar aanleiding van dit conservatoir beslag heeft [gedaagde] een rapport laten opstellen door FARE Consultants met als hoofdvraag, kort gezegd, of de door de Staat in beslag genomen wapens eenduidig kunnen worden geïdentificeerd door middel van de gegevens zoals in de beslagstukken opgenomen, zijnde het wapentype en het wapennummer. FARE Consultants beantwoordt deze vraag met “nee”. In het rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“Door Inglis en Canadian Arsenals geleverde pistolen hebben over het algemeen serienummers die beginnen met een cijfer, gevolgd door een T en daarna nog vier cijfers. Het cijfer voor de T geeft aan welk blok van 999 wapens het betreft. Helaas kan niet gesteld worden dat een T serienummer per definitie betekent dat het om een Inglis pistool gaat. De pistolen die na de oorlog geleverd zijn door de firma Canadian Arsenals zijn samengesteld uit bijeengegaarde onderdelen. Het is mogelijk dat daarbij een Inglis slede is gebruikt maar dat het frame niet van Inglis afkwam.

(…)

In het document wordt gesproken over FN/Inglis/KNIL pistolen. Daarachter staan nummers zonder prefix. Inglis pistolen geproduceerd tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben allemaal een cijfer + T prefix. In principe kan geen van de vermelde wapens dus een Inglis pistool zijn. Als de prefix echter bij de vermelding van het serienummer weggelaten is kan het gaan om zowel een FN als een Inglis wapen en is identificatie aan de hand van deze gegevens dus niet mogelijk.

Hetzelfde geldt voor de laatste twee genoemde pistolen. Daarbij wordt een serienummer met T prefix vermeld. Onduidelijk is echter of hier het eerste cijfer is weggelaten. Aangezien FN ook pistolen met een T prefix heeft geproduceerd kan het hier ook gaan om zowel een FN als een Inglis (of Canadian Arsenal) wapen en is eenduidige identificatie aan de hand van deze gegevens niet mogelijk.

(…)

FN heeft altijd een flexibel beleid gevoerd wat betreft serienummers. Bij introductie van een nieuw wapen werd begonnen met serienummer 1. Ook als eenzelfde type geleverd werd aan een ander land werd vaak opnieuw met nummeren begonnen. (…) Het is bekend dat er bij FN pistolen, zelfs binnen groepen wapens van hetzelfde type en hetzelfde kaliber, veel nummerdoublures zijn. Ook zullen dezelfde nummers voorkomen bij verschillende wapentypes. Om een FN pistool eenduidig te kunnen identificeren is dan ook veel informatie nodig. De aanduiding “FN pistool nummer xxx” is verregaand onvoldoende.

(…)

Het is van groot belang dat de gegevens compleet zijn. Als de prefix van een serienummer niet vermeld wordt bestaat de mogelijkheid dat er meerdere wapens met dat nummer blijken te bestaan. als niet bekend is om wat voor model of wat voor kaliber het gaat zullen er zeker meerdere wapens zijn die binnen de criteria vallen.”

3 Het geschil in het incident en in de hoofdzaak

In het incident

3.1.

De Staat vordert – samengevat – dat de rechtbank [gedaagde] beveelt alle overeenkomsten, althans documenten met betrekking tot de Garand M1D en de Uzi waarbij [gedaagde] partij is over te leggen op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.

3.2.

De Staat legt hieraan ten grondslag dat:

  • -

    hij deze wapens op basis van de Bruikleenovereenkomst 2003 heeft geleverd aan [BV I] ;

  • -

    [BV I] deze wapens heeft uitgeleverd aan [gedaagde] ;

  • -

    de deurwaarder de wapens niet bij [gedaagde] heeft aangetroffen bij het leggen van conservatoir beslag;

  • -

    de wapens dus door [gedaagde] verkocht althans vervreemd moeten zijn;

  • -

    [gedaagde] hiermee een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de Staat, die hierdoor schade heeft geleden en die voor het bepalen van de omvang van deze schade de gevorderde informatie nodig heeft;

  • -

    de Staat de wapens alleen kan revindiceren indien [gedaagde] aangeeft aan wie deze wapens zijn vervreemd.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

In de hoofdzaak

In conventie

3.4.

De Staat vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat de Staat eigenaar is van de volgende, door hem in beslag genomen wapens:

 automatisch geweer FAL/FN, wapennummer: [wapennummer 1]

 pistool Browning/FN, wapennummer: [wapennummer 2]

 pistool INGLIS/FN, wapennummer: [wapennummer 3]

 pistool Browning/FN, wapennummer: [wapennummer 4]

 pistool Browning/FN, wapennummer: [wapennummer 5]

 light support weapon FALO, wapennummer: [wapennummer 6]

  • -

    [gedaagde] veroordeelt bovenstaande wapens aan de Staat af te geven;

  • -

    voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens de Staat heeft gehandeld door wapens die eigendom zijn van de Staat aan derden te verkopen, althans over te dragen;

  • -

    [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding aan de Staat, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, de beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.

