Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7960

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
C-09-577185-KG ZA 19-688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; vader vordert van school dat bij zijn dochter een IQ-test wordt afgenomen in verband met schooladvies dat de school heeft gegeven; moeder werkt niet mee aan afname van de IQ-test zodat de vordering reeds daarom niet voor toewijzing aan aanmerking komt; de vader heeft bovendien niet aangetoond dat de school een expliciete toezegging heeft gedaan tot afname van de IQ-test; vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2019/1002
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer:

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2019

in de zaak van

[de vader] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. H.M.A. Nobel te Amsterdam,

tegen:

1 [de Stichting Primair Onderwijs] te [plaats 2]

2. [gedaagde sub 2], in haar hoedanigheid van directeur van de [de Basisschool] te [plaats 3] ,

3. [gedaagde sub 3], in haar hoedanigheid van bestuurder van gedaagde sub 1,

gedaagden,

advocaat mr. A.H.M. van Bavel te Woerden.

Eiser wordt hierna aangeduid als ‘ [de vader] ’. Gedaagden worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [de Stichting Primair Onderwijs] ’, ‘ [gedaagde sub 2] ’ en ‘ [gedaagde sub 3] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de door [de vader] overgelegde producties;

- de door gedaagden overgelegde producties;

- de op 22 juli 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[de vader] is de vader van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). De ouders van [de minderjarige] zijn in 2016 gescheiden. De ouders van [de minderjarige] zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de Stichting Primair Onderwijs] is een onderwijsorganisatie in de regio [de regio] . Onder haar bestuur valt onder meer [de Basisschool] (hierna: [de Basisschool] ).

2.3.

[de minderjarige] heeft tot groep 5 op [de Basisschool] gezeten. In groep 5 is zij uitgeschreven en naar de vrije school gegaan. Halverwege groep 6 is zij weer ingeschreven op [de Basisschool] . Zij heeft onlangs groep 8 afgerond op [de Basisschool] .

2.4.

De schoolresultaten van [de minderjarige] zijn sinds de scheiding van haar ouders achtergebleven. Zij heeft veel ondersteuningsbehoefte en daarom heeft er regelmatig overleg plaatsgevonden met [de Basisschool] , de ouders van [de minderjarige] en verschillende instanties. [de minderjarige] heeft onder meer begeleiding (gehad) van Go for Jeugd, een jeugdhulpverleningstraject.

2.5.

[de minderjarige] heeft in groep 7 als voorlopig schooladvies VMBO-B/K gekregen.

2.6.

Op 15 november 2018 heeft er een BOT (Breed Ondersteunings Team)-overleg plaatsgevonden over [de minderjarige] . Hierbij waren aanwezig [de vader] en diens advocaat, de moeder van [de minderjarige] , een medewerkster van Go for Jeugd, een orthopedagoge, [gedaagde sub 2] , de leerkracht van [de minderjarige] en [A] (intern begeleidster van [de minderjarige] ). Het onderwerp van het BOT-overleg was de evaluatie van het OPP (het ontwikkelingsperspectief) en van de begeleiding door Go for Jeugd. Tijdens het BOT-overleg is gesproken over het afnemen van een IQ-test bij [de minderjarige] .

2.7.

Het definitieve schooladvies van [de minderjarige] is, onder meer naar aanleiding van de door haar behaalde Cito-resultaten, bijgesteld naar VMBO-K.

2.8.

[de vader] heeft nadien aangedrongen op de afname van een IQ-test bij [de minderjarige] door [de Stichting Primair Onderwijs] . Daarnaast heeft [de vader] aangedrongen op afgifte van diverse gegevens die betrekking hebben op de schoolresultaten van [de minderjarige] en het door [de Stichting Primair Onderwijs] gegeven definitieve schooladvies.

2.9.

Bij e-mailbericht van 12 juli 2019 heeft [gedaagde sub 3] het navolgende bericht aan de toenmalige advocaat van [de vader] :

“ik heb de bandopname afgeluisterd en de mailwisseling en de communicatie in ouderportaal bestudeerd.

>T.a.v. gevraagde IQ-test:

Tijdens het gesprek op 15 november jl. is inderdaad door de school de suggestie gedaan een I.Q. test af te nemen bij [de minderjarige] . In hetzelfde gesprek werd er echter door de aanwezigen namens GO! (de betrokken jeugdhulpverlening) en de orthopedagoog van het samenwerkingsverband op gewezen dat een I.Q.-test op dat moment geen reëel beeld zou geven van de capaciteiten van [de minderjarige] gezien de problematiek waar [de minderjarige] op dat moment mee worstelde (het gebrek aan consensus tussen beide ouders). De situatie van [de minderjarige] zou gemeld gaan worden aan de jeugdbeschermingstafel.

