Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8011

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
09-08-2019
Zaaknummer
C/09/555797 / HA ZA 18-740
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/555797 / HA ZA 18-740

Vonnis van 1 mei 2019

in de zaak van

1 [eisende partij 1] , te [plaats 1] ,

2. [eisende partij 2], te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. B.E. Gerards te Zoetermeer,

tegen

1 [gedaagde 1] , te [plaats 2] ,

2. [gedaagde 2], te [plaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. N. Çiçek te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eisende partij 1 c.s.] (enkelvoud) en [gedaagde 1 c.s.] (enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 juni 2018 met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de conclusie van antwoord van 24 augustus 2018 met producties 1 tot en met 3;

  • -

    het tussenvonnis van 19 september 2018 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 februari 2019.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [gedaagde 1 c.s.] heeft hier gebruik van gemaakt bij brief van 25 februari 2019.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij 1 c.s.] en [gedaagde 1 c.s.] hebben op 23 juni 2017 een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop en levering van de woning aan de [adres] (hierna: de woning), van [eisende partij 1 c.s.] aan [gedaagde 1 c.s.] (hierna: de koopovereenkomst). De overeengekomen koopsom bedroeg € 325.000,-.

2.2.

In de koopovereenkomst zijn – voor zover relevant – de volgende bepalingen opgenomen:

artikel 4 Eigendomsoverdracht

4.1

De akte van levering zal gepasseerd worden op 1 november 2017 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen.

(…)

artikel 5 Bankgarantie/ Waarborgsom

5.1

Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van koper zal deze uiterlijk op 26 juli 2017 een schriftelijke door een bankinstelling afgegeven bankgarantie doen stellen voor een bedrag van € 32.500,-, zegge TWEEENDERTIGDUIZENDVIJFHONDERD EURO. Deze bankgarantie moet onvoorwaardelijk zijn, voortduren tot ten minste één maand na de overeengekomen datum van eigendomsoverdracht, en de clausule bevatten dat de desbetreffende bankinstelling op eerste verzoek van de notaris het bedrag van de garantie aan de notaris zal uitkeren.

(…)

artikel 11 Ingebrekestelling/ Ontbinding

11.1

Indien één van de partijen, na ingebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige partij deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige partij.

11.2

Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.

(…)

artikel 15 Ontbindende voorwaarden

15.1

Deze koopovereenkomst kan door de koper worden ontbonden indien uiterlijk:

a. op 19 juli 2017 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van de koopsom vermeerderd met 1% van de verwervingskosten geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen (…)

15.3

Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde financiering en/of Nationale Hypotheek garantie en/of toezegging(en) en/of andere zaken te verkrijgen.

De partij die de ontbinding inroept, dient er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, uiterlijk op de eerste werkdag na de datum waarvan de in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1 onder sub a. wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat één afwijzing van een erkende geldverstrekkende bankinstelling verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd. In aanvulling hierop /In afwijking hiervan komen partijen overeen dat koper de/het volgende stuk(ken) dient over te leggen om te voldoen aan het vereiste van ‘goed gedocumenteerd’: In het kader van een mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen op grond van een financieringsvoorbehoud, wordt onder “goed gedocumenteerd” in ieder geval verstaan dat de mededeling vergezeld moet gaan van bewijsstukken, dat koper bij tenminste 2 geldverstrekkende instellingen een offerte heeft gevraagd of heeft laten vragen en dat geen van die aanvragen tot het gewenste resultaat heeft geleid.

Een mededeling dat ontbinding wordt ingeroepen op grond van een financieringsvoorbehoud, dient onverlet de in de koopovereenkomst opgenomen termijnen, voorts niet later te geschieden dan 3 werkdagen na het bij koper bekend worden van de informatie dat de benodigde hypotheek niet kan worden verkregen.

(…)

2.3.

[eisende partij 1 c.s.] werd in de verkoop van haar woning bijgestaan door [de makelaar] van [Makelaarskantoor] (hierna: de makelaar).

2.4.

Op 18 juli 2017 heeft [gedaagde 1] een e-mail gestuurd aan de makelaar van [eisende partij 1 c.s.] :

Geachte heer,

Zoals telefonisch afgesproken vraag ik u hierbij om uitstel voor financiering.

Omdat mijn broertje in Turkije is willen we graag nog 2 weken uitstel.

(…)

2.5.

[gedaagde 1 c.s.] heeft op of voorafgaand aan 26 juli 2017 geen bankgarantie doen stellen of een waarborgsom gestort.