3.5.

De Staat legt hieraan ten grondslag dat:

  • -

    hij de in beslag genomen wapens in bruikleen aan de Vereniging had verstrekt op grond van de Bruikleenovereenkomst 2003;

  • -

    de Vereniging de eigendom van deze wapens als bruiklener niet aan derden kon overdragen;

  • -

    [gedaagde] de eigendom van de wapens niet heeft verkregen en slechts houder was;

  • -

    de Staat de wapens zodoende als eigenaar kan terugvorderen.

3.6.

[gedaagde] voert verweer en verzoekt om een getuigenverhoor te gelasten ter verdere instructie van de zaak.

In reconventie

3.7.

[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis :

  • -

    de Staat veroordeelt om de inbeslaggenomen wapens aan [gedaagde] als zijn eigendom terug te geven;

  • -

    de Staat veroordeelt om de door [gedaagde] onder protest ingeleverde drie FAL-geweren als zijn eigendom aan hem terug te geven;

  • -

    voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door zijn eigendommen in beslag te nemen en de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure;

met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.8.

[gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat:

  • -

    de Bruikleenovereenkomsten juridisch geen bruikleenovereenkomsten zijn, zodat hij de wapens onder titel van eigendom heeft verkregen;

  • -

    de Staat niet heeft aangetoond dat de in beslag genomen wapens dezelfde wapens zijn als die in bruikleen aan de Vereniging zijn verstrekt, zodat revindicatie niet mogelijk is;

  • -

    hij hoe dan ook door latere mededelingen van de Vereniging bezitter te goeder trouw is geworden zodat hij middels verkrijgende verjaring eigenaar van de wapens is geworden.

3.9.

De Staat voert verweer.

In conventie en reconventie

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.2.

Aan de orde is of de Bruikleenovereenkomsten kwalificeren als bruikleenovereenkomsten in de zin van artikel 7A:1777 BW. Indien en voor zover dit het geval is, moet beoordeeld worden of [gedaagde] eigenaar geworden is van de in bruikleen gegeven wapens op basis van - kort gezegd - nadien gemaakte afspraken tussen de Staat en de Vereniging. En ten slotte moet, als [gedaagde] geen eigenaar is geworden van de wapens, beoordeeld worden of de wapens waarop de Staat conservatoir beslag heeft doen leggen en die [gedaagde] eerder bij de Staat heeft ingeleverd, de wapens zijn die aan [gedaagde] op grond van de Bruikleenovereenkomsten in bruikleen zijn gegeven.

4.3.

De rechtbank zal de genoemde onderwerpen achtereenvolgend bespreken. [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor te gelasten ter verdere instructie van de zaak. Dit verhoor acht hij onontbeerlijk om vast te stellen wie de zakelijk gerechtigde is tot de wapens, wat er in het gesprek in 2004 is beslist en of en welk beleid destijds werd gevoerd. Gelet op de betrokken stellingen en verweren in de processtukken en het verhandelde ter zitting, kwalificeert de rechtbank het verzoek van [gedaagde] als een (dringend) aanbod om tot bewijslevering te worden toegelaten.

Kwalificatie van de overeenkomsten

Bruikleenovereenkomst 2000

4.4.

[gedaagde] stelt dat de Bruikleenovereenkomst 2000 weliswaar door partijen een bruikleenovereenkomst is genoemd, maar dat zij inhoudelijk het karakter heeft van een schenking, een verstrekking om niet, of een eigendomsoverdracht. Partijen hadden niet de bedoeling om een bruikleenovereenkomst overeen te komen en hebben het woord ‘bruikleenovereenkomst’ in de communicatie slechts in overdrachtelijke zin gebruikt.

4.5.

De Staat voert aan dat de Bruikleenovereenkomst 2000 juridisch is te kwalificeren als een bruikleenovereenkomst, en dat zowel de Staat, de Vereniging als [gedaagde] er in hun communicatie steeds van zijn uitgegaan dat de wapens juridisch ten titel van bruikleen zijn uitgegeven. Hiernaast heeft [gedaagde] zelf bij brief van 10 oktober 2017 verklaard dat hij de wapens die genoemd zijn in de Bruikleenovereenkomst 2000 in bruikleen heeft verkregen, aldus de Staat.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is de naam die partijen aan een overeenkomst geven niet bepalend voor de kwalificatie van een overeenkomst. Hoe de overeenkomsten moeten worden gekwalificeerd, is een kwestie van uitleg, waarbij het gaat om het vaststellen van de betekenis die in verband met de omstandigheden van het concrete geval moet worden gehecht aan de verklaringen die partijen aan elkaar afgelegd met het oogmerk een overeenkomst aan te gaan, en daardoor het vaststellen van de door die verklaringen in het leven geroepen rechtsgevolgen. Kort gezegd, in dit geval of deze beoogde rechtsgevolgen de kwalificatie van een bruikleenovereenkomst in de zin van artikel 7A:1777 BW rechtvaardigen. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het gegeven geval.

