Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7849

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
NL19.9412
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iraakse. Geloofwaardigheid van het asielrelaas. Vaststelling relevante elementen. Hoorplicht voorafgaand aan oplegging terugkeerbesluit. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.9412


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).


Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019 te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R.H. Porkoros Jamalabad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit.

2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser kort weergegeven het volgende ten grondslag gelegd. Eiser stelt te zijn geboren te Qom, Iran en daar te hebben gewoond totdat in oktober 2017 zijn studievisum is afgelopen. Vervolgens stelt eiser naar Basra, Irak te zijn gegaan waar hij is bedreigd door leden van de Badr-militie omdat zijn broer eerder voor hen is gevlucht. Eiser stelt toen bij ene Maroef te zijn gaan inwonen omdat hij daardoor vanwege diens lidmaatschap van de Sadr-groepering van bedreigingen gevrijwaard zou zijn. Deze Maroef zou eiser vervolgens hebben aangespoord om zijn scheikundige kennis in te zetten voor het maken van explosieven. Om daar aan te ontkomen, stelt eiser met hulp van een reisagent via Turkije naar Nederland te zijn gevlucht.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers asielrelaas, met uitzondering van de identiteit, nationaliteit en herkomst, ongeloofwaardig is.

4. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Geloofwaardigheid

5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij van Iran naar Irak is gegaan vanwege het gebrek aan onderbouwing met documenten. Hierbij wijst eiser erop dat volgens artikel 4 van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn) bij gebrek aan documenten de verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt moeten worden genomen. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder op dit punt eisers verklaringen ook in de beoordeling heeft betrokken, door te overwegen dat eiser hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Die tegenwerping is niet bestreden.

6. Vervolgens voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn verklaringen over de bedreigingen door de Badr-militie in de beoordeling heeft betrokken, omdat hij deze gebeurtenissen niet aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft willen leggen. Ter zitting heeft eiser deze beroepsgrond nader geduid door te stellen dat deze verklaringen geen relevant element zijn zoals bedoeld in verweerders Werkinstructie 2014/10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op pagina 3 van deze werkinstructie wordt een relevant element omschreven als ‘een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 EVRM’. De gestelde bedreigingen door de Badr-militie zijn het beginpunt van eisers asielrelaas. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat de mensen die zijn broer hebben bedreigd ook hem hebben bedreigd. Zonder deze bedreigingen zou eiser geen toenadering hebben gezocht tot Maroef, door welke toenadering zijn uiteindelijke problemen zijn begonnen.

7. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn verklaringen over de bedreigingen door de Badr-militie ongeloofwaardig heeft geacht aan de hand van de tegenwerping dat hij niet heeft kunnen verklaren om welke redenen zijn broer bij hen in de negatieve aandacht staat. Daarbij wijst eiser erop dat verweerder hem in het nader gehoor niet heeft gevraagd waarom hij dat niet wist. Hierin wordt eiser evenmin gevolgd. Verweerder heeft voldoende invulling gegeven aan zijn samenwerkingsplicht door eiser in de gelegenheid te stellen te verklaren over de problemen van zijn broer met de Badr-militie. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om daarover duidelijkheid te bieden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser eerst in beroep stelt dat zijn broer hem nooit iets heeft verteld omdat hij geheime activiteiten verrichtte, maar dat in het geheel niet is gebleken waarom eiser dit niet tijdens het nader gehoor heeft kunnen verklaren.

8. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij in het Arabisch cursussen heeft kunnen volgen over het maken van explosieven aan de hand van de tegenwerping dat eiser ook heeft verklaard niet goed Arabisch te spreken. Eiser wijst erop dat het voor hem weliswaar moeilijk, maar niet onmogelijk was om te communiceren in het Arabisch en dat hij voornamelijk moest werken met chemische formules die in alle talen hetzelfde zijn. De rechtbank volgt eiser hierin niet, gelet op eisers verklaring op pagina 11 van het rapport nader gehoor dat hij het Arabisch niet genoeg beheerst om aangifte te kunnen doen en op pagina 12 en 13 van dat rapport dat tijdens de cursussen degene die les gaf vertelde over de onderwerpen die ter sprake zouden komen en dat de lessen begonnen met theorie en daarna praktijk.

9. Verder voert eiser aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat een arts heeft vastgesteld dat hij zichzelf heeft vergiftigd met bedorven voedsel. Eiser wijst erop dat hij slechts heeft verklaard dat een arts bij hem als zodanig een voedselvergiftiging heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit de tegenwerping van verweerder onverlet dat het niet geloofwaardig is dat eiser door deze vergiftiging verlof heeft kunnen krijgen van de cursussen zonder dat er medische stukken zijn van deze diagnose.

10. Daarnaast voert eiser nog aan dat verweerder ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij niet nauwkeurig heeft verklaard over het moment van zijn vlucht naar Nederland. Daarbij wijst eiser op het tijdsverloop. Dit is echter naar het oordeel van de rechtbank op zich onvoldoende reden om aan te nemen dat eiser niet precies meer zou weten wanneer hij huis en haard heeft moeten verlaten.

Terugkeerbesluit

11. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord over het voornemen om aan hem een terugkeerbesluit op te leggen en dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om daartegen bedenkingen in te brengen. Eiser wijst hierbij op considerans 24 bij de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn), artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2980).

12. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser is in de gelegenheid geweest om voorafgaand aan het bestreden besluit een zienswijze in te dienen. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat het voor eiser en zijn gemachtigde duidelijk moet zijn geweest dat het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag tevens het voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit behelst. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat aan eiser in het nader gehoor is gevraagd wat er volgens hem zou gebeuren als hij zou moeten terugkeren naar Irak (pagina 7 rapport nader gehoor).

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.

griffier

rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.