2.6.

Op 3 augustus 2017 heeft de gemachtigde van [eisende partij 1 c.s.] per aangetekende post en e-mail een brief aan [gedaagde 1 c.s.] gestuurd waarin staat vermeld:

Per email van 18 juli 2017 heeft u de makelaar van cliënten verzocht om een uitstel van 2 weken om een hypothecaire financiering te verkrijgen. De makelaar kon voor nadere uitleg contact opnemen met uw hypotheekadviseur, de heer [A] . Op 2 augustus 2017, 2 weken later, is geen uitsluitsel ontvangen noch heeft u de koopovereenkomst ontbonden.

(…)

Namens cliënten verzoek en, voor zover nodig, sommeer ik u hiermee uiterlijk binnen acht dagen na dagtekening van deze brief uw verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen, in het bijzonder de verplichting om mee te werken aan de notariële afname van de woning tegen betaling van de koopprijs.

2.7.

Bij brief en e-mail van 11 augustus 2017 heeft de gemachtigde van [eisende partij 1 c.s.] het volgende aan [gedaagde 1 c.s.] medegedeeld:

Cliënten hebben moeten constateren dat u niet aan de sommatie tot afname van de woning aan [adres] hebt voldaan. Namens cliënten ontbind ik daarom hiermee bovengenoemde koopovereenkomst. Cliënten maken, nu u toerekenbaar tekort ben geschoten in onder meer uw verplichting tot afname van de woning en betaling van de koopprijs, aanspraak op grond van artikel 11 van de koopovereenkomst verschuldigde contractuele boete ad € 32.500,-.

(…)

2.8.

De woning is verkocht aan een derde partij, waarbij de levering heeft plaatsgevonden op 1 december 2017.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij 1 c.s.] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1 c.s.] hoofdelijk te veroordelen om binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan [eisende partij 1 c.s.] te betalen:

I. de terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom van € 32.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de incassokosten van € 1.331,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de kosten van deze procedure alsmede het nasalaris van € 131,- te vermeerderen met € 68,- na betekening daaronder begrepen.

3.2.

[eisende partij 1 c.s.] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1 c.s.] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. [eisende partij 1 c.s.] stelt dat [gedaagde 1 c.s.] uiterlijk op 20 juli 2017, de eerste werkdag na 19 juli 2017, de ontbinding van de koopovereenkomst had kunnen inroepen, maar dat heeft zij niet gedaan. De bankgarantie moest uiterlijk 26 juli 2017 gesteld worden. [eisende partij 1 c.s.] heeft [gedaagde 1 c.s.] op 3 augustus 2017 in gebreke gesteld.

Op 11 augustus 2017 heeft [eisende partij 1 c.s.] de koopovereenkomst ontbonden. [eisende partij 1 c.s.] stelt dat [gedaagde 1 c.s.] op grond van artikel 11.2 van de koopovereenkomst een boete van € 32.500,- aan haar verschuldigd is geworden, omdat de koopovereenkomst op grond van een toerekenbare tekortkoming is ontbonden.

3.3.

[gedaagde 1 c.s.] concludeert tot afwijzing van de vordering en stelt dat zij op 18 juli 2017 om twee weken uitstel van de financiering heeft verzocht. Dit verzoek is volgens haar toegekend door de makelaar. Vervolgens heeft [gedaagde 1 c.s.] op 26 juli 2017 de afwijzing van financiering van de ING bank gestuurd aan [eisende partij 1 c.s.] en daarmee de koopovereenkomst ontbonden.

[gedaagde 1 c.s.] was dus op 3 augustus 2017 niet in gebreke. [eisende partij 1 c.s.] heeft de koopovereenkomst ten onrechte en zonder een aanvaardbare grond ontbonden. Zelfs al zou [gedaagde 1 c.s.] in gebreke zijn dan geldt dat de koopovereenkomst in stand had moeten blijven. [eisende partij 1 c.s.] had de notariële levering moeten afwachten, want [gedaagde 1 c.s.] had de woning wellicht zonder financieringsvoorbehoud kunnen kopen.

Verder doet [gedaagde 1 c.s.] een beroep op matiging van de boete ex artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot het daadwerkelijke schadebedrag, namelijk € 5.000,-.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde 1 c.s.] tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst en of zij daardoor de contractuele boete verschuldigd is geworden aan [eisende partij 1 c.s.] . Hier gaat de vraag aan vooraf of [gedaagde 1 c.s.] de koopovereenkomst niet al had ontbonden, door het tijdig inroepen van de ontbindende voorwaarde van financiering (hierna: het financieringsvoorbehoud). De rechtbank zal deze vraag dan ook eerst beoordelen.

