Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:8010

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
09-08-2019
Zaaknummer
C/09/544472 / HA ZA 17-1277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/544472 / HA ZA 17-1277

Vonnis van 29 mei 2019

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam eiser] , te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.A.S. Mosele, te Den Haag,

tegen

1 PEINEMANN KRANEN B.V., te Rotterdam,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker, te Houten,

2. KONINKLIJKE VAN DER WEES GROEP B.V., te Dordrecht,

advocaat mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam,

3. MOURIK GROOT-AMMERS B.V., te Groot-Ammers,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker, te Houten,

4. GEMEENTE ALPHEN AAN DEN RIJN, te Alphen aan den Rijn,

advocaat mr. S. Baks, te Utrecht,

gedaagden

Partijen zullen hierna ‘ [eiser] ’, ‘Peinemann’, ‘Van der Wees’, ‘Mourik’ en ‘de Gemeente’ genoemd worden. Peinemann, Van der Wees, Mourik en de Gemeente zullen gezamenlijk worden aangeduid als ‘gedaagden’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 november 2017 met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de conclusie van antwoord aan de zijde van Peinemann en Mourik van 18 april 2018 met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de conclusie van antwoord aan de zijde van Van der Wees van 18 april 2018 met 1 productie;

  • -

    de conclusie van antwoord aan de zijde van de Gemeente van 18 april 2018 met producties 1 tot en met 10;

  • -

    een brief aan de zijde van [eiser] van 24 januari 2018 met 1 productie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 april 2019 met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Peinemann en Mourik hebben hiervan gebruik gemaakt bij faxbrief die op 19 mei 2019 bij de rechtbank is ontvangen. De Gemeente heeft hiervan gebruik gemaakt bij faxbrief van 20 mei 2019. Het dossier wordt met inachtneming van deze berichten gelezen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] baat een horecagelegenheid uit aan de [adres] (het restaurant). Het restaurant ligt parallel aan de rivier de Oude Rijn.

2.2.

De Gemeente heeft begin 2013 besloten tot renovatie van de Koningin Julianabrug (de Julianabrug). De Julianabrug loopt over de Oude Rijn. Na aanbesteding is de renovatie gegund aan Mourik en BSB, beiden aannemers, die onder andere Peinemann hebben ingeschakeld voor takelwerkzaamheden. Onderdeel van de renovatie was het plaatsen van een nieuw brugdek (de hijsoperatie). Bij de werkzaamheden is gebruik gemaakt van pontons van Van der Wees.

2.3.

Op 3 augustus 2015 zijn bij het inhijsen van het nieuwe brugdek twee hijskranen van Peinemann en het brugdek omgevallen. De hijskranen en het brugdek zijn op de naastgelegen bebouwing terecht gekomen (het hijsongeval).

2.4.

De Gemeente heeft na het hijsongeval op 3 augustus 2015 een noodverordening vastgesteld (de noodverordening). In de noodverordening is een gebied aangewezen waarvoor een verblijfsverbod gold. Deze noodverordening is gewijzigd op 5 augustus 2015:

“(…) Het is een ieder, met uitzondering van hen die toestemming hebben van de politie of gemeentelijke opsporingsambtenaren, verboden zich te bevinden binnen het op de bij dit besluit behorende kaart gearceerde gedeelte (bestaande uit het gebied rondom de even zijde Hooftstraat 128 t/m 136, oneven zijde Hooftstraat 129 t/m 159, J.W.C. Bloemstraat 1A, 1 en 3, Arubastraat 21 t/m 25, Arubastraat 32 t/m 40 en Wilhelminalaan 62 t/m 62B, inclusief het hierbinnen vallende gedeelte van de Oude Rijn). (…)

Voor het overige blijven de artikelen en de verordening (zijnde de verordening van 3 augustus 2015 – toevoeging rb.) ongewijzigd van kracht.

Op onderstaande, door de Gemeente gemaakte, afbeelding is het groen omlijnde gebied het door de Gemeente aangewezen noodverordeninggebied. De rode pijl op de afbeelding markeert de locatie van het restaurant van [eiser] .

2.5.

De noodverordening is per 10 oktober 2015 ingetrokken. Op 6 november 2015 is de Hooftstraat volledig opengesteld.

2.6.

De Julianabrug is op 20 juni 2016 weer opengesteld.

2.7.

[eiser] is op 28 augustus 2015 een lastgevingsovereenkomst aangegaan met Corpocon Legal BV (de lastgevingsovereenkomst). In de lastgevingsovereenkomst zijn – voor zover relevant – de volgende bepalingen opgenomen, waarbij partij 1 (de lastgever) [eiser] is en partij 2 (de lastnemer) Corpocon Legal BV:

“(…)

3. Tussen partijen bestaat een overeenkomst van opdracht, waarbij partij 2 zich als opdrachtnemer jegens partij 1 heeft verbonden om buiten dienstbetrekking werkzaamheden te verrichten die betrekking hebben op belangenbehartiging bij het vaststellen en verhalen van alle schade (materieel en immaterieel) ten gevolge van de laakbare Julianabrug Ramp van 03-08-2015, opgelopen door partij 1.

