Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8014

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
C/09/573920 + C/09/574588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging MUHP (geen verweer) en verzoek geschillenregeling.

Rechtbank bepaalt (ambtshalve) perspectief voor minderjarige, die al zeveneneenhalf jaar bij de pleegouders/grootouders woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens I : C/09/573920 / JE RK 19-1209

Zaaksgegevens II : C/09/574588 / JE RK 19-1297

Datum uitspraak : 2 augustus 2019

Beschikking van de meervoudige kamer

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Geschillenregeling ex artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek

naar aanleiding van het op 16 mei 2019 ingekomen verzoekschrift (I) van:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),

advocaat: mr. T. Visser

en naar aanleiding van het op 24 mei 2019 ingekomen verzoekschrift (II) van:

[belanghebbende 1]

en

[belanghebbende 2] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende te [woonplaats 1] ;

advocaat: mr. M. Erkens, te Den Haag;

betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats]

hierna te noemen: [minderjarige] ;

geboren uit:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2]

advocaat: mr. G.E. van der Pols, te Rotterdam.

De rechtbank merkt in verzoekschrift I als belanghebbenden aan:

  • -

    de moeder;

  • -

    de pleegouders.

De rechtbank merkt in verzoekschrift II als belanghebbenden aan:

  • -

    de moeder;

  • -

    de gecertificeerde instelling.

Feiten

[minderjarige] is erkend door [de man] .

De moeder is belast met het ouderlijk gezag.

[minderjarige] verblijft feitelijk bij de pleegouders.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juli 2018 [minderjarige] onder toezicht gesteld van 5 juli 2018 tot 5 juli 2019, en voor dezelfde duur machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin (de pleegouders).

Het procesverloop

Bij beschikking van 4 juli 2019 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd van 5 juli 2019 tot 5 juli 2020 en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 5 juli 2019 tot 3 augustus 2019 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en verwezen ter verdere behandeling naar de zitting van de meervoudige kamer van heden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- voornoemde beschikking van de kinderrechter van 4 juli 2019, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd;

- het verzoekschrift I met bijlagen;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de door de moeder ter zitting overlegde brief;

- het verzoekschrift II met bijlagen.

Op 19 juli 2019 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling, bijgestaan door mr. T. Visser;

- de pleegouders, bijgestaan door mr. M. Erkens;

- de moeder, bijgestaan door mr. G.E. van de Pols;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Verzoeken

Het op de zitting van 4 juli 2019 gewijzigde verzoek I strekt tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de periode van zes maanden. Op de zitting van de meervoudige kamer is de periode wederom gewijzigd. Thans wordt gevraagd om de machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlengen.

Het verzoek II betreft een geschil dat aan de rechtbank door de pleegouders is voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Zij wensen - kort gezegd - :

  • -

    wijziging van de pleegzorgorganisatie;

  • -

    een positievere en eerlijke benadering van de pleegouders;

  • -

    adequaat onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder;

  • -

    een passend plan van bodemeisen.

Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing hebben zowel de moeder als de pleegouders ingestemd met het verzochte. Aan beide kanten zijn daarvoor verschillende redenen te noemen.

De moeder stemt in, omdat zij verwacht dat in de komende periode van de uithuisplaatsing zal worden toegewerkt naar plaatsing van [minderjarige] bij haar. Dit staat immers ook in het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling.

De pleegouders stemmen eveneens in, met dien verstande dat hun instemming niet inhoudt dat zij instemmen met een overplaatsing van [minderjarige] buiten hun gezin.

De instemming is puur gericht op het feit dat zij zonder de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer voor [minderjarige] zouden kunnen zorgen.

Duidelijk is dat de moeder en de pleegouders andere verwachtingen hebben van de machtiging tot uithuisplaatsing en het daaraan gekoppelde perspectief van [minderjarige] .

Hoewel strikt genomen niet ter beoordeling aan de rechtbank voorligt waar het perspectief van [minderjarige] ligt, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is om daar gelet op de huidige situatie van [minderjarige] , waarin het voor iedereen onduidelijk is hoe het verder zal gaan, een standpunt over in te nemen.