Inroepen financieringsvoorbehoud - uitstel

4.2.

[gedaagde 1 c.s.] heeft op 26 juli 2017 een e-mail naar de makelaar gestuurd met de afwijzing voor een financiering van de ING bank. Zij stelt dat zij met het overleggen van deze e-mail het financieringsvoorbehoud tijdig heeft ingeroepen. [gedaagde 1 c.s.] voert aan dat ze daarom de bankgarantie niet meer hoefde stellen, immers, ze had de koopovereenkomst al ontbonden.

Tussen partijen is in geschil wat de uiterste datum is waarop het financieringsbehoud door [gedaagde 1 c.s.] had kunnen worden ingeroepen. Volgens [gedaagde 1 c.s.] heeft zij op 18 juli 2017 om 2 weken (dus tot 3 augustus 2017) verlenging van het financieringsvoorbehoud verzocht bij de makelaar en ook gekregen. [gedaagde 1 c.s.] stelt dat de makelaar haar telefonisch heeft verzocht om het verzoek nog extra per e-mail aan hem te sturen als bevestiging.

Deze lezing is door [eisende partij 1 c.s.] weersproken. [eisende partij 1 c.s.] stelt dat er geen schriftelijke bevestiging is waaruit blijkt dat het telefonisch verzoek van [gedaagde 1 c.s.] om uitstel is goedgekeurd. [eisende partij 1 c.s.] heeft ter zitting verder verklaard dat zij het verzoek van [gedaagde 1 c.s.] met haar makelaar heeft besproken en dat de makelaar aan [eisende partij 1 c.s.] heeft medegedeeld dat er juist geen uitstel zou worden verleend. Er is volgens [eisende partij 1 c.s.] geen bewijs waaruit het goedgekeurde uitstel zou blijken. De rechtbank overweegt enerzijds dat uit de e-mail van [gedaagde 1 c.s.] van 18 juli 2017 (zie r.o. 2.4.) weliswaar blijkt dat zij een verzoek heeft gedaan tot uitstel, maar dat niet vast is komen te staan dat zij dit uitstel ook heeft gekregen. [gedaagde 1 c.s.] heeft ter zitting aangegeven niet te kunnen bewijzen dat het uitstel is verleend. Anderzijds is er niet negatief gereageerd door (de makelaar van) [eisende partij 1 c.s.] op het verzoek tot uitstel en de makelaar en financieel adviseur van [gedaagde 1 c.s.] hebben hierna nog contact met elkaar gehad. De rechtbank laat daarom voor nu in het midden of er wel of geen uitstel is verleend aan [gedaagde 1 c.s.] .

Inroepen financieringsvoorbehoud – documentatie vereisten

4.3.

Tussen partijen is ook in geschil of [gedaagde 1 c.s.] bij het inroepen van het financieringsvoorbehoud voldaan heeft aan de ‘goed gedocumenteerd’ vereisten van artikel 15.3 van de koopovereenkomst. De rechtbank overweegt dat, als het uitstel zou zijn verleend en de e-mail van [gedaagde 1 c.s.] d.d. 26 juli 2017 met de afwijzing van de ING dus tijdig zou zijn geweest, geldt dat [gedaagde 1 c.s.] niet voldaan heeft aan de vereisten die artikel 15.3 van de koopovereenkomst stelt. Partijen hebben in artikel 15.3 aanvullende afspraken opgenomen (zie r.o. 2.2.) over de mededeling voor ontbinding, namelijk dat er minimaal twee aanvragen en twee afwijzingen van bankinstellingen als bewijsstukken moeten worden overgelegd. Met de enkele afwijzing van de ING Bank die [gedaagde 1 c.s.] heeft overgelegd is, zoals [eisende partij 1 c.s.] terecht heeft aangevoerd, dus niet voldaan aan het goed documenteren van de mededeling.

[gedaagde 1 c.s.] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de toelichting bij de koopovereenkomst van toepassing is en niet de aanvullende afspraken in de hoofdtekst van de koopovereenkomst, maar naar oordeel van de rechtbank is onvoldoende duidelijk geworden dat partijen hier over gesproken hebben. De aanvullende afspraken uit artikel 15.3 in de hoofdtekst van de koopovereenkomst prevaleren dan ook boven de toelichting bij de koopovereenkomst. Aan het leveren van bewijs van de stelling van [gedaagde 1 c.s.] wordt niet toegekomen, nu [gedaagde 1 c.s.] geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan.