4.7.

Niet in geschil is dat de drie FAL geweren zaken zijn die [gedaagde] op basis van de Bruikleenovereenkomst 2000 om niet in gebruik heeft gekregen van de Staat. Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of op [gedaagde] een teruggaveverplichting rust, zoals artikel 7A:1777 BW voor het bestaan van een bruikleenovereenkomst vereist. Volgens [gedaagde] is dit niet het geval en is sprake van de overdracht van eigendom. De rechtbank volgt hem hierin niet, om de hierna volgende redenen.

4.8.

[gedaagde] voert aan dat de Bruikleenovereenkomst 2000 voor onbepaalde tijd is aangegaan. De rechtbank begrijpt dit zo, dat volgens [gedaagde] door deze onbepaalde duur geen tijdelijkheid van het gebruik bestaat, ofwel een teruggaveverplichting ontbreekt, zodat er geen sprake kan zijn van bruikleen.

De rechtbank stelt voorop dat volgens de wetgever de teruggaveplicht besloten is in de tijdelijkheid van het gebruik (vgl. MvT art. 7.6.1, p. 977). De enkele omstandigheid dat partijen geen bepaalde duur zijn overeengekomen, zoals in de Bruikleenovereenkomst 2000, maakt echter niet dat de tijdelijkheid van het gebruik ontbreekt. Bruikleen is niet alleen aangegaan voor bepaalde tijd als partijen een duidelijke termijn hebben afgesproken, maar ook als zij een termijn zijn overeengekomen waarvan de duur onzeker is, bijvoorbeeld tot wederopzegging. Dit laatste is in de Bruikleenovereenkomst 2000 het geval.

- De Staat heeft de mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen op basis van het bepaalde in artikel 6 van de Bruikleenovereenkomst 2000, in welk geval de bruiklener de wapens moet teruggeven.

f

Aan het tijdelijkheidscriterium van artikel 7A:1777 BW is dan ook voldaan.

4.9.

[gedaagde] voert verder aan dat van bruikleen in de zin van het BW geen sprake is, omdat de drie FAL geweren in gebruik zijn gegeven iernaamet als doel de historie van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden, ten gunste van de leden van de Vereniging. Het motief van de ingebruikgever is echter irrelevant voor de kwalificatie van een bruikleenovereenkomst, zodat niet is in te zien waarom deze beweegreden, voor zover deze juist zijn, de overeenkomst tot een andere dan een bruikleenovereenkomst maakt.

4.10.

[gedaagde] voert aan dat de Bruikleenovereenkomst 2000 de bruiklener toestaat om bewerkingen uit te voeren, hetgeen, zo begrijpt de rechtbank, duidt op overdracht van eigendom en niet op bruikleen. In beginsel is het zo dat wanneer de bruiklener het recht verkrijgt om vrij te beschikken over het geleende zoals een eigenaar, dit in de weg staat aan de kwalificatie van de rechtsverhouding als een bruikleenovereenkomst. De bevoegdheid tot het uitvoeren van ongelimiteerde bewerkingen door [gedaagde] zou hierop kunnen duiden. In artikel 1 onder 4 van de Bruikleenovereenkomst is de door [gedaagde] bedoelde bevoegdheid echter nader geclausuleerd, in die zin dat het de bruiklener slechts is toegestaan om aan de zaken bewerkingen uit te voeren voor zover deze noodzakelijk zijn om de in bruikleen gegeven goederen in operationele staat te houden. Een dergelijke bevoegdheid past bij de verplichting van de bruiklener om de kosten van normaal onderhoud en herstel te dragen zoals bedoeld in artikel 7A:1785 BW. Blijkbaar achtte de Staat de bruiklener als wapenspecialist voldoende in staat om zelf zorg te dragen voor dit onderhoud, zonder tussenkomst van een derde. Daarmee is echter geen vrije beschikking over het geleende overeengekomen.

4.11.

[gedaagde] voert aan dat de bevoegdheid van de bruikleners om over te gaan tot vernietiging van de wapens erop duidt dat de Bruikleenovereenkomst 2000 niet kan worden gekwalificeerd als een bruikleenovereenkomst. Ook hiervoor geldt dat indien het de bruiklener vrijstaat het geleende naar eigen inzicht te vernietigen, dit duidt op een overdracht van eigendom en niet op een overeengekomen bruiklening. Een dergelijke situatie is echter niet aan de orde. Artikel 2 van de Bruikleenovereenkomst 2000 bepaalt immers dat de bruiklener de wapens slechts mag vernietigen indien de Staat schriftelijk van dit voornemen in kennis wordt gesteld. De Staat heeft zodoende de mogelijkheid om, indien hij het oneens is met de door de bruiklener voorgenomen vernietiging, over te gaan tot het terugeisen van de wapens. Hierbij dient een eventuele vernietiging plaats te vinden volgens de voorschriften zoals opgesteld door de Staat. Dit duidt zodoende niet op een overdracht van eigendom en is niet strijdig met het karakter van een bruikleenovereenkomst.