Perspectief van [minderjarige]

Voor het bepalen van het perspectief van [minderjarige] neemt de rechtbank de navolgende feiten als uitgangspunt.

Voorgeschiedenis

[minderjarige] is geboren in 2011 en woonde vanaf zijn geboorte bij de moeder. Toen hij een half jaar oud was, is hij gedurende drie dagen in de week bij de pleegouders gaan wonen. Dit werd vijf dagen per week vanaf het moment dat hij twee jaar oud was en vanaf twee jaar en vier maanden is [minderjarige] volledig bij de pleegouders gaan wonen.

De moeder is in 2017 eenmaal op (verjaardags)bezoek bij [minderjarige] geweest.

Vanaf 2018 is er sprake van contact(herstel) tussen de moeder en [minderjarige] .

Tijdlijn hulpverlening gedwongen kader

In 2018 is voor het eerst de ondertoezichtstelling uitgesproken en is het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders door middel van een machtiging tot uithuisplaatsing geformaliseerd.

Op 11 februari 2019 is het perspectiefonderzoek van de William Schrikker Pleegzorg (hierna: WSP) naar de moeder gestart.

Bij beschikking van 19 februari 2019 is door de rechtbank bepaald dat [minderjarige] een keer in de veertien dagen vier uur bij de moeder zal zijn.

De kinderarts heeft [minderjarige] doorverwezen naar YOUZ van De Banjaard voor diagnostiek en behandeling van klachten met een mogelijk psychosociale oorzaak. Op 4 april 2019 wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische stoornis. Wel bestaan er vermoedens van hechtingsproblematiek. Daarnaast bestaat de verwachting dat behandeling in het huidige complexe systeem niet tot verbetering bij [minderjarige] zal leiden. Er moet eerst een stabiele situatie gecreëerd worden, waarin duidelijkheid is over de toekomstige verblijfplaats van [minderjarige] .

Op 27 mei 2019 heeft de WSP aan de gecertificeerde instelling geadviseerd te beslissen dat [minderjarige] bij de moeder opgroeit, met daaraan gekoppeld een aantal voorwaarden.

De gecertificeerde instelling heeft daarop de beslissing genomen dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd dient te worden, zodat [minderjarige] binnen die verlengde periode op een rustige manier teruggeplaatst kan worden naar de moeder.

De kinderrechter heeft op 4 juli 2019 de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar verlengd en het verzoek tot verlenging machtiging tot uithuisplaatsing behandeld. Zij heeft, gelet op de complexiteit van de zaak, het verzoek ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. Voor deze zitting diende ook de Raad opgeroepen te worden. In ieder geval diende aan de orde te komen de vraag hoeverre de Raad de mogelijke overschrijding van de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing bij de moeder heeft meegewogen.

Op de zitting van de meervoudige kamer heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat, mede naar aanleiding van het advies van de Raad, haar standpunt thans is dat voordat overgegaan kan worden tot terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder er een NIFP-onderzoek dient plaats te vinden. De gecertificeerde instelling acht het belangrijk dat er een onafhankelijke derde partij onderzoek doet naar het perspectief van [minderjarige] en de mogelijkheden van de moeder en de pleegouders daarin.

De moeder heeft daarmee ingestemd.