5. Partij 2 zal met uitsluiting van de lastgever het recht op het innen van alle schadepenningen en alle voorschotbetalingen op alle schadebedragen uitoefenen. (…)

8. Indien partij 1 de met partij 2 bestaande overeenkomst van opdracht, zoals omschreven in art. 3 van deze overeenkomst, opzegt, dan is daarmee tevens deze lastgevingsovereenkomst opgezegd. In een dergelijk geval zal partij 2 de schadeplichtige berichten.

(…).”

2.8.

[eiser] heeft gedaagden bij brieven van 24 juli 2017 aansprakelijk gesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 voor recht te verklaren dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het hijsincident op 3 augustus 2015 ter hoogte van de Koningin Julianabrug in Alphen aan den Rijn , waarbij het nieuwe brugdeel gehesen zou worden met twee mobiele hijskranen vanaf pontons op de Oude Rijn, maar waarbij de kranen gekanteld zijn en op de bebouwing aan de oostzijde van de Oude Rijn terecht zijn gekomen, en dat de schade derhalve aan [eiser] vergoed moet worden;

 gedaagden te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 125.360,- met rente aan hoofdsom te voldoen;

 gedaagden te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 60.144,80 met rente aan buitengerechtelijke kosten te voldoen;

 gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld als gevolg waarvan hij schade heeft geleden. [eiser] stelt – kort samengevat – dat gedaagden niet de van hen te verwachten zorgvuldigheid hebben betracht bij de voorbereiding en uitvoering van de hijsoperatie. Gedaagden hebben veiligheidsnormen geschonden en risico’s in het leven geroepen op zeer ernstige schade aan personen, zaken en commerciële belangen van de omliggende ondernemers in de Hooftstraat, waaronder [eiser] . Door de gedragingen van gedaagden heeft het hijsongeval kunnen plaatsvinden. Het hijsongeval heeft tot (verlengde) afsluiting van de Hooftstraat en de Julianabrug geleid, waardoor het restaurant slecht bereikbaar is geweest. Hierdoor is de omzet van het restaurant in 2015 en 2016 sterk gedaald, terwijl de landelijke trend voor soortgelijke ondernemingen juist een groei liet zien. In totaal heeft het restaurant een omzetverlies geleden van € 110.397,- over 2015 en 2016. Daarnaast stelt [eiser] extra reclamekosten te hebben moeten maken ter beperking van het omzetverlies. De kosten hiervan bedragen € 14.963,-. Gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade.

3.3.

Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vordering. Op de stellingen van partijen wordt – voor zover relevant – hieronder ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze procedure staat de vraag centraal of de gedaagden op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] en aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door hem gestelde schade. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:162 BW is vereist dat de gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] en dat dit handelen hen kan worden toegerekend, dat [eiser] schade heeft geleden en dat deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen van gedaagden. Verder moet de door gedaagden overtreden norm strekken tot de bescherming van het geschonden belang van [eiser] (relativiteitsvereiste artikel 6:163 BW). Aan alle vereisten moet worden voldaan. [eiser] dient voldoende feiten en omstandigheden te stellen ter onderbouwing van zijn vordering.

4.2.

Nu Peinemann en Mourik (gezamenlijk) en Van der Wees een beroep hebben gedaan op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] , ieder op verschillende gronden, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven. Vervolgens zal de rechtbank de vordering op inhoudelijke gronden beoordelen.

Ontvankelijkheid vordering jegens Peinemann en Mourik - lastgevingsovereenkomst

4.3.

Mourik en Peinemann stellen dat [eiser] afstand heeft gedaan van uitoefening van het recht tot inning van vermeend verschuldigde schadepenningen, omdat in de lastgevingsovereenkomst expliciet is bepaald dat Corpocon Legal B.V. – met uitsluiting van [eiser] – bevoegd is om gestelde schade te verhalen. Ter zitting heeft [eiser] te kennen gegeven dat de lastgevingsovereenkomst is opgezegd. Volgens Peinemann en Mourik zijn zij niet conform artikel 8 van de lastgevingsovereenkomst over deze opzegging bericht.

4.4.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [eiser] ter zitting dat de lastgevingsovereenkomst is opgezegd, kan worden beschouwd als de berichtgeving als bedoeld in artikel 8 van de lastgevingsovereenkomst. Verder volgt uit de tekst van de lastgevingsovereenkomst niet dat de mededeling van de opzegging aan de schadeplichtige(n) een constitutief vereiste is voor het intreden van het rechtsgevolg van de opzegging. Daarom kan in het midden blijven op welk moment deze opzegging heeft plaatsgevonden. [eiser] is, nu er geen sprake meer is van de lastgeving, ontvankelijk in zijn vordering jegens Peinemann en Mourik.