4.12.

[gedaagde] heeft ter comparitie nog aangevoerd dat het de bedoeling van partijen was om de wapens permanent over te dragen, en dat slechts is gekozen voor een constructie van bruikleen omdat het verkopen of schenken van de wapens door de Staat niet mogelijk was. Doordat de Staat de betreffende dossiers is kwijtgeraakt, zou feitelijk via de weg van een bruikleenovereenkomst hetzelfde resultaat worden bereikt als via de weg van een eigendomsoverdracht, aldus [gedaagde] . De rechtbank stelt vast dat, áls sprake zou zijn geweest van de door [gedaagde] gestelde bedoeling van partijen, hetgeen de Staat betwist, hieruit juist volgt dat partijen bij de totstandkoming van de Bruikleenovereenkomst 2000 voor ogen hebben gehad om een bruikleenovereenkomst te sluiten. De omstandigheid dat de Staat volgens [gedaagde] niet van plan was om de wapens op grond van deze overeenkomst op te eisen doet niet af aan de juridische kwalificatie van de Bruikleenovereenkomst 2000, wat van die bedoeling ook zij.

4.13.

Voor zover [gedaagde] stelt dat het betalen van een vergoeding voor het verkrijgen van de drie FAL geweren maakt dat er sprake is van een eigendomsoverdracht, heeft hij zijn stelling onvoldoende feitelijk toegelicht. Onduidelijk is welk bedrag [gedaagde] voor welke wapens aan welke partij zou hebben betaald. Hier komt bij dat de kosten van de totstandkoming van een bruikleenovereenkomst, zoals administratiekosten, niet van invloed zijn op de kwalificatie van de overeenkomst.

4.14.

De Bruikleenovereenkomst 2000 is dan ook te kwalificeren als een bruikleenovereenkomst in de zin van artikel 7A:1777 BW. Hieruit volgt dat ten tijde van de overdracht van de drie FAL geweren de Staat van deze wapens bruikleengever en eigenaar was.

Bruikleenovereenkomst 2003

4.15.

De tekst van de Bruikleenovereenkomst 2003 is dezelfde als die van de Bruikleenovereenkomst 2000, behoudens een aanvulling bij artikel 5 inhoudende dat de Staat te allen tijde gerechtigd is om toezicht uit te oefenen op de wapens. De overeenkomsten zijn tussen dezelfde partijen gesloten. Dezelfde tekst van de beide overeenkomsten rechtvaardigen dan ook eenzelfde kwalificatie. Daarbij komt dat de aanvulling bij artikel 5 er temeer op duidt dat de Staat als bruikleengever optreedt en zijn beschikkingsrecht over de wapens niet opgeeft.

4.16.

[gedaagde] voert aan dat hij de Bruikleenovereenkomst 2003 niet heeft ondertekend, anders dan de Bruikleenovereenkomst 2000. Uit de Bruikleenovereenkomst 2003 volgt volgens [gedaagde] hoogstens dat de Vereniging, en niet [gedaagde] , de wapens ten titel van bruikleen heeft verkregen. Op zichzelf is juist dat de Vereniging de contractuele wederpartij van de Staat is bij de Bruikleenovereenkomst 2003. Een en ander laat onverlet dat de terugvordering van de Staat gebaseerd is op zijn eigendomsrecht, dat hij in beginsel tegenover eenieder, en dus niet slechts tegenover de Vereniging kan inroepen. Dit zou mogelijk anders zijn indien [gedaagde] er bij de uitgifte van de wapens door [BV I] gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij bij verkrijging van de wapens eigenaar werd. [gedaagde] heeft voor die conclusie echter, in het licht van de betwisting door de Staat, onvoldoende feiten naar voren gebracht. Dit allereerst gelet op de inhoud van de ongedateerde brief van de Vereniging aan haar leden, waarin uitdrukkelijk over bruikleen wordt gesproken (zie hiervoor 2.3). Bovendien heeft [gedaagde] de Bruikleenovereenkomst 2000, althans een daarbij bijbehorende onderbruikleenovereenkomst blijkens zijn brief van 10 oktober 2017 wél mede ondertekend. [gedaagde] heeft geen feiten naar voren gebracht, waaruit kan volgen dat hij er in 2003, anders dan bij de uitgifte in 2000, vanuit heeft mogen gaan dat hij de ontvangen wapens in eigendom verkreeg.

4.17.

Ook de Bruikleenovereenkomst 2003 kwalificeert de rechtbank derhalve als een bruikleenovereenkomst in de zin van artikel 7A:1777 BW. Hieruit volgt dat de Staat eigenaar is van de wapens die genoemd zijn in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003 die hij in bruikleen heeft gegeven.

Eigendom op basis van nadien gemaakte afspraken met de Staat?