De pleegouders menen dat wederom een onderzoek nog meer onrust bij [minderjarige] teweeg zal brengen en dat door de school nu al wordt aangegeven dat hij sociaal-emotioneel vastloopt.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat voor hem op zo kort mogelijke termijn duidelijk is waar hij opgroeit. Dat zal (uiteindelijk) voor rust zorgen en die rust heeft hij gelet op zijn problematiek hard nodig. Om die reden zal de rechtbank geen nader NIFP-onderzoek gelasten. Dit geldt te meer nu de rechtbank van oordeel is dat de aanvaardbare termijn, waarbinnen de ouders in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen voor [minderjarige] , al lange tijd verstreken is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[minderjarige] verblijft al meerdere jaren bij de pleegouders en heeft zich daar, tot voor kort in ieder geval, goed ontwikkeld. [minderjarige] is een kwetsbare en onzekere jongen, die veel spanningen ervaart door de verschillende partijen die aan hem trekken. Daarnaast is er sprake van persoonlijke problematiek bij [minderjarige] , wat veel vergt van zijn opvoeders. Ondanks die problemen hebben de pleegouders [minderjarige] vooralsnog een omgeving en opvoeding geboden waarin hij veiligheid en stabiliteit heeft ervaren. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat ook de school bevestigt dat het met [minderjarige] naar omstandigheden goed gaat. Ook signaleert de school dat [minderjarige] een verslechtering in zijn gedrag laat zien sinds er een uitbreiding heeft plaatsgevonden van de contacten met zijn moeder. De Raad heeft in haar advies aangegeven dat er zowel risico’s zitten aan het verblijf bij de pleegouders als bij een verblijf bij de moeder.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] vertrouwd is met en gehecht is aan zijn pleegouders bij wie hij geworteld is. Nu hij daar al vanaf zeer jonge leeftijd verblijft en al vanaf zeer jonge leeftijd aan hen is gehecht, ziet de rechtbank geen aanleiding die situatie nu nog te wijzigen. Voor zover dit nodig zou zijn gelet op de zorgen die er zouden zijn over de opvoedvaardigheden van de pleegouders, overweegt de rechtbank dat er minstens evenveel zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de moeder, die gezien haar persoonlijkheid altijd opvoedondersteuning nodig zal hebben, terwijl de pleegouders tot voor kort ervan blijk hebben gegeven in staat te zijn [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De huidige verslechtering schrijft de rechtbank voornamelijk toe aan de onrust die het uitgebreidere contact tussen [minderjarige] en zijn moeder logischerwijs voor alle betrokkenen heeft veroorzaakt. De zorgen over (de continuïteit van) het contact van [minderjarige] met zijn moeder zijn terecht, maar kunnen binnen de lopende ondertoezichtstelling worden aangepakt. De rechtbank vertrouwt erop dat de pleegouders, zoals zij ook ter zitting hebben aangegeven, zich blijvend zullen inzetten voor het behoud van het contact van [minderjarige] met zijn moeder. Dit contact is namelijk ook zeer belangrijk voor de (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige] .

Er is een ondertoezichtstelling en daarin ligt de opdracht voor de gecertificeerde instelling om opvoedondersteuning te bieden aan de pleegouders. Daarnaast verwacht de rechtbank dat nu het perspectief is bepaald bij de pleegouders, ook de rust in het gezin weer zal terugkeren. Er zal door de gecertificeerde instelling moeten worden ingezet op het tot stand komen van goed contact tussen de pleegouders en de moeder. Uitgaande van het bij de pleegouders bepaalde perspectief dient de gecertificeerde instelling verdere stappen te ondernemen om te bepalen hoe de omgang met de moeder kan worden vormgegeven, waarbij het belang van [minderjarige] leidend dient te zijn.

Beoordeling verzoeken

Dit brengt met zich mee dat de rechtbank het verzoek (I) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal toewijzen, nu de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden nog aanwezig zijn.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat, nu zij het perspectief van [minderjarige] heeft bepaald bij de pleegouders, verzoek (II) dient te worden afgewezen. Immers zijn de geschillen met name ontstaan vanuit het oogpunt dat er sprake zou zijn van overplaatsing van [minderjarige] naar de moeder. Ter zitting is bovendien gebleken dat er inmiddels een nieuwe jeugdbeschermer is toegewezen, die met een frisse start en een duidelijk perspectief met de pleegouders aan de slag kan gaan.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

verlengt de aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering verleende machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten in het netwerkpleeggezin van de heer [belanghebbende 1] en mevrouw [belanghebbende 2] , van 3 augustus 2019 tot 5 juli 2020, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2019 door mrs. S.M. Borkent, P.J. Schreuder en J.C. Sluymer, kinderrechters, in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat als griffier.

Tegen de beslissing met betrekking tot de verlenging machtiging tot uithuisplaatsing, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.

Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen de beslissing met betrekking tot het verzoek ex artikel 1:262b BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.