De I.Q. test zou eventueel wel afgenomen gaan worden mocht dit noodzakelijk zijn voor een LWOO aanmelding. Op 14 december heeft dhr. [de vader] een mail ontvangen met als bijlage een verslag van het gesprek op 15 november en uitleg waarom afname van een I.Q. test (voor het eerst sinds dit schooljaar) niet meer nodig is voor een aanmelding voor LWOO. De school heeft daarom reeds in december van de I.Q. test afgezien. Het bleek niet meer noodzakelijk, het zou geen realistisch beeld geven en het zou onnodig belastend zijn voor [de minderjarige] ”.

3 Het geschil

3.1.

[de vader] vordert – zakelijk weergegeven –:

1) gedaagden te veroordelen om binnen twee weken na heden de tijdens het BOT-overleg gemaakte afspraken na te komen, inhoudende dat bij [de minderjarige] een IQ-test zal worden afgenomen door de in de inleidende dagvaarding genoemde personen, op straffe van een dwangsom;

2) gedaagden te veroordelen om binnen twee weken na heden aan [de vader] inzage te geven in de navolgende stukken:

- een kopie van het definitieve eindadvies;

- het in groep 7 gegeven voorlopige advies;

- een afschrift van de Cito-resultaten van de afgelopen jaren;

- een groeicurve van de door [de minderjarige] behaalde resultaten van de afgelopen jaren;

- de door [de minderjarige] behaalde cijfers van de afgelopen schooljaren, hieronder begrepen de cijfers van alle Cito-toetsen en de cijfers van alle klassikaal afgenomen toetsen;

- het volledige en complete schooldossier van [de minderjarige] ,

zulks op straffe van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voert [de vader] – samengevat – het volgende aan.

[de vader] heeft tijdens het BOT-overleg aangedrongen op een afname van een IQ-test bij [de minderjarige] . Tijdens dit overleg is door [de Stichting Primair Onderwijs] expliciet toegezegd dat deze IQ-test zal worden afgenomen, al dan niet op een later tijdstip. [de Stichting Primair Onderwijs] is gehouden die toezegging na te komen. [de minderjarige] laat mogelijk vanwege de echtscheiding van haar ouders geen groei meer zien in haar resultaten. Volgens Go for Jeugd kunnen de tegenvallende resultaten echter ook voortkomen uit kindfactoren. Het had op de weg van [de Stichting Primair Onderwijs] gelegen om de IQ-test af te laten nemen, opdat voldoende zorgvuldig het schooladvies tot stand zou zijn gekomen.

[de vader] heeft er verder belang bij dat de door hem gevraagde gegevens aan hem worden verstrekt. Uit de resultaten van voorgaande schooljaren vloeit immers voort dat [de minderjarige] een intelligentieprofiel heeft waar geen VMBO-advies bij past. Het schooldossier van [de minderjarige] is niet compleet en het is van groot belang dat [de vader] en de nieuwe school van [de minderjarige] met ingang van het nieuwe schooljaar over haar volledige dossier kunnen beschikken.

3.3.

Gedaagden voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Gedaagden hebben allereerst aangevoerd dat [de vader] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , omdat zij beiden functionaris zijn van [de Stichting Primair Onderwijs] en zij uit hoofde van [de Stichting Primair Onderwijs] handelen als het over zaken gaat als de onderhavige.

4.2.

[de vader] stelt zich op het standpunt dat [de Stichting Primair Onderwijs] verplicht is om bij [de minderjarige] een IQ-test af te nemen en inzage te geven in de volledige gegevens van [de minderjarige] . [de vader] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt op grond waarvan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , los van hun positie als functionaris van [de Stichting Primair Onderwijs] , daartoe verplicht zijn. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben gehandeld binnen hun dienstbetrekking, hetgeen er toe leidt dat de vorderingen voor zover die zijn gericht tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als natuurlijke persoon niet toewijsbaar zijn. De jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ingestelde vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.3.

Daarnaast stelt [de Stichting Primair Onderwijs] dat [de vader] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de moeder van [de minderjarige] niet is betrokken in deze procedure. Zoals [de Stichting Primair Onderwijs] terecht aanvoert zal een IQ-test niet kunnen worden afgenomen zonder toestemming van de moeder van [de minderjarige] . De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt immers mee dat één van de ouders voor de afname van een IQ-test toestemming van de andere ouder nodig heeft. [de Stichting Primair Onderwijs] heeft in dat kader aangevoerd dat de moeder niet achter de afname van de door [de vader] gewenste IQ-test staat en daaraan geen medewerking wil verlenen, hetgeen door [de vader] ter terechtzitting is bevestigd. Dit betekent dat ook in geval [de Stichting Primair Onderwijs] zou worden veroordeeld een IQ-test bij [de minderjarige] af te nemen, hiermee niet het door [de vader] gewenste resultaat kan worden bereikt, zodat de gevorderde afname van de IQ-test reeds op die grond niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.4.