4.18.

Niet in geschil is dat de op basis van de Bruikleenovereenkomsten uitgegeven wapens roerende zaken, niet-registergoederen zijn zoals bedoeld in artikel 3:99 BW. Op grond van dit artikel verkrijgt een bezitter te goeder trouw het recht van eigendom op een dergelijke zaak door een onafgebroken bezit van drie jaren, waarbij artikel 3:118 lid 1 BW bepaalt dat bezit te goeder trouw inhoudt dat de bezitter zich redelijkerwijs als rechthebbende mocht beschouwen.

4.19.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de in bruikleen gegeven wapens. Hij stelt dat hij in ieder geval vanaf 2005 eigenaar, althans bezitter te goeder trouw is geworden van de wapens. Dit omdat er in 2004 een bespreking heeft plaatsgevonden tussen de Staat ( [X] ) en de Vereniging ( [C] ) waarbij, aldus [gedaagde] , tussen de Staat en de Vereniging is afgesproken dat de wapens die aan de leden van de Vereniging waren verstrekt niet meer zouden worden opgeëist door de Staat, zodat de leden in plaats van houder, rechthebbenden, althans bezitter te goeder trouw werden. [gedaagde] stelt verder dat [C] de uitkomst hiervan vervolgens heeft gecommuniceerd aan de leden van de Vereniging. Hij heeft van haar, aldus [gedaagde] , de toezegging gehad dat de wapens niet meer terug hoefden naar Defensie. Vanaf dat moment heeft [gedaagde] gerechtvaardigd geleefd in de veronderstelling dat de discussie over de wapens gesloten was en hij eigenaar, althans bezitter te goeder trouw, was geworden van de wapens die hij ontvangen had op basis van de Bruikleenovereenkomsten.

4.20.

De Staat betwist dat hij met de Vereniging is overeengekomen dat de in bruikleen gegeven wapens eigendom zouden worden van haar leden, en voert aan dat een dergelijke afspraak in strijd zou zijn met zijn beleid. Ook betwist de Staat dat [C] een mededeling met een dergelijke strekking heeft gedaan aan de leden van de Vereniging. Als deze mededeling al door [C] zou zijn gedaan, dan kan een dergelijke mededeling geen goederrechtelijke werking hebben. Die mededeling heeft tegenover de Staat dan ook geen effect gesorteerd, aldus de Staat.

4.21.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:111 BW gaat men, indien men is aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, daarmede voort onder dezelfde titel zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht. Deze verandering kan plaatsvinden ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht. Een handeling van de eigenaar waaruit een bezitsoverdracht volgt, kan leiden tot interversie.

4.22.

Anders dan de Staat stelt, kan [gedaagde] derhalve eigenaar zijn geworden van de wapens indien vaststaat (a) dat de Staat ( [X] ) en de Vereniging ( [C] ) in 2004, althans 2005 hebben afgesproken dat de Staat de op grond van de Bruikleenovereenkomsten uitgegeven wapens niet (langer) van de Vereniging en haar leden zou opeisen én (b) de Vereniging ( [C] ) daaropvolgend concreet aan de leden van de Vereniging, althans [gedaagde] zelf conform die afspraken heeft meegedeeld dat de Staat de op grond van de Bruikleenovereenkomsten uitgegeven wapens niet (langer) van de Vereniging en haar leden zou opeisen. In het geval die beide feiten komen vast te staan, heeft [gedaagde] er vanaf 2005 gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat hij de oorspronkelijk in bruikleen uitgegeven wapens niet (langer) als houder in bruikleen, maar als eigenaar, althans bezitter te goeder trouw onder zich had.

4.23.

De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de genoemde feiten (a) en (b), rusten op [gedaagde] als houder van de wapens (vergelijk Hoge Raad 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8240).

4.24.

Gelet op de e-mail van [A] van 25 september 2017 (zie hiervoor achter 2.12) neemt de rechtbank, anders dan de Staat bij dagvaarding (achter 20) heeft gesteld, als vaststaand aan dat er in 2004 een gesprek tussen de Staat en de Vereniging heeft plaatsgevonden. Niet is voorts door de Staat naar voren gebracht dat [X] als Hoofd Materieel niet bevoegd was om te beslissen over het afzien van teruggave van de in bruikleen gegeven wapens, althans dat de Vereniging (en haar leden) niet gerechtvaardigd op die bevoegdheid hebben mogen afgaan. Verder staat vast dat nadien in de ledenvergadering van de Vereniging het vervolg ter sprake is gekomen (zie hiervoor in 2.16). Het dossier is bij de pensionering van [X] volgens de Staat niet goed aan diens opvolger overgedragen. De Staat heeft gedurende zeer lange periode (meer dan tien jaar) niet van zich laten horen. Onduidelijk is wat de inhoud van het in 2004 gevoerde gesprek is geweest en niet kan worden uitgesloten dat de stellingen van [gedaagde] daarover op waarheid berusten. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank [gedaagde] in het licht van de betwisting door de Staat tot het bewijs toelaten van de hiervoor achter (a) en (b) genoemde feiten. Dit zowel in conventie als in reconventie nu de feitelijke grondslag voor het door [gedaagde] gestelde eigendomsrecht door verjaring dezelfde is voor zowel de zes wapens in conventie als de drie FAL geweren in reconventie.