Vordering jegens Van der Wees groep - contractpartij

4.5.

Van der Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid subsidiair afwijzing van de vordering jegens haar. Van der Wees betwist betrokken te zijn bij de hijsoperatie en stelt dat zij geen contractspartij was van Peinemann, Mourik of de Gemeente. Volgens Van der Wees is de entiteit ‘Van der Wees Watertransporten B.V.’ (Watertransporten) de contractuele wederpartij van Peinemann. Van der Wees is een houdstermaatschappij die een aantal pontons in eigendom heeft maar verder geen eigen activiteiten onderneemt en geen werkzame personen in dienst heeft. Watertransporten heeft pontons van Van der Wees gebruikt bij de uitvoering van de hijsoperatie. Naar aanleiding van de aansprakelijkstelling in juli 2017 heeft Van der Wees [eiser] per brief geïnformeerd over de betrokkenheid van Watersporten. [eiser] wist dus voorafgaand aan onderhavige procedure dat Van der Wees niet de juiste partij was om aan te spreken, aldus Van der Wees. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat Van der Wees nooit duidelijk heeft laten weten dat zij geen partij was bij de hijsoperatie. Ter zitting heeft Van der Wees een offerte tussen Peinemann en Watertransporten aan [eiser] laten zien. Van de zijde van [eiser] is aangevoerd dat deze offerte niet duidelijk maakt wie de contractspartij is, omdat deze opdracht kennelijk mondeling is aanvaard.

4.6.

[eiser] heeft, gelet op de gemotiveerde standpunten van Van der Wees, onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou volgen dat Van der Wees de contractspartij was van Peinemann en zodoende ‘het pontonbedrijf’ dat volgens de dagvaarding betrokken was bij de hijsoperatie en onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. In het bijzonder heeft Van der Wees met de verwijzing naar de offerte die op naam van Watersporten is gesteld voldoende betwist dat Van der Wees betrokken is geweest bij de hijsoperatie. De enkele niet nader onderbouwde stelling van [eiser] , op wie de stelplicht rust, dat niet duidelijk is wie de uiteindelijke contractpartij is omdat de overeenkomst mondeling lijkt te zijn gesloten, is een onvoldoende weerlegging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de grondslag voor de vordering jegens Van der Wees ontbreekt en deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Bereikbaarheid van het restaurant

4.7.

[eiser] stelt dat het restaurant niet of zeer slecht bereikbaar was door de afsluiting van de Hooftstraat en de (als gevolg van het hijsongeval verlengde) afsluiting van de Julianabrug. Als gevolg daarvan is klandizie van het restaurant weggebleven en naar andere horecagelegenheden gegaan die eenvoudiger bereikt konden worden, zoals nabijgelegen winkelcentra aan de westzijde van de Oude Rijn. Gedaagden hebben deze stellingen gemotiveerd betwist. Zij hebben concreet toegelicht via welke routes het restaurant ook na het hijsongeval kon worden bereikt. Het restaurant lag na 5 augustus 2015 300 meter buiten het door de Gemeente ingestelde noodverordening gebied. Daarnaast waren er volgens gedaagden, ondanks de afsluiting van de Julianabrug en de gedeeltelijke afsluiting van de Hooftstraat, genoeg alternatieven om het restaurant te kunnen bereiken. Fietsers en wandelaars konden onder meer via de Alphense brug het restaurant bereiken. Auto’s konden het restaurant in de Hooftstraat bereiken via de Rhenanialaan en de J.W.C. Bloemstraat en op het Thorbeckeplein – op 100 meter vanaf het restaurant – was een tijdelijke parkeerplaats waar gratis geparkeerd kon worden. [eiser] heeft zijn stelling dat de Hooftstraat na de gehele openstelling op 6 november 2015 nog ‘veelvuldig’ zou zijn afgesloten niet onderbouwd. Gedaagden hebben verder bestreden dat de tijdelijke afsluiting van de Julianabrug tot verminderde bereikbaarheid heeft geleid.

4.8.

[eiser] heeft ter zitting erkend dat het restaurant bereikbaar was en dat in de directe omgeving geparkeerd kon worden. Gelet op het gemotiveerde betoog van de gedaagden dat het restaurant onverminderd bereikbaar was, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [eiser] gelegen om de gestelde verminderde bereikbaarheid te concretiseren. [eiser] heeft ter zitting onvoldoende aangevoerd waaruit deze gestelde slechte bereikbaarheid volgt. [eiser] heeft weliswaar ter zitting nog gewezen op de regiofunctie van het restaurant en aan de hand van een zelfgemaakt (globaal) overzicht gesteld dat de bereikbaarheid vanuit de regio beperkt was door afsluiting van de Julianabrug, maar ook daarmee heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank het gemotiveerde verweer van gedaagden niet voldoende concreet weersproken. De rechtbank concludeert dan ook dat niet is vast komen te staan dat het restaurant verminderd bereikbaar was na het hijsongeval.