4.4.

Kortom, de koopovereenkomst is in stand gebleven en daarmee ook de op [gedaagde 1 c.s.] rustende verplichting om een bankgarantie te stellen, alsmede het nakomen van de andere verplichtingen onder de koopovereenkomst.

Ingebrekestelling en ontbinding [eisende partij 1 c.s.]

4.5.

Dan komt de rechtbank toe aan de vraag of [gedaagde 1 c.s.] tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst en [eisende partij 1 c.s.] de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden. [gedaagde 1 c.s.] heeft in dit kader betoogd dat de door [eisende partij 1 c.s.] gestuurde ingebrekestelling slechts ziet op een sommatie tot afname van de woning. Deze sommatie is volgens [gedaagde 1 c.s.] onterecht, nu zij niet in gebreke was met afname van de woning, de levering zou pas in november 2017 plaatsvinden. [eisende partij 1 c.s.] heeft volgens [gedaagde 1 c.s.] de koopovereenkomst onterecht ontbonden, omdat [gedaagde 1 c.s.] de woning nog gewoon had kunnen afnemen.

[eisende partij 1 c.s.] heeft ter zitting aangevoerd dat de zin in de ingebrekestelling:

Namens cliënten verzoek, en voor zover nodig, sommeer ik u hiermee uiterlijk binnen acht dagen na dagtekening van deze brief uw verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen, in het bijzonder de verplichting om mee te werken aan de notariële afname van de woning tegen betaling van de koopprijs.”, niet alleen ziet op afname van de woning, maar op alle verplichtingen uit de koopovereenkomst en dus ook op het stellen van een bankgarantie c.q. het storten van een waarborgsom. Daar was [gedaagde 1 c.s.] volgens [eisende partij 1 c.s.] mee ingebreke, want dat had uiterlijk 26 juli 2017 moeten gebeuren.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar heeft [gedaagde 1 c.s.] in de stukken en ter zitting gesteld dat de ingebrekestelling niet zou voldoen aan de vereisten van ingebreke stellen en verzuim als bedoeld in artikel 6:81 jo. 6:82 BW, maar zij heeft niet weersproken dat de ingebrekestelling - zoals [eisende partij 1 c.s.] heeft aangevoerd - ook ziet op de verplichting tot het stellen van een bankgarantie c.q. het betalen van de waarborgsom.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eisende partij 1 c.s.] [gedaagde 1 c.s.] correct ingebreke heeft gesteld op het moment dat [gedaagde 1 c.s.] tekort schoot in de nakoming van haar verplichtingen (stellen van de bankgarantie) onder de koopovereenkomst. [gedaagde 1 c.s.] is in verzuim komen te verkeren na het verlopen van de termijn zoals opgenomen in de ingebrekestelling. [eisende partij 1 c.s.] heeft de koopovereenkomst dan ook terecht ontbonden op grond van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde 1 c.s.] . Daarmee is [gedaagde 1 c.s.] op grond van artikel 11.2 van de koopovereenkomst de door [eisende partij 1 c.s.] gevorderde boete verschuldigd geworden.

Matiging van de boete

4.7.

[gedaagde 1 c.s.] heeft de rechtbank verzocht deze boete te matigen tot een bedrag van

€ 5.000,-. Ter onderbouwing van dat beroep heeft zij benadrukt dat de consequenties van de ingebrekestelling en ontbinding lange tijd niet duidelijk voor haar waren, omdat zij niet begreep hoe het kon dat zij de woning moest afnemen in augustus 2017 en niet in november 2017. Daarbij werd de verwarring volgens [gedaagde 1 c.s.] groter omdat zij in de veronderstelling was dat zij uitstel had gekregen, dacht ontbonden te hebben en dus de waarborgsom niet verschuldigd te zijn. [gedaagde 1 c.s.] stelt verder dat zij geen kansloze hypotheekaanvraag heeft gedaan en dat zij het huis graag had willen kopen. Ter zitting heeft [gedaagde 1 c.s.] verder gesteld dat zij diep in de schulden raakt op het moment dat zij de volledige boete aan [eisende partij 1 c.s.] moet voldoen. [gedaagde 1 c.s.] procedeert op toevoeging.

4.8.