4.25.

De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3368 tussen de Staat en twee andere leden van de Vereniging. De Staat is in het gelijk gesteld. Nu de rechtbank echter moet beslissen op basis van de stellingen en verweren die partijen in deze zaak hebben ingenomen, ziet de rechtbank in dit vonnis van de rechtbank Amsterdam geen aanleiding om af te zien van bewijslevering zoals hiervoor overwogen.

4.26.

Indien en voor zover [gedaagde] slaagt in het door hem te leveren bewijs, staat vast dat [gedaagde] eigenaar is van de op grond van de Bruikleenovereenkomsten ontvangen wapens. De vorderingen van de Staat in conventie zullen alsdan worden afgewezen en die in reconventie van [gedaagde] zullen worden toegewezen.

4.27.

Indien en voor zover [gedaagde] niet slaagt in het door hem te leveren bewijs komt de rechtbank toe aan beoordeling van het geschilpunt tussen partijen over de identificatie van de wapens. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

Identificatie van de wapens

4.28.

De Staat vordert in conventie een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van een zestal wapens die zich bij [gedaagde] bevonden en waarop de Staat conservatoir beslag heeft doen leggen. De in beslag genomen wapens zijn, aldus de Staat, de wapens die hij op basis van de Bruikleenovereenkomst 2003 in bruikleen heeft gegeven. Een en ander wordt door [gedaagde] betwist en hij vordert in reconventie veroordeling van de Staat om de inbeslaggenomen wapens aan hem als zijn eigendom terug te geven.

4.29.

De Staat heeft verder in een eerder stadium als eigenaar teruggave van drie FAL geweren van [gedaagde] gevorderd. Daaraan heeft [gedaagde] , onder protest, gehoor gegeven. [gedaagde] vordert in reconventie dat de Staat veroordeeld wordt om de door [gedaagde] onder protest ingeleverde drie FAL-geweren als zijn eigendom aan hem terug te geven. De Staat voert daartegenover aan dat deze in zijn bezit zijnde drie FAL geweren op basis van de Bruikleenovereenkomst 2000 zijn eigendom zijn.

4.30.

Voor het slagen van een rechtsvordering uit hoofde van een zakelijk recht, zoals een eigendomsrecht, is het noodzakelijk dat de eiser stelt en zo nodig bewijst op welke individueel bepaalde zaken dat recht rust (vergelijk Hoge Raad 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2796). Het is dus aan de Staat om aan te tonen dat de inbeslaggenomen wapens dezelfde wapens zijn als de wapens die zijn genoemd in de Bijlagen A bij de Bruikleenovereenkomsten.

Bruikleenovereenkomst 2000

4.31.

Niet is in geschil dat de Vereniging haar leden heeft opgeroepen om de wapens die uitgeleverd zijn op grond van (mede) de Bruikleenovereenkomst 2000 zo spoedig mogelijk in te leveren. Daarop heeft [gedaagde] de drie FAL-geweren, onder protest, ingeleverd. Destijds, ten tijde van het inleveren, was er geen discussie op welke wapens de Bruikleenovereenkomst 2000 betrekking had, en welke wapens de Staat aldus terugvorderde van [gedaagde] . Bij brief van 10 oktober 2017 heeft [gedaagde] verklaard dat hij heeft voldaan aan de oproep van de Vereniging om de wapens die uitgeleverd zijn op grond van de Bruikleenovereenkomst 2000 zo spoedig mogelijk in te leveren. Het protest van [gedaagde] zag niet op de identificatie van de in bruikleen gegeven wapens, maar op het ontbreken van de verplichting die wapens terug te geven. Niet is gesteld, noch is gebleken dat [gedaagde] toen meende dat hij de ‘verkeerde’ wapens heeft ingeleverd, ofwel dat de door hem ingeleverde wapens geen onderdeel vormden van de Bruikleenovereenkomst 2000. [gedaagde] heeft in dit licht tegenover de gemotiveerde stelling van de Staat dat deze drie FAL-geweren zijn eigendom zijn onvoldoende feiten naar voren gebracht die tot een andere conclusie kunnen leiden. De rechtbank neemt derhalve als vaststaand aan dat de drie FAL-geweren die [gedaagde] heeft teruggegeven eigendom zijn van de Staat.

Bruikleenovereenkomst 2003

4.32.

In Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003 en in het proces-verbaal van de beslaglegging op 22 maart 2018 zijn de volgende wapens omschreven.