In geval de moeder van [de minderjarige] wel zou meewerken aan de afname van een IQ-test, zou de daartoe strekkende vordering evenmin toewijsbaar zijn. Daartoe wordt als volgt overwogen. [de Stichting Primair Onderwijs] ontkent uitdrukkelijk dat door haar tijdens het BOT-overleg van 15 november 2018 is toegezegd dat er een IQ-test zou worden afgenomen bij [de minderjarige] . Wel is er volgens [de Stichting Primair Onderwijs] tijdens dit overleg gesproken over de afname daarvan, zij het in verband met het oog op het Nederlandse leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) dat destijds geschikt werd geacht voor [de minderjarige] . [de Stichting Primair Onderwijs] ging er destijds naar eigen zeggen vanuit dat het aanvragen van een IQ-test nodig was om deze vorm van onderwijs te kunnen volgen. Volgens [de Stichting Primair Onderwijs] is nadien gebleken dat dit met ingang van het schooljaar 2018/2019 niet meer het geval was en dat zij om die reden heeft afgezien van het IQ-onderzoek. [de Stichting Primair Onderwijs] heeft dit als zodanig al op 12 december 2018 aan [de vader] meegedeeld, zoals blijkt uit de in het geding gebrachte e-mailbericht van die datum. [de Stichting Primair Onderwijs] heeft dit herhaald in haar aan [de vader] gerichte e-mailbericht van 8 februari 2019.

4.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de vader] niet aangetoond dat er sprake is geweest van een expliciete toezegging door [de Stichting Primair Onderwijs] tot afname van een IQ-test bij [de minderjarige] . De voorzieningenrechter heeft de door [de vader] in het geding gebrachte geluidsopname beluisterd voor zover partijen daarnaar verwezen hebben. Hieruit volgt dat er enkel is gesproken over de afname van een IQ-test bij [de minderjarige] met het oog op het volgen van LWOO. Nu na het BOT-overleg van 15 november 2018 is gebleken dat het afnemen van een IQ-test daarvoor niet meer nodig was, valt niet in te zien op grond waarvan [de Stichting Primair Onderwijs] thans nog gehouden is een IQ-test af te laten nemen bij [de minderjarige] . Dit geldt te meer nu het volgen van LWOO in het geheel niet meer aan de orde is en de uitkomst van de IQ-test, gelijk [de Stichting Primair Onderwijs] stelt, niet van invloed zal zijn op het gegeven definitieve eindadvies. Bij het eindadvies speelt volgens [de Stichting Primair Onderwijs] de uitslag van de Cito-toets een doorslaggevende rol, hetgeen ertoe heeft geleid dat het eindadvies van [de minderjarige] is bijgesteld naar VMBO-K. [de vader] maakt zich er kennelijk zorgen over of [de minderjarige] het voortgezet onderwijs op het juiste niveau gaat volgen. Het staat [de vader] uiteraard vrij daar zelf nader onderzoek naar te laten verrichten, bijvoorbeeld door afname van een IQ-test, zij het dat de moeder van [de minderjarige] als gezegd daaraan haar medewerking dient te verlenen. Dit valt echter buiten het bestek van de onderhavige procedure.

4.6.

Met betrekking tot de door [de vader] gevorderde inzage van stukken overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens [de Stichting Primair Onderwijs] is een kopie van het definitieve eindadvies via het ouderportaal naar [de vader] verstuurd, het voorlopig advies dat in groep 7 is opgesteld is ook in zijn bezit, evenals een afschrift van de Cito-resultaten van de afgelopen jaren. Het door [de vader] gevorderde afschrift van de groeicurve van [de minderjarige] is volgens [de Stichting Primair Onderwijs] niet beschikbaar, zij het dat zij in dat kader verwijst naar de grafieken behorend bij de Cito-resultaten. De door [de minderjarige] behaalde cijfers van de afgelopen schooljaren tot en met juni 2019 zijn volgens [de Stichting Primair Onderwijs] ook reeds in het bezit van [de vader] , evenals het volledige en complete schooldossier tot en met mei 2019. Voor zover [de vader] inzage had willen krijgen in het schooldossier na mei 2019 had hij daarom op de gebruikelijke wijze kunnen vragen. Nu [de Stichting Primair Onderwijs] uitdrukkelijk heeft betwist dat de betreffende stukken niet eerder (grotendeels) aan [de vader] zijn verstrekt en nergens uit blijkt dat [de vader] op voorhand van de terechtzitting om afgifte daarvan heeft verzocht, komt de gevorderde afgifte daarvan niet voor toewijzing in aanmerking, laat staan op straffe van een dwangsom. Een groeicurve van de door [de minderjarige] behaalde resultaten van de afgelopen jaren is kennelijk niet voorhanden, zodat [de Stichting Primair Onderwijs] ook niet tot de afgifte daarvan veroordeeld kan worden. Deze vordering zal derhalve eveneens worden afgewezen.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [de vader] zullen worden afgewezen. [de vader] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [de vader] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2019.

hf