Schade en causaal verband

4.9.

De schade van [eiser] als gevolg van het hijsongeval bestaat – zo blijkt uit zijn stellingen – uit omzet- en winstverlies en extra reclamekosten die hij heeft moeten maken omdat er minder klanten naar het restaurant kwamen. [eiser] stelt dat hij, op basis van een vergelijking met enerzijds de omzet van het restaurant en anderzijds een landelijke trend voor gelijkwaardige ondernemingen, heeft berekend dat hij in 2015 een omzetverlies van

€ 47.212,- en in 2016 een omzetverlies van € 63.185,- had. De kosten voor het uitgeven en verspreiden van een reclamemagazine bedroegen € 14.963,-.

4.10.

Gedaagden betwisten dat [eiser] schade heeft geleden en stellen dat hij de schade niet voldoende heeft onderbouwd. Bovendien is niet duidelijk tegen welke ‘landelijke trend’ [eiser] zijn eigen omzetverloop afzet en waarom zijn winstverwachting daarop zou mogen worden afgestemd. Voor zover al significant omzetverlies zou zijn geleden, betwisten gedaagden het condicio sine qua non verband met het hijsongeval. Volgens gedaagden komt [eiser] niet verder dan een niet-onderbouwde stelling dat minder klanten zijn restaurant bezochten en dat hij een hogere omzet verwachtte. Eventueel omzetverlies is volgens gedaagden niet te wijten aan de verminderde bereikbaarheid van het restaurant. Gedaagden wijzen op andere oorzaken die geen verband houden met het hijsongeval (onder meer een interne verbouwing en extra horecagelegenheden door nieuwbouw in de omgeving).

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] niet voldaan aan zijn stelplicht dat hij het door hem gevorderde omzetverlies niet zou hebben geleden als het hijsongeval niet zou hebben plaatsgevonden (artikel 6:98 BW). Anders dan een verwijzing naar een globaal overzicht van de totaalomzet van het restaurant uit 2015 en 2016 heeft [eiser] geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn verminderde klandizie en omzetverlies. [eiser] wijst enkel op de verminderde bereikbaarheid, terwijl hiervoor is overwogen dat niet is komen vast te staan dat het hijsongeval tot verminderde bereikbaarheid van het restaurant heeft geleid. [eiser] heeft verder de door gedaagden genoemde andere oorzaken voor eventuele verminderde klandizie niet voldoende weersproken. Hij heeft evenmin onderbouwd waarom zijn omzetverwachting – zonder het hijsongeval – afgezet zou kunnen worden tegen de niet nader toegelichte ‘landelijke trend’. Nu het omzetverlies en het causaal verband met het hijsongeval niet zijn komen vast te staan, ontbreekt ook de grondslag (naar de rechtbank begrijpt de schadebeperkingsplicht van [eiser] ) aan toewijzing van de gevorderde extra promotie c.q. reclamekosten en eventuele kortingen aan klanten, waaraan [eiser] ter zitting heeft gerefereerd. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [eiser] reeds om die reden moeten worden afgewezen.

4.12.

De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] jegens Peinemann, Mourik, de Gemeente en Van der Wees – gelet op het voorgaande – af. De overige stellingen en weren behoeven geen bespreking meer.

Proceskosten

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

Mourik en Peinemann

- griffierecht € 3.894,-

- salaris advocaten € 11.568,- (3 punten × tarief € 3.856,- )

Totaal € 15.462,-

De Gemeente

- griffierecht € 3.894,-

- salaris advocaat € 7.712,- (2 punten × tarief € 3.856,-)

Totaal € 11.606,-

Van der Wees

- griffierecht € 3.894,-

- salaris advocaat € 7.712,- (2 punten × tarief € 3.856,-)

Totaal € 11.606,-

4.14.

De door Peinemann, Mourik en de Gemeente gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, voor het geval de voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, zal worden toegewezen.

4.15.

Voor een veroordeling in de nakosten zoals gevorderd door de Gemeente bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Wel zullen de nakosten worden begroot.

De kosten worden begroot op de bedragen zoals door de Gemeente gevorderd: € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Peinemann en Mourik gezamenlijk tot op heden begroot op € 15.462,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Van der Wees tot op heden begroot op € 11.606,-,

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 11.606,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en begroot de nakosten op € 131,00 aan salaris advocaat, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft, mr. R.C. Hartendorp en mr. N.F.R. de Rooij en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.