Bijlage A Bruikleenovereenkomst 2003

Conservatoir beslag

Fal [wapennummer 1]

FAL/FN [wapennummer 1]

LSW FALO [wapennummer 6]

FALO/FN [wapennummer 6]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 2]

Browning/FN [wapennummer 2]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 3]

INGLIS/FN [wapennummer 3]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 4]

Browning/FN [wapennummer 4]

Pist. INGLIS/FN/KNIL [wapennummer 5]

Browning/FN [wapennummer 5]

4.33.

De Staat stelt dat uit de overeenstemming tussen de merknamen en serienummers volgt dat de in beslag genomen wapens dezelfde wapens zijn als de wapens die hij heeft uitgegeven op basis van de Bruikleenovereenkomst 2003, en dat de in beslag genomen wapens dus zijn eigendom zijn. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de Staat niet heeft aangetoond dat de wapens zijn eigendom zijn omdat niet is aangetoond dat de wapens die in conservatoir beslag zijn genomen dezelfde zijn als de wapens die genoemd zijn in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003. Ter nadere adstructie van dit verweer heeft hij het FARE rapport en desverzocht, na de comparitie, een overzicht van zijn verlofgeschiedenis overgelegd.

4.34.

De rechtbank acht, anders dan [gedaagde] , het FARE rapport niet doorslaggevend voor het beantwoorden van de vraag of de in beslag genomen wapens dezelfde zijn als de door de Staat op basis van de Bruikleenovereenkomst 2003 uitgeleverde wapens. Het FARE rapport heeft alleen betrekking op de vier pistolen INLIS/FN/KNIL. Dit rapport heeft dus slechts indirect betekenis voor de FAL en de FALO geweren. Daarnaast kunnen volgens het FARE rapport, kort gezegd, individuele wapens niet met volledige zekerheid geïdentificeerd worden aan de hand van alleen het merk en het serienummer, welke twee kenmerken worden gebruikt om de wapens te omschrijven in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003 en het proces-verbaal van het conservatoir beslag. De rechtbank acht de enkele mogelijkheid dat er een ander wapen met hetzelfde merk en serienummer bestaat, zoals in het FARE rapport vermeld, onvoldoende voor de door [gedaagde] bepleite conclusie dat de bij hem aangetroffen wapens niet de wapens zijn die door de Staat op grond van de Bruikleenovereenkomst 2003 in bruikleen zijn gegeven. Het FARE rapport zegt niets over de waarschijnlijkheid dat de Staat daadwerkelijk op verkeerde wapens beslag heeft doen leggen.

4.35.

De rechtbank stelt met betrekking tot de wapens waarop de Staat beslag heeft doen leggen vast dat:

  • -

    de merknamen en de serienummers van de in beslag genomen wapens overeenstemmen met degene die genoemd zijn in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst;

  • -

    [BV I] getekend heeft voor ontvangst van de wapens als genoemd in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003, en met een kleurcode is aangegeven dat deze wapens door hem zijn uitgeleverd;

  • -

    [gedaagde] ter zitting heeft meegedeeld dat hij een wenslijst met wapens bij de Vereniging heeft ingeleverd en een aantal van deze wapens ook via [BV I] heeft verkregen;

  • -

    [gedaagde] ter zitting heeft meegedeeld dat hij geen andere wapens met hetzelfde merk en serienummer onder zich heeft.

4.36.

Gelet hierop acht de rechtbank voorshands bewezen dat de wapens die door de Staat in beslag zijn genomen en genoemd zijn in het proces-verbaal van 22 maart 2018 dezelfde zijn als de wapens die genoemd zijn in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003. [gedaagde] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dit betekent dat hij de voorshands bewezen geachte feiten dient te ontzenuwen.

4.37.

Gelet op het vorenstaande zal, in het geval de identificatie van wapens beslissend is voor de toewijsbaarheid van de vordering van [gedaagde] in reconventie strekkende tot teruggave van de drie FAL geweren, die vordering in reconventie worden afgewezen. In het geval [gedaagde] slaagt in het door hem te leveren tegenbewijs wat betreft de overige wapens, zullen de vorderingen van de Staat in conventie worden afgewezen en de vorderingen van [gedaagde] die betrekking hebben op die overige wapens in reconventie worden toegewezen. Indien hij niet slaagt in het door hem te leveren tegenbewijs, zullen de vorderingen van de Staat in conventie worden toegewezen en de overige vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen.

Bewijs- en tegenbewijslevering

4.38.

De rechtbank zal de zaak naar de rol van 11 september 2019 verwijzen om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wijze van (tegen)bewijslevering. Indien [gedaagde] het bewijs wenst te leveren door middel van nadere schriftelijke stukken, dient hij die stukken alsdan in het geding te brengen. Indien hij dat mede wenst te doen door het doen horen van getuigen, dan dient hij ook op die roldatum om een dag- en uurbepaling te verzoeken en daarbij opgave te doen van de namen van de getuigen en de verhinderdata van die getuigen, partijen en de raadslieden. Blijft een dergelijk verzoek achterwege dan zal de Staat met inachtneming van een termijn van vier weken in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte op de stukken van [gedaagde] te reageren. Indien de Staat tegenbewijs door middel van getuigen wil leveren dient hij gelijktijdig op dezelfde roldatum een dag- en uurbepaling te verzoeken en daarbij opgave te doen van de namen van getuigen en de verhinderdata van die getuigen, partijen en de raadslieden.