De rechtbank overweegt dat, naar vaste rechtspraak, de rechter terughoudend dient om te springen met het toepassen van haar matigingsbevoegdheid ex artikel 6:94 BW. Een boete kan slechts dan gematigd worden indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, namelijk als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Hierbij moet de rechtbank onder andere letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (ECLI:NL:HR:2007:AZ6638).

4.9.

Op grond van wat partijen over en weer hebben aangevoerd en met inachtneming van bovenstaande maatstaf, is de rechtbank van oordeel dat matiging van de boete, in dit specifieke geval, gelet op de omstandigheden, aan de orde is.

Hoewel in de procedure niet vast is komen te staan dat het aangevraagde uitstel voor de termijn van het inroepen van het financieringsvoorbehoud daadwerkelijk is verleend, acht de rechtbank het begrijpelijk dat [gedaagde 1 c.s.] in deze veronderstelling verkeerde. [gedaagde 1 c.s.] e-mailde “Zoals telefonisch afgesproken (…)” en verwachtte geen antwoord omdat zij, zoals verklaard ter zitting, op verzoek van de makelaar alleen een bevestiging per e-mail hoefde te sturen. Daarnaast is er ook daarna nog meerdere malen contact geweest tussen de makelaar en financieel adviseur [A] over het aankoopproces en is er niet (negatief) gereageerd op de afwijzing die [gedaagde 1 c.s.] op 26 juli 2017 heeft gestuurd. Kennelijk heeft de makelaar niet op enig moment vóór 3 augustus 2017 duidelijk te kennen gegeven aan [gedaagde 1 c.s.] of aan zijn adviseur [A] dat [eisende partij 1 c.s.] niet instemde met uitstel van de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud en dat [eisende partij 1 c.s.] geen genoegen nam met de enkele afwijzing van de ING voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud. Onder die omstandigheden is begrijpelijk dat [gedaagde 1 c.s.] zich niet voldoende heeft gerealiseerd dat zij op de datum waarop zij de ingebrekestelling ontving te laat was met het inroepen van het financieringsvoorbehoud. In de ingebrekestelling is voorts niet expliciet vermeld dat [gedaagde 1 c.s.] de verschuldigdheid van de boete kon voorkomen door een bankgarantie te stellen of de waarborgsom te storten. De communicatie van de zijde van [eisende partij 1 c.s.] is op meerdere punten niet duidelijk geweest.

In aanvulling op bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de boete en de daadwerkelijke schade van [eisende partij 1 c.s.] sterk uiteenlopen. De woning is verkocht voor een koopprijs die € 5.000,- lager lag dan de met [gedaagde 1 c.s.] overeengekomen koopprijs. Ter comparitie heeft [eisende partij 1 c.s.] gesteld dat haar daadwerkelijke schade totaal ongeveer € 7.000,- bedraagt. De overige € 25.500,- van de boete ziet zij als genoegdoening, omdat zij een paar weken veel stress heeft ervaren, de woning opnieuw in de verkoop ging en zij bovendien nooit excuses van [gedaagde 1 c.s.] heeft gekregen. Voor [gedaagde 1 c.s.] betekent toewijzing van de volledige boete dat hij zich in de schulden zou moeten steken.

4.10.

Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank toewijzing van de volledige boete onaanvaardbaar. Rekening houdend met de lagere koopsom van € 5.000,-, het opnieuw in de verkoop moeten zetten van de woning en de door [eisende partij 1 c.s.] ervaren stressvolle periode zal de rechtbank de boete matigen tot een bedrag van € 8.000,-.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

4.11.

[eisende partij 1 c.s.] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu in de sommatiebrief van 30 januari 2018 aan [gedaagde 1 c.s.] geen betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

4.12.

De door [eisende partij 1 c.s.] gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen over het bedrag van € 8.000,-, te rekenen vanaf 20 augustus 2017.

4.13.

[gedaagde 1 c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waarbij het liquidatietarief van het salaris van de advocaat wordt aangepast naar de hoogte van het toegewezen bedrag. De kosten aan de zijde van [eisende partij 1 c.s.] worden begroot op:

- dagvaarding € 105,09

- griffierecht 895,00

- salaris advocaat 922,00 (2 punten × tarief € 461,00)

Totaal € 1.922,09

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De nakosten zullen worden begroot op de bedragen zoals door [eisende partij 1 c.s.] gevorderd: € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1 c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisende partij 1 c.s.] te betalen een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 8.000,00 met ingang vanaf 20 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1 c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij 1 c.s.] tot op heden begroot op

€ 1.922,09,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.R. de Rooij en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2019.