Verdere beslissingen

4.39.

Iedere verdere beslissing in conventie en reconventie, waaronder die over de proceskosten, wordt in dit stadium van het geding aangehouden.

In het incident

4.40.

De Staat vordert in het incident dat de rechtbank [gedaagde] beveelt alle documenten met betrekking tot vervreemding van de Garand M1D en de Uzi waarbij [gedaagde] partij is over te leggen. De Staat stelt dat hij ervan uitgaat dat [gedaagde] een of meerdere aan hem in onderbruikleen gegeven wapens heeft verkocht, overgedragen of doorgegeven en zodoende een onrechtmatige daad jegens de Staat heeft gepleegd. De Staat baseert dit op het volgende. [gedaagde] heeft in zijn brief van 10 oktober 2017 aangegeven dat hij de wapens die op zijn wenslijst stonden van de Staat heeft gekregen. Op deze wenslijst stonden een Garand M1D en een Uzi. Bij het leggen van conservatoir beslag door de Staat is echter gebleken dat geen Garand M1D en Uzi bij [gedaagde] aanwezig waren. De enige mogelijke conclusie die hieruit volgt is, aldus de Staat, dat [gedaagde] de wapens heeft vervreemd en hiermee een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de Staat. De Staat heeft hierdoor schade geleden, en heeft de gevorderde informatie nodig voor een op handen zijnde schadestaat procedure tegen [gedaagde] .

4.41.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de bedoelde Garand M1D en de Uzi niet heeft ontvangen en dat de wapens daarom niet in zijn bezit waren ten tijde van het conservatoire beslag.

4.42.

De rechtbank wijst de vordering van de Staat af. De Staat heeft enkel de mogelijkheid aangevoerd die de afwezigheid van de betreffende wapens bij het conservatoir beslag kan verklaren. Op grond van [gedaagde] ’ brief van 10 oktober 2017 alleen kan echter niet worden vastgesteld dat hij de door de Staat bedoelde Garand M1D en Uzi heeft vervreemd en [gedaagde] onrechtmatig tegenover de Staat heeft gehandeld zoals de Staat stelt. Daar komt bij dat de Staat zelf niet (meer) de beschikking heeft over stukken waaruit blijkt welke wapens precies aan [gedaagde] zijn uitgegeven. Bij die stand van zaken heeft de Staat onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht om een rechtmatig belang van de Staat aan te nemen zoals vereist is voor toewijzing van de incidentele vordering van de Staat op de voet van artikel 843a Rv (vergelijk gerechthof ‘s-Hertogenbosch, 12 mei 2015, ECLI:GHSHA:2015:1668). De incidentele vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.43.

De beslissing over de proceskosten in het incident zal worden aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

in conventie en in reconventie:

5.3.

laat [gedaagde] toe tot bewijs van zijn stellingen dat:
(a) dat de Staat ( [X] ) en de Vereniging ( [C] ) in 2004, althans 2005 hebben afgesproken dat de Staat de op grond van de Bruikleenovereenkomsten uitgegeven wapens niet (langer) van de Vereniging en haar leden zou opeisen
én
(b) de Vereniging ( [C] ) daaropvolgend concreet aan de leden van de Vereniging, althans [gedaagde] zelf conform de afspraken met de Staat heeft meegedeeld dat de Staat de op grond van de Bruikleenovereenkomsten uitgegeven wapens niet (langer) van de Vereniging en haar leden zou opeisen;

5.4.

stelt [gedaagde] in de gelegenheid om het voorshands door de rechtbank bewezen geachte feit dat de wapens waarop door de Staat beslag is gelegd en die genoemd zijn in het proces-verbaal van de deurwaarder van 22 maart 2018 dezelfde zijn als de wapens met dezelfde merknaam en hetzelfde serienummer als genoemd in Bijlage A bij de Bruikleenovereenkomst 2003 te ontzenuwen;

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol van 11 september 2019 zal komen voor akte na tussenvonnis aan de zijde van [gedaagde] , waarbij hij zich kan uitlaten over de wijze van bewijslevering, door het overleggen van nadere stukken, horen van getuigen en/of enig ander bewijsmiddel;

5.6.

bepaalt dat [gedaagde] , indien hij getuigen wil laten horen, in diezelfde akte dient te vermelden wie hij als getuigen wil doen horen en de gezamenlijke verhinderdata van partijen en advocaten in de periode september tot en met december 2019 dient te vermelden, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

5.7.

bepaalt dat [gedaagde] uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de Staat moet toesturen;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2019.1

1 type: 2